Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BJ0871

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
104.004.083
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BA6358, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft de dochter van geintimeerde om het leven gebacht. Toewijsbaarheid van shockschade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 311
JA 2009/135 met annotatie van mr. K.A.P.C. van Wees
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.083

arrest van de derde civiele kamer van 26 mei 2009

inzake

[appellant],

verblijvende in [Forensisch Psychiatrisch Centrum],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.S. Teekens,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.J Boom.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 maart 2006, 19 juli 2006, 30 augustus 2006 en 16 mei 2007, die de rechtbank Arnhem tussen principaal appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en principaal geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van de vonnissen van 29 maart 2006 en 16 mei 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 7 augustus 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 16 mei 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] bezwaren tegen de feitenvaststelling door de rechtbank en één grief aangevoerd en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het eindvonnis van 16 mei 2007 en de tussenvonnissen van 30 augustus 2006 en 19 juli 2006 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, zal bepalen dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 mei 2007 en daartegen twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van 16 mei 2007 partieel zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [appellant] zal veroordelen om binnen veertien dagen na het arrest aan hem te voldoen een bedrag van € 45.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het overlijden van [dochter geïntimeerde] tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [appellant] zal veroordelen in de door [geïntimeerde] gemaakte buitengerechtelijke kosten groot € 14.809,30, inclusief de kosten van beslaglegging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de kosten zijn gemaakt tot aan de dag der algehele voldoening, en voor het overige, eventueel onder verbetering van gronden, het vonnis van 16 mei 2007 zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep inclusief de kosten van rechtsbijstand.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] verweer gevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet ontvankelijk zal verklaren dan wel de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van (het hof leest:) het incidenteel hoger beroep.

2.5 Ter zitting van 8 april 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door zijn advocaat en [geïntimeerde] door mr. L.H. Poortman-de Boer, advocaat te Groningen. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

De producties 1 tot en met 4 bij de pleitnotitie van mr. Teekens waren niet voorafgaand aan de zitting aan [geïntimeerde] en het hof gezonden. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen door [appellant] van de producties 1 en 3, maar dit bezwaar nadien ingetrokken. Het hof heeft [appellant] toestemming verleend tot het in het geding brengen van de producties 1 en 3.

Namens [geïntimeerde] is ter zitting bezwaar gemaakt tegen het door [appellant] in het geding brengen van de producties 2 (een bladzijde uit een proces-verbaal van politie) en 4 (twee bladzijden uit wettelijke aantekeningen), die eveneens aan de pleitnotitie van mr. Teekens waren gehecht. Mr. Poortman-de Boer heeft verklaard dat zij die producties niet binnen de gestelde termijn vóór de zitting heeft ontvangen, deze kennelijk onderdeel zijn van andere stukken en het niet doenlijk is er bij pleidooi op te reageren.

Mr. Teekens heeft niet toegelicht waarom hij de producties 2 en 4 niet uiterlijk drie dagen voor de zitting aan het hof en de wederpartij kon doen toekomen. Hij heeft gesteld dat [appellant] met de producties 2 en 4 zijn standpunt wenst te onderbouwen dat [geïntimeerde] geen goede relatie met zijn dochter had.

Het hof heeft geconstateerd dat de producties 2 en 4 niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Het zijn weliswaar relatief korte stukken, maar zij maken onmiskenbaar deel uit van andere stukken die niet in het geding zijn. De wederpartij kan zich reeds daarom, ook niet door een korte schorsing tijdens het pleidooi, deugdelijk voorbereiden op een reactie op deze stukken. Omdat het hof zijn oordeel niet mag baseren op stukken waarover [geïntimeerde] zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten (artikel 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)), heeft het hof [appellant] niet toegestaan de producties 2 en 4 in het geding te brengen. Het hof heeft de producties 2 en 4 ter zitting aan mr. Teekens teruggegeven. Deze maken geen deel (meer) uit van de pleitnotities van mr. Teekens.

2.6. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 29 maart 2006 onder 2.1 tot en met 2.8 feiten vastgesteld. [appellant] maakt bezwaar tegen de vaststelling in dat vonnis onder 2.4 dat [geïntimeerde] een goede band had met zijn dochter. Op dit bezwaar zal het hof hierna onder 4.19 en 4.20 ingaan. Aangezien tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten overigens geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die overige feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

In het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] heeft op 22 juni 2003 zijn echtgenote [dochter geïntimeerde] om het leven gebracht. Zij was toen 27 jaar. [appellant] is bij onherroepelijk vonnis van 2 juli 2004 van de rechtbank Arnhem wegens het plegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en terbeschikkingstelling. Blijkens dit vonnis heeft [appellant] [dochter geïntimeerde] eerst versuft met ether en haar vervolgens met meer dan tachtig messteken om het leven gebracht.

[dochter geïntimeerde] was het enige kind van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] vordert in deze procedure schadevergoeding uit onrechtmatige daad, bestaande uit vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 45.000,- en buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 14.809,30. Ook vordert hij wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.

De rechtbank heeft wegens immateriële schade een bedrag van € 12.000,- toegewezen en wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 904,-, met rente en proceskosten.

In het principaal hoger beroep bestrijdt [appellant] dat [geïntimeerde] aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade. In het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen.

4.2 Grief I van [appellant] in het principaal hoger beroep en grief 2 van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep leggen het geschil over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoeding van immateriële schade in volle omvang voor aan het hof en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.

