Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI9284

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
T2007/348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

INHOUDSINDICATIE Tbs 2007, 348

Voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

Het hof heeft bij tussenbeslissing, onder meer op grond van door externe onderzoekers van het NIFP uitgebrachte rapportage en de ter zitting gedane uitlatingen van de deskundige van de kliniek zelf, reeds overwogen dat het een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging overwoog. Op grond daarvan is de reclassering verzocht een maatregelrapport te doen uitbrengen, waarbij in het bijzonder aandacht diende te worden geschonken aan de mogelijkheid en/of wenselijkheid van behandeling van betrokkene vanuit een FPA. Door het besluit van het NIFP om (in weerwil van de adviezen van haar eigen externe deskundigen) geen indicatiebesluit af te geven voor plaatsing van betrokkene in FPA Heiloo, is het hof de mogelijkheid betrokkene in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te (doen) behandelen in een FPA, welke mogelijkheid op grond van alle voorhanden zijnde informatie het meest optimaal werd geacht, ontnomen. Daarmee is de beslissingsruimte van het hof zeer beperkt.

Het hof is, ondanks het feit dat het realiseren van opname van betrokkene in een FPA niet mogelijk is gemaakt, van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is geïndiceerd. Gelet op het verloop van de procedure die tot een patstelling heeft geleid, de duur van de terbeschikkingstelling in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd en voorts gelet op het feit dat verdere vertraging in deze procedure beschadigend zou kunnen werken, is het hof van oordeel dat niet meer gewacht kan worden tot betrokkene een intakegesprek heeft gevoerd bij De Waag (waar hij ambulant behandeld kan worden) en de reclassering naar aanleiding daarvan een nieuw maatregelrapport heeft opgesteld. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen. Het hof beëindigt de dwangverpleging onder door het hof zelf te formuleren voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\348

Beslissing d.d. 22 juni 2009

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkingestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum,

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 30 oktober 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard en daar het tot een andere beslissing komt.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk negentien maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak ruim zeven maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak twee maal is aangehouden teneinde zich -conform het verzoