Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI9970

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
24-00081-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte vrijgesproken van een gewapende overval.

Het hof is van oordeel dat de onduidelijkheid met betrekking tot de plaats van het aangetroffen spoor, in samenhang bezien met de onduidelijke manier waarop de match tussen het aangetroffen spoor en de duimafdruk van verdachte tot stand is gekomen, maakt dat de aangetroffen duimafdruk niet als wettig en overtuigend bewijs kan gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000081-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-607132-08

Arrest van 26 juni 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 december 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. P.A.TH. Lemmers, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Tevens heeft zij gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegde dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2007 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 434,60 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation [bedrijfsnaam] en/of [eigenaar bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader, toen aldaar, meermalen, in elk geval éénmaal,

- een pistool, in ieder geval een soortgelijk voorwerp, voor die [benadeelde 1] zichtbaar heeft vastgehouden en/of

- die [benadeelde 1] de volgende woorden heeft toegevoegd: "Geld moet ik hebben." en/of "La open." en/of "Meer geld.", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader een bivakmuts droegen;

en/of

hij op of omstreeks 10 januari 2007 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 434,60 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation [bedrijfsnaam] en/of [eigenaar bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welk bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader, toen aldaar, meermalen, in elk geval éénmaal,

- een pistool, in ieder geval een soortgelijk voorwerp, voor die [benadeelde 1] zichtbaar heeft vastgehouden en/of

- die [benadeelde 1] de volgende woorden heeft toegevoegd: "Geld moet ik hebben."en/of "La open." en/of "Meer geld.", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking, terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader een bivakmuts droegen.

Vrijspraak

Verdachte wordt verweten dat hij - kort gezegd - op 10 januari 2007 tezamen met een ander in [plaats] een tankstation heeft overvallen waarbij een hoeveelheid geld is buitgemaakt.

Na de overval wordt er op 10 januari 2007 technisch onderzoek verricht waarbij een vingerafdruk wordt aangetroffen die vermoedelijk afkomstig is van de dader. Uit het proces-verbaal van het technisch onderzoek blijkt niet duidelijk waar dit dactyloscopische spoor precies is aangetroffen. Ook het verhoor bij de rechter-commissaris van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] - de verbalisanten die betrokken waren bij het technisch onderzoek - heeft geen duidelijkheid opgeleverd ten aanzien van de exacte vindplaats van dit spoor. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat het spoor is aangetroffen op het bakje waarin het kleingeld zat. Deze vindplaats komt overeen met hetgeen aangeefster heeft verklaard. Zij heeft namelijk verklaard dat ze het bakje waarin het kleingeld zat uit de grote kassalade heeft gepakt, dit op de toonbank heeft gezet en dat verdachte met zijn blote hand geld uit dit bakje heeft weggenomen.

Verbalisant [verbalisant 2], de verbalisant die het dactyloscopisch onderzoek heeft verricht, verklaart echter dat het spoor is aangetroffen achter de compartimenten bestemd voor het papiergeld. Dit betekent dat volgens [verbalisant 2] het spoor is aangetroffen op de grote geldlade en dus niet op het bakje waarin het kleingeld zat. Dit is opvallend, omdat aangeefster niet alleen heeft verklaard dat ze enkel het bakje voor het muntgeld uit de grote kassalade heeft gepakt en op de toonbank heeft gezet, maar ze ook heeft verklaard dat verdachte niet met zijn hand bij de grote geldlade is geweest.

Uit het proces-verbaal, rapportage onderzoek technische recherche, d.d. 11 januari 2007, blijkt dat het aangetroffen spoor online, middels het Fit systeem, is verzonden voor vergelijking met het Havank-systeem naar de Dienst Nationale Recherche Informatie. Uit dit proces-verbaal blijkt tevens dat het resultaat, na het Havank-systeem vier keer te hebben doorzocht, negatief was.

Op 12 januari 2007 wordt het aangetroffen dactyloscopisch spoor tevens verzonden naar de Centrale Recherche Informatiedienst, afdeling Dactyloscopie te Zoetermeer.

Op 21 januari 2008 komt er bericht binnen van deze afdeling dat het dactyloscopische spoor middels extra nazoekingen in het geautomatiseerde systeem geïdentificeerd is op een afdruk van de linkerduim voorkomend op het vingerafdrukkenblad van verdachte.

Het hof kan uit het dossier niet afleiden waarom er, meer dan een jaar na het aantreffen van het dactyloscopisch spoor, opeens middels extra nazoekingen wel een match wordt gevonden in het geautomatiseerde systeem.

De onduidelijkheid met betrekking tot de plaats van het aangetroffen spoor, in samenhang bezien met de onduidelijke manier waarop de match tussen het aangetroffen spoor en de duimafdruk van verdachte tot stand is gekomen maakt naar het oordeel van het hof dat de aangetroffen duimafdruk niet als wettig en overtuigend bewijs kan gelden voor hetgeen verdachte is ten laste gelegd.

Nu het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd dat de vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. F. Vellinga-Schootstra, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Anjewierden en mr. Vellinga-Schootstra beiden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.