Zoals hierna onder 4.22 tot en met 4.25 wordt overwogen, slaagt grief 2 in het incidenteel hoger beroep. Met het oog op de devolutieve werking van het hoger beroep bespreekt het hof daarom hierna tegelijk de verweren van [appellant] tegen de toewijsbaarheid van het gevorderde smartengeld die niet door het principaal hoger beroep worden bestreken, maar waarmee hij de vordering tot vergoeding van smartengeld in eerste aanleg heeft bestreden.

4.3 Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde] immateriële schade lijdt die op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking komt.

4.4 [geïntimeerde] legt aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade het volgende ten grondslag. [appellant] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde], doordat [appellant] [geïntimeerde]s dochter [dochter geïntimeerde] heeft vermoord, [geïntimeerde] enkele dagen na de moord het lichaam van [dochter geïntimeerde] heeft gezien en hij toen rechtstreeks is geconfronteerd met de gruwelijke gevolgen ervan, onder andere doordat de verminkingen als gevolg van de messteken duidelijk zichtbaar waren. Ook heeft [geïntimeerde] kort na de moord van omwonenden en de politie vernomen wat zich heeft afgespeeld in het huis van zijn dochter. Verder heeft hij kennisgenomen van het proces-verbaal van de politie, waarin gruwelijke foto’s van het verminkte lichaam van [dochter geïntimeerde] zijn afgebeeld. De confrontaties met de ernstige gevolgen van de moord hebben hem zodanig hevig geschokt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen, waarvoor hij een medische behandeling ondergaat.

4.5 Met betrekking tot de stelling van [geïntimeerde] dat hij het lichaam van [dochter geïntimeerde] enkele dagen na de moord heeft gezien, overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft in het vonnis van 29 maart 2006 onder 2.6 overwogen dat [geïntimeerde], om afscheid van [dochter geïntimeerde] te nemen, haar lichaam twee of drie dagen na haar dood heeft gezien, nadat het was vrijgegeven door het Nederlands Forensisch Instituut (waarmee bedoeld zal zijn: door de officier van justitie). [appellant] heeft bij memorie van grieven (p. 3 midden en p. 5 bovenaan) betwist dat [geïntimeerde] het lichaam van [dochter geïntimeerde] enkele dagen na de moord heeft gezien. Bij pleidooi heeft hij doen opmerken: ‘[geïntimeerde] is telefonisch van de tragische gebeurtenis op de hoogte gebracht en enige dagen later heeft hij het al verzorgde lichaam van zijn dochter aanschouwd’ (pleitnotities mr. Teekens p. 3, 3e alinea). Uit een en ander samen leidt het hof af dat [appellant] niet langer betwist dat [geïntimeerde], zoals hij stelt, twee of drie dagen na de moord het lichaam van [dochter geïntimeerde] heeft gezien, met het doel afscheid van haar te nemen, althans dat [appellant] een eventueel tegen genoemde rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 29 maart 2006 gerichte grief onvoldoende kenbaar voor het hof en de wederpartij heeft toegelicht en die eventuele grief daarom geen verdere bespreking behoeft. Vaststaat dan ook dat [geïntimeerde] het lichaam van [dochter geïntimeerde] twee of drie dagen na de moord heeft gezien, met het doel afscheid van haar te nemen.

4.6 [appellant] bestrijdt dat hij jegens [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Hij stelt daartoe onder meer dat hij met zijn daad niet het oogmerk heeft gehad om [geïntimeerde] te treffen. Aangezien [geïntimeerde] dit niet aan zijn vordering ten grondslag legt, behoeft deze kwestie geen verdere bespreking.

4.7 [appellant] stelt verder dat [geïntimeerde] niet behoort tot de kring van degenen die overeenkomstig artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW recht hebben op vergoeding van zogenoemde shockschade (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240, Kindertaxi). Hij bestrijdt, zoals vermeld onder 3, dat de band tussen [geïntimeerde] en zijn dochter goed was. Hij betoogt daarnaast dat [geïntimeerde] niet rechtstreeks is geconfronteerd met het incident op 22 juni 2003, noch met de verwondingen van het slachtoffer. Hij meent dat [geïntimeerde] eerst de volgende dag, door een briefje op de deurmat van zijn woning, vernam dat zijn dochter was overleden. [appellant] voert tot slot aan dat [geïntimeerde] eerst maanden na het incident kennis heeft genomen van het proces-verbaal van de politie met daarin foto’s van het lichaam van zijn dochter en dat dit niet als een directe en rechtstreekse confrontatie is aan te merken.

4.8 Gezien het onherroepelijke strafvonnis en het bepaalde in artikel 161 Rv staat vast dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [dochter geïntimeerde]. [appellant] heeft dus een (veiligheids)norm overtreden die strekt ter bescherming van haar leven. Met deze daad heeft [appellant] ook jegens haar vader, [geïntimeerde], onrechtmatig gehandeld, indien bij [geïntimeerde] door waarneming van de daad of door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Bij de beoordeling van een en ander is mede van belang of [geïntimeerde] tot [dochter geïntimeerde] in een nauwe affectieve relatie stond. Het hof ontleent deze criteria aan het hiervoor reeds genoemde Kindertaxi-arrest (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

4.9 [appellant] ontkent dat [geïntimeerde] rechtstreeks met de daad is geconfronteerd. Aangezien [geïntimeerde] dat niet aan zijn vordering ten grondslag legt, gaat het hof hierop niet verder in.

4.10 Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat in dit geval geen sprake is van directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad. Geen bespreking behoeft of juist is, zoals [geïntimeerde] meent, dat ‘directe confrontatie’ niet op een tijdsbestek slaat, maar wil zeggen dat de confrontatie direct moet zijn, dat wil zeggen tussen [geïntimeerde] en de gevolgen van de daad (memorie van antwoord [geïntimeerde], p. 11 bovenaan). Ook indien onder ‘directe confrontatie met de ernstige gevolgen’ moet worden verstaan een confrontatie direct volgend op de moord, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in dit geval direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan en bij hem daardoor een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Daartoe is het volgende redengevend.

4.11 Zoals hiervoor is vermeld onder 4.5, staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] het lichaam van zijn dochter [dochter geïntimeerde] twee of drie dagen na de moord heeft gezien, met het doel afscheid van haar te nemen. Uit de stellingen van partijen over en weer is af te leiden dat de moord op zondag 22 juni 2003 is gepleegd in het woonhuis van [appellant] en [dochter geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] daarvan op maandag 23 juni 2003 op de hoogte is geraakt, op een moment dat het lichaam van [dochter geïntimeerde] reeds door politie en justitie in beslag was genomen ten behoeve van het opsporingsonderzoek. De eerste mogelijkheid voor [geïntimeerde] om het lichaam van [dochter geïntimeerde] te zien, was de kennelijk in het kader van het opsporingsonderzoek verrichte identificatie, die heeft plaatsgevonden op dinsdag 24 juni 2003. Blijkens proces-verbaal van de politie heeft [geïntimeerde] ervan afgezien [dochter geïntimeerde] te identificeren en is de identificatie verricht door de voormalige voogd en oom van [dochter geïntimeerde], de heer [oom van de v[de oom van de vrouw] (memorie van grieven [appellant], productie 3). [de oom van de vrouw] heeft in een schriftelijke verklaring laten weten dat hij het begrijpelijk vindt dat [geïntimeerde] niet bij de identificatie wilde zijn, maar dat [geïntimeerde] het lichaam van [dochter geïntimeerde] nog wel heeft gezien, samen met hem en zijn vrouw (memorie van antwoord [geïntimeerde], productie 9).

4.12 Het hof vindt het begrijpelijk dat [geïntimeerde] de voor hem als vader ongetwijfeld zeer belastende identificatie uit de weg is gegaan. Dat [geïntimeerde] niet op het vroegst mogelijke moment met de gevolgen van de moord is geconfronteerd, brengt op zichzelf dan ook niet mee dat van directe confrontatie met die gevolgen geen sprake meer zou kunnen zijn. Het hof laat dan nog buiten beschouwing of [geïntimeerde] door confrontatie met de gevolgen van de moord bij gelegenheid van een identificatie zo mogelijk niet nog heviger geschokt zou zijn geweest.

4.13 Uit de door [appellant] in zoverre onweersproken stellingen van [geïntimeerde] begrijpt het hof dat [geïntimeerde] afscheid van [dochter geïntimeerde] heeft genomen in een uitvaartcentrum, nadat haar lichaam was verzorgd en opgebaard. Nu tussen partijen vaststaat dat dit twee of drie dagen na de daad is geschied, moet dit zijn gebeurd kort na de identificatie en het vrijgeven van het lichaam van [dochter geïntimeerde] door de officier van justitie. Daarmee heeft [geïntimeerde] zo direct na de daad als onder de omstandigheden reëel en mogelijk was, het lichaam van [dochter geïntimeerde] gezien.

4.14 Uit de foto’s bij het proces-verbaal (conclusie van repliek, productie 3) blijkt onder andere dat de keel van [dochter geïntimeerde] zo gruwelijk was doorgesneden, dat niet goed denkbaar is hoe [geïntimeerde] afscheid had kunnen nemen van zijn dochter zonder deze ernstige gevolgen van [appellant]’s daad te zien, ook nadat haar lichaam was verzorgd en opgebaard. Het hof acht daarom aannemelijk dat (een deel van) de verminkingen als gevolg van de messteken voor [geïntimeerde], ook nadat het lichaam was verzorgd, duidelijk zichtbaar waren en verwerpt het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] niet rechtstreeks is geconfronteerd met de verwondingen van [dochter geïntimeerde]. Er is dus sprake geweest van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad.

4.15 Gezien het voorgaande is zonder betekenis of [geïntimeerde], zoals namens [appellant] bij pleidooi naar voren is gebracht (pleitnotities mr Teekens p. 3 bovenaan), bij het verzorgen en opbaren van het lichaam van [dochter geïntimeerde] actief betrokken is geweest. Ook behoeft geen bespreking meer of, zoals [geïntimeerde] stelt, de confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval mede was gelegen in hetgeen hij kort na de moord van politie en omwonenden heeft vernomen. Verder heeft [appellant] geen belang meer bij bespreking van het geschilpunt of de kennisneming door [geïntimeerde] van de foto’s bij het proces-verbaal van de politie (conclusie van repliek, productie 3) is aan te merken als een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad.

4.16 [appellant] stelt ten aanzien van die kennisneming nog dat [geïntimeerde] deze zelf heeft gewild en niemand hem heeft verplicht van het politiedossier kennis te nemen (memorie van grieven p. 5, 5e alinea). Voor het geval hij, in samenhang met zijn stelling dat [geïntimeerde] door het zien van het lichaam van [dochter geïntimeerde] twee of drie dagen na de daad niet direct is geconfronteerd met de gevolgen van de daad (o.a. conclusie van antwoord onder A, 5 en 6), ook wil betogen dat [geïntimeerde], door twee of drie dagen na [appellant]’s daad afscheid van [dochter geïntimeerde] te willen nemen, de ernstige schok (mede) zelf heeft veroorzaakt, wordt hij daarin niet gevolgd. Dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen afscheid te willen nemen van zijn dochter, is begrijpelijk en wenst het hof hem zeker niet tegen te werpen. Dat hij zich bij die keuze geen voorstelling heeft gemaakt of kunnen maken van de gruwelijkheden die hij zou zien, is evenzeer begrijpelijk. Hierbij is niet doorslaggevend dat er twee of drie dagen zijn verstreken voordat hij het lichaam van [dochter geïntimeerde] zag. Evenmin is van betekenis wat hem in die dagen over de toedracht van de moord is verteld. Ook met voldoende tijd en wetenschap, kon van [geïntimeerde] menselijkerwijs niet worden verwacht dat hij zich kon voorstellen dat hij de gruwelijkheden zou aanschouwen die hij heeft moeten aanschouwen. Dat hij zich aldus heeft laten leiden door de behoefte om afscheid te willen nemen van zijn enig kind, en niet door de vraag of dat schadelijk voor hemzelf zou zijn, is in dit geval rechtens dan ook niet relevant voor het antwoord op de vraag of zijn immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

4.17 [appellant] lijkt niet langer te bestrijden dat, zoals [geïntimeerde] stelt, de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van zijn daad bij [geïntimeerde] een ernstige schok te weeg heeft gebracht, aangezien hij bij pleidooi heeft doen opmerken: ‘Natuurlijk heeft de heer [geïntimeerde] na verloop van enige dagen zijn dochter gezien en natuurlijk is dat op zich een schokkende gebeurtenis.’ Voor zover hij deze stelling van [geïntimeerde] echter nog wel beoogt te bestrijden met de stelling dat geen sprake is geweest van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad, heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat bij hem door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad, toen hij twee of drie dagen na de daad afscheid van [dochter geïntimeerde] nam, een hevige emotionele schok teweeg is gebracht. In een door [appellant] op zichzelf niet bestreden bericht van GGZ Zuidwest Drenthe van 17 september 2003 (onderdeel van productie 7 bij inleidende dagvaarding) is vermeld, voor zover hier van belang:

‘Op 1 juli 2003 werd dhr. [geïntimeerde] bij onze instelling aangemeld.

Reden van aanmelding: crisissituatie na crematie dochter (enig kind), nadat zij een week eerder was vermoord door waarschijnlijk de echtgenoot.

Diagnose:

Een 64-jarige man met kenmerken van een Post Traumatisch Stresssyndroom, geluxeerd door de moord op zijn dochter. (...) Cliënt is nu zonder familie en is ernstig uit het evenwicht geraakt.’

De vermelding dat er sprake was van een crisissituatie, is een aanwijzing dat [geïntimeerde] tussen 22 juni 2003 en 1 juli 2003 een hevige emotionele schok heeft doorgemaakt. Het deskundigenbericht, dat in opdracht van de rechtbank is uitgebracht door B.T. Takkenkamp, psychiater, houdt voor zover hier van belang in:

‘Forensisch psychiatrische beschouwing

Bij betrokkene is sprake van een zeer ernstige posttraumatische stressstoornis als gevolg van de moord op zijn dochter. (...)

Betrokkene is volledig kapot en ontregeld door de dood van zijn dochter enige jaren geleden. (...)

In het leven van dhr. [geïntimeerde] is er meerdere malen sprake geweest van de dood van een vrouw met wie hij samen was. Allereerst de dood van zijn eerste vrouw, met wie hij een redelijk gelukkig huwelijk had. Daar is hij, naar eigen zeggen, ongeveer een jaar van van slag geweest, maar de ernst staat niet in verhouding tot zoals het nu is. Hij kwam hier ook weer bovenop. Daarna volgde de dood van zijn tweede vrouw, waarbij de klap minder lijkt en hij minder ernstig van slag was. De band met zijn dochter nam hierdoor sterk toe en de schok van haar gewelddadige dood was allesoverheersend.

Je zou misschien kunnen zeggen dat de dood van zijn eerste en twee vrouw hem mogelijk kwetsbaarder hebben gemaakt voor de dood van zijn dochter en de daarbij optredende massale symptomen van een posttraumatische stressstoornis.

Het probleem is dat het moeilijk uit elkaar te halen is in welke mate de schok van de gewelddadige dood van zijn dochter deze stoornis veroorzaakt en in welke mate andere zaken, zoals de dood van zijn beide vrouwen, mede onderliggend zijn.

Psychiatrisch gezien is betrokkene één persoon met een voorgeschiedenis waarbij alle zaken met elkaar verband houden en niet los van elkaar kunnen staan. Wel is duidelijk dat de moord op [dochter geïntimeerde] voor hem de alles overheersende schok was. Ik heb met hem geprobeerd dit te kwantificeren, hoewel het toch een beetje appels en peren optellen is. In zijn idee was het misschien hooguit 10% de dood van zijn eerste en tweede vrouw en voor 90% de gewelddadige dood van [dochter geïntimeerde]. Ook als zijn beide echtgenotes niet waren overleden, lijkt het mij waarschijnlijk dat betrokkene ook een posttraumatische stressstoornis zou hebben gekregen.

Verder heb ik, hoewel uiteraard erg arbitrair, geprobeerd uit elkaar te halen in welke mate de schok van het horen van de dood van zijn dochter en het zien van zijn dode dochter zich tot elkaar verhouden. (...)

Uiteindelijk vond betrokkene dat als je een verhouding aan zou moeten geven, 20% het horen was en 80% het zien. Bij het horen kon betrokkene nog ontkennen, iets wat wel gebruikelijk is. Bij het zien was er sprake van een onweerlegbare confrontatie. Hij was met name ook geschokt dat al haar bloed uit haar lichaam weg was en ze er uit zag als een oud vrouwtje waarbij de keel was doorgesneden en die andere verwondingen had. Deze beelden hebben zich in de afgelopen jaren bij voortduring aan hem opgedrongen, soms in vervormde toestand, en mede allerlei, in de anamnese genoemde symptomen veroorzaakt.

(...)

Conclusie

Man met een ernstige posttraumatische stressstoornis als gevolg van de confrontatie met zijn vermoorde dochter. (...)

(...)

7. (...) Als psychiater is het voor mij volstrekt evident dat er bij betrokkene sprake is van een zeer ernstige posttraumatische stressstoornis welke in zeer grote mate veroorzaakt is door de confrontatie met de gewelddadige dood van zijn dochter. In diagnostisch opzicht is dit volkomen duidelijk.’

Met het aangehaalde bericht van GGZ Zuidwest Drenthe in combinatie met dit deskundigenbericht staat naar het oordeel van het hof vast dat de hevige emotionele schok bij [geïntimeerde] teweeg is gebracht doordat hij het lichaam van [dochter geïntimeerde] twee of drie dagen na de moord heeft gezien in het uitvaartcentrum teneinde afscheid van haar te nemen en daarbij werd geconfronteerd met ernstige gevolgen van de daad van [appellant].

4.18 Bij memorie van grieven is [appellant] niet specifiek opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank, gebaseerd op voornoemd deskundigenbericht, dat uit de hevige schok voor [geïntimeerde] geestelijk letsel is voortgevloeid (vonnis van 16 mei 2007, r.o. 2.5), hetgeen [appellant] had betwist voordat het deskundigenbericht werd uitgebracht. Namens [appellant] is bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde] al voor de moord onder behandeling was van een psychiater. [geïntimeerde] heeft dit vervolgens ontkend. Deze enkele, eerst bij pleidooi aangevoerde stelling van [appellant] is te weinig gespecificeerd om te kunnen dienen als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de hiervoor weergegeven opinie van de deskundige dat [geïntimeerde] als gevolg van de confrontatie met de gewelddadige dood van zijn dochter aan een ernstige posttraumatische stress-stoornis lijdt. Het hof acht dan ook aannemelijk dat [geïntimeerde] als gevolg van de confrontatie aan een ernstige posttraumatische stress-stoornis lijdt. Dit is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Aldus is aannemelijk dat [geïntimeerde] door de hevige schok geestelijk letsel heeft opgelopen, dat een aantasting is van zijn persoon in de zin van het bepaalde in artikel 6:106, lid 1, aanhef en onder b BW.

4.19 Om te beoordelen of [appellant] door het plegen van de moord op [dochter geïntimeerde] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, is tot slot mede van belang of [geïntimeerde] tot [dochter geïntimeerde] in een nauwe affectieve relatie stond. [appellant] heeft niet bestreden dat [geïntimeerde] in het verleden twee maal weduwnaar is geworden en [dochter geïntimeerde] zijn enig kind was. Ook is niet in geschil dat [dochter geïntimeerde], in ieder geval totdat zij kort voor haar dood aan [appellant] liet weten te willen scheiden, samen met [appellant] in de echtelijke woning woonde. Verder heeft [appellant] niet weersproken dat [geïntimeerde] in de weekends veelvuldig in die echtelijke woning van [dochter geïntimeerde] en [appellant] verkeerde, daar een eigen slaapkamer had en allerlei werkzaamheden in en om het huis voor hen verrichtte. Met een en ander in onderling verband bezien is naar het oordeel van het hof in het kader van de hiervoor onder 4.8 vermelde maatstaf boven redelijke twijfel verheven dat [geïntimeerde] ten tijde van de moord in een nauwe affectieve relatie tot [dochter geïntimeerde] stond.

4.20 Anders dan [appellant] betoogt (pleitnotitie p. 3) doet daaraan niet af dat [dochter geïntimeerde] volwassen was en [geïntimeerde] en zij niet (volledig) in gezinsverband woonden. Tot een ander oordeel leidt ook niet, indien juist, dat [dochter geïntimeerde] zich, zoals [appellant] stelt mede op basis van onderdelen van verklaringen van personen die kennelijk zijn gehoord in het kader van het opsporingsonderzoek naar de moord (memorie van grieven, p. 2), wel eens negatief uitliet over haar vader, of dat [geïntimeerde] wel eens te veel alcohol nuttigde of zich wel eens negatief uitliet over zijn dochter. Evenmin is voldoende voor een ander oordeel dat [dochter geïntimeerde]’s oom jaren geleden na het overlijden van haar moeder tot voogd is benoemd. Ook doet niet terzake of dat verband hield met haar toenmalige relatie met haar vader. Een en ander acht het hof in het kader van de onder 4.8 vermelde maatstaf minder zwaarwegend dan de onder 4.19 genoemde omstandigheden.

4.21 De conclusie is dat [appellant] met de moord op [dochter geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] en dat [appellant] de immateriële schade van [geïntimeerde] op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW dient te vergoeden. De grief van [appellant] in het principaal hoger beroep faalt.

4.22 Met grief 2 in het incidenteel hoger beroep wenst [geïntimeerde] toewijzing van de gevorderde vergoeding wegens immateriële schade van € 45.000,-. Hij voert ter onderbouwing van dit bedrag aan dat sprake is van een groot en onherstelbaar leed door het verlies van [dochter geïntimeerde], zijn enig kind, met wie hij een zeer nauwe band had, met name sinds het overlijden van zijn tweede vrouw. Sinds de moord op [dochter geïntimeerde] heeft hij een ernstige psychische stoornis. Herstel lijkt niet mogelijk. De rest van zijn leven zal een lijdensweg zijn, aldus [geïntimeerde].

4.23 Bij de begroting van het smartengeld naar billijkheid houdt het hof rekening met alle omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [appellant] te maken verwijt en de aard, ernst en duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde van [geïntimeerde] zoals die blijken uit de aard en ernst van het geconstateerde geestelijk letsel. De toekenning van een bedrag wegens immateriële schade kan het gemis van [dochter geïntimeerde] voor [geïntimeerde] niet compenseren, noch hem genezing brengen van het geestelijk letsel dat hij heeft opgelopen. Toekenning van smartengeld onderstreept wel dat zijn letsel erkenning verdient. Inherent aan elk bedrag is echter dat de mate waarin die erkenning wordt ervaren, per persoon kan verschillen. Daarom kan de subjectieve wens van [geïntimeerde] ten aanzien van de hoogte van het smartengeld niet beslissend zijn, maar gaat het er zoals gezegd om naar billijkheid een bedrag vast te stellen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en zo mogelijk met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen.

4.24 Wat het laatste betreft, biedt de rechtspraak nog zo weinig aanknopingspunten, dat het hof meer gewicht toekent aan de geobjectiveerde omstandigheden van dit geval dan aan de hoogte van de vergoeding die is toegekend in de zaak die heeft geleid tot het hiervoor reeds aangehaalde Kindertaxi-arrest, of in enkele andere zaken in lagere rechtspraak. Daarbij weegt mee dat voor de vergelijkbaarheid van gevallen niet volstaat dat het gevallen betreft waarin schade juridisch als ‘shockschade’ wordt aangeduid. Het gaat er ook om onder welke omstandigheden de benadeelde die schade lijdt. Die omstandigheden lopen in de gevallen die tot gepubliceerde rechtspraak hebben geleid tot op heden zeer uiteen, alleen al doordat de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de aansprakelijke persoon te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel uiteenlopen.

4.25 Het hof houdt rekening met de volgende omstandigheden. [geïntimeerde] is in zijn persoon aangetast doordat hij is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de moord die [appellant] op 22 juni 2003 op [dochter geïntimeerde] heeft gepleegd. [geïntimeerde] was toen 64 jaar en weduwnaar. Hij verloor zijn volwassen dochter en enig kind, met wie hij een nauwe affectieve relatie had. Aan [appellant] valt een ernstig verwijt te maken van de moord op [dochter geïntimeerde] en de gruwelijke wijze waarop hij die heeft gepleegd. [geïntimeerde] kon geen afscheid van [dochter geïntimeerde] nemen zonder te worden geconfronteerd met de gruwelijkheden die het gevolg waren van de onrechtmatige daad van [appellant]. [geïntimeerde] lijdt als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van de moord op zijn dochter [dochter geïntimeerde] aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, een ernstige posttraumatische stressstoornis. Deze stoornis is van grote invloed op zijn dagelijks leven, onder andere door slaapproblemen, akelige dromen, prikkelbaarheid en woede-uitbarstingen, illusies, flashbacks en verminderde belangstelling voor activiteiten. Hij heeft hiervoor langdurig behandeling ondergaan. De prognose is ongunstig. Alles afwegende begroot het hof het smartengeld op € 30.000,-. [geïntimeerde] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die op dit punt tot een ander oordeel kunnen leiden. Hij wordt daarom niet toegelaten tot bewijslevering. Aangezien de rechtbank een lager bedrag dan € 30.000,- heeft toegewezen, slaagt grief 2 in het incidenteel hoger beroep. De gevorderde wettelijke rente vanaf 22 juni 2003 tot aan de dag der voldoening is toewijsbaar over het bedrag van € 30.000,-.

4.26 Met grief 1 in het incidenteel hoger beroep keert [geïntimeerde] zich tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tegen de afwijzing van de beslagkosten.

4.27 Nu vaststaat dat [appellant] jegens [geïntimeerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, komen gevorderde kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW in beginsel als vermogenschade mede voor vergoeding in aanmerking.

4.28 [geïntimeerde] vordert € 14.809,30 en stelt dat de werkelijke gemaakte buitengerechtelijke kosten nog hoger zijn, namelijk € 15.114,42, bestaande uit een bedrag van € 9.254,86 wegens tot en met 4 juni 2004 in verband met de strafzitting van 18 juni 2004 gemaakte advocaatkosten en bedragen van € 2.748,90 en € 3.110,66 wegens na 4 juni 2004 gemaakte advocaatkosten ter verkrijging van schadevergoeding langs civielrechtelijke weg.

4.29 De rechtbank heeft geoordeeld (vonnis van 16 mei 2007, r.o. 2.9) dat de kosten die [geïntimeerde] vordert, zien op de strafzaak en de onderhavige zaak en dat voldoende vast staat dat zij samenhangen met de aanspraak van [geïntimeerde] op shockschade. De rechtbank heeft de vordering vervolgens getoetst aan de overige voorwaarden van artikel 6:96 BW. Zij heeft wegens buitengerechtelijke kosten voorafgaand aan de voeging in de strafzaak twee punten van het toepasselijke liquidatietarief tot een bedrag van € 904,- toegewezen. Zowel de kosten van de voeging in de strafzaak als de kosten gemaakt voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft de rechtbank aangemerkt als kosten ter instructie van de zaak en niet toewijsbaar geacht, die van de voeging in de strafzaak bovendien op de grond dat de strafrechter die kosten had dienen te begroten en dat er daarom op dat punt geen taak voor de civiele rechter meer is weggelegd.

4.30 Grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt, voor zover die is gericht tegen de afwijzing van de kosten van de voeging in de strafzaak. Het feit dat de strafrechter in de voegingsprocedure over de proceskosten kon beslissen en dat niet heeft gedaan, brengt niet mee dat vergoeding van die proceskosten niet alsnog in de onderhavige procedure kan worden gevorderd. Nu de onderhavige vordering tot vergoeding van immateriële schade ook in de strafzaak is ingesteld en de strafrechter [geïntimeerde] niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vordering, is er ook in zoverre geen beletsel om de proceskosten van de voeging te betrekken in de proceskostenveroordeling in de onderhavige zaak.

Het hof begroot de kosten van de voeging op twee punten (één punt voor het opstellen van de vordering tot voeging, één punt voor het bijwonen van de zitting) van het in eerste aanleg toepasselijke liquidatietarief, in totaal € 1.158,-. De gevorderde rente over de toewijsbare kosten van de voeging is als onweersproken toewijsbaar vanaf 27 juni 2005. Daaraan staat niet in de weg dat deze kosten niet ten titel van buitengerechtelijke kosten worden toegewezen, maar met toepassing van artikel 25 Rv als proceskosten. [geïntimeerde] heeft immers ook wettelijke rente over dit gedeelte gevorderd.

4.31 [geïntimeerde] stelt dat de kosten voorafgaand aan de voeging en voorafgaand aan de onderhavige procedure zijn aan te merken als redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW), ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW) en ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW). [geïntimeerde] heeft de aard en inhoud van de werkzaamheden toegelicht en de gestelde kosten gespecificeerd. [appellant] meent dat de gevorderde kosten op geen enkele wijze zijn betrokken bij de onderhavige procedure. In verband met dit verweer heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg uiteengezet waarom de kosten volgens hem zijn gemaakt voorafgaand aan de voeging in de strafzaak en voorafgaand aan de onderhavige procedure. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van de door [geïntimeerde] gegeven uiteenzetting aannemelijk geacht dat de kostenvergoeding die [geïntimeerde] vordert, zien op de strafzaak en de onderhavige zaak en dat voldoende vast staat dat zij zijn gemaakt in samenhang met de aanspraak van [geïntimeerde] op shockschade, zoals weergegeven onder 4.29. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en de gronden ervan en maakt dit oordeel en die gronden tot de zijne. Daarmee staat vast dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, zijn gemaakt als gevolg van de onrechtmatige daad die [appellant] jegens [geïntimeerde] heeft gepleegd.

4.32 [appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde aard en inhoud van de werkzaamheden en de door [geïntimeerde] verstrekte specificaties verder niet gemotiveerd betwist. Het hof merkt de tot het gevorderde bedrag van € 9.254,86 wegens tot en met 4 juni 2004 voorafgaand aan de voeging in de strafzaak gemaakte advocaatkosten aan als in redelijkheid gemaakte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De kosten gemaakt na de strafzitting van 18 juni 2004 en vóór het opstellen en uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg ten behoeve van de onderhavige procedure merkt het hof eveneens aan als in redelijkheid gemaakte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Blijkens de overgelegde declaraties en urenverantwoordingen hebben de werkzaamheden bestaan uit overleg met cliënt, correspondentie, opbouwen dossier, bestudering jurispudentie en het doen van schikkingsvoorstellen. Uit overgelegde brieven van de advocaat van [geïntimeerde] is af te leiden dat [geïntimeerde] daadwerkelijk heeft getracht vergoeding van zijn immateriële schade te krijgen zonder een procedure te hoeven voeren. Onder deze omstandigheden zijn de buitengerechtelijke kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, zoals door [geïntimeerde] gespecificeerd, naar het oordeel van het hof niet alleen redelijk, maar ook in redelijkheid gemaakt. Uit productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg leidt het hof af dat het totaal van de toewijsbare kosten, met uitzondering van het opstellen van de dagvaarding in eerste aanleg ten behoeve van de onderhavige procedure, een bedrag van € 2.927,50 betreft, verkregen door optelling van de bedragen van genoemde productie 6, p. 3 vanaf 2 juli 2004 (€ 313,50), p. 5 (€ 594,-), p. 6 (€ 1.039,50) en p. 7 (€ 980,50).

In totaal zal wegens buitengerechtelijke kosten dus een bedrag van (€ 9.254,86 + € 2.927,50 =) € 12.182,36 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover vanaf 27 juli 2005 is toewijsbaar. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt ook voor zover betrekking hebbend op de – in deze grief besloten liggende – kosten van de strafzaak en op de buitengerechtelijke kosten voorafgaand aan de voeging en voorafgaand aan de onderhavige procedure. De vordering wegens buitengerechtelijke kosten zal voor het overige worden afgewezen. Ook hier geldt dat [geïntimeerde] op grond van zijn algemene bewijsaanbod niet wordt toegelaten tot bewijslevering, aangezien hij geen feiten heeft gesteld en te bewijzen aangeboden die op dit punt tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.33 Met grief 1 in het incidenteel hoger beroep keert [geïntimeerde] zich tot slot tegen de afwijzing van de gevorderde beslagkosten.

4.34 Ter betwisting van de verschuldigdheid van beslagkosten stelt [appellant] (memorie van antwoord incidenteel appel p. 2) dat de beslagkosten in andere procedures zijn gemaakt. Hij heeft zijn stelling niet toegelicht door bijvoorbeeld te vermelden in welke andere procedure(s) tegen [appellant] de beslagkosten dan zouden zijn gevorderd. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij vergoeding van de onderhavige beslagkosten in enige andere procedure tegen [appellant] heeft gevorderd. In de verzoekschriften tot beslaglegging van 17 juli 2003 en 27 januari 2006, waarop verlof is verleend, is vermeld dat de beslaglegging werd verzocht in verband met onder meer de onderhavige vordering tot vergoeding van immateriële schade. Gelet op een en ander wordt de stelling van [appellant] als onvoldoende toegelicht verworpen.

4.35 De gevorderde beslagkosten zijn gezien het voorgaande toewijsbaar indien de termijnen en formaliteiten voor beslaglegging in acht zijn genomen. Over dit laatste aspect overweegt het hof als volgt.

4.36 In het verlof op het verzoekschrift van 17 juli 2003 is bepaald dat de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld binnen een termijn van zes maanden na het beslag. De beslagen op dit verlof zijn gelegd op 22 juli 2003 (onder twee banken en op een registergoed) en 8 september 2003 (op een auto), terwijl de dagvaarding in eerste aanleg in de onderhavige zaak is uitgebracht op 27 juli 2005. Bij pleidooi is namens [geïntimeerde] betoogd dat als eis in de hoofdzaak de eis door middel van voeging in de strafzaak dient te worden aangemerkt.

4.37 Het hof is van oordeel dat de eis door middel van voeging in de strafzaak voor de toepassing van artikel 700 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel is aan te merken als eis in de hoofdzaak, omdat die eis mede strekte tot verkrijging van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade, ter verzekering waarvan het conservatoir beslag is gelegd. Het hof kan echter uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken, in het bijzonder uit het voegingsformulier (onderdeel van productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) niet afleiden op welke datum de eis door middel van voeging in de strafzaak is ingesteld. [geïntimeerde] zal bij akte, zo veel mogelijk onder overlegging van bewijsstukken, nader kunnen toelichten op welke datum de eis door middel van voeging in de strafzaak is ingesteld.

4.38 Tevens heeft [geïntimeerde] gelegenheid bij akte mee te delen of het stuk waarmee de eis in de hoofdzaak is ingesteld, binnen acht dagen na het instellen van de eis in de hoofdzaak aan [appellant] is betekend (artikel 721 Rv), en, zo ja, daarvan bewijs in het geding te brengen.

4.39 Verder ontbreken in de overgelegde beslagstukken het bewijs van de inschrijving van het beslag op de onroerende zaak in het kadaster alsmede stukken van het beslag ter uitvoering van het verlof van 27 januari 2006 tot het leggen van conservatoir beslag onder een notaris. Ook deze stukken kan [geïntimeerde] bij akte in het geding brengen.

4.40 [appellant] zal bij antwoordakte op de akte van [geïntimeerde] kunnen reageren.

4.41 Voor het overige zijn de termijnen en formaliteiten voor beslaglegging in acht genomen. De beslagkosten zijn geheel of ten dele toewijsbaar indien en voor zover het hof van oordeel is dat dit ook blijkens de door [geïntimeerde] nog te verstrekken inlichtingen het geval is.

4.42 Als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] te zijner tijd in de in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

4.43 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. Slotsom

5.1 De grief in het principaal hoger beroep faalt. Of grief 2 in het incidenteel hoger beroep slaagt voor zover gericht tegen de afwijzing van de beslagkosten, kan nog niet volledig worden beoordeeld. De grieven in het incidenteel hoger beroep slagen voor het overige, zodat het vonnis van 16 mei 2007 in zoverre moet worden vernietigd.

5.2 De vordering tot vergoeding van immateriële schade is toewijsbaar tot een bedrag van € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2003 tot aan de dag der voldoening. De vordering wegens buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar tot een bedrag van € 12.182,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2005 tot aan de dag der voldoening. Wegens proceskosten van de voeging in de strafzaak is een bedrag van € 1.158,- toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2005 tot aan de dag der voldoening.

Nu de vordering grotendeels voor toewijzing gereed ligt, zal het hof op de voorgaande punten een deelarrest wijzen.

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep en op het feit dat [geïntimeerde] in eerste aanleg uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gevorderd, zullen de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.3 [geïntimeerde] zal een akte kunnen nemen zoals omschreven in r.o. 4.37, 4.38 en 4.39, waarop [appellant] bij antwoordakte zal kunnen reageren.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2007 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2003 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 12.182,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2005 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2005 tot aan de dag der voldoening;

verklaart de drie betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de roldatum 23 juni 2009 voor de onder 4.37, 4.38 en 4.39 genoemde akte aan de zijde van [geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. de Groot, R.J.J. van Acht en C.J. Laurentius-Kooter, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2009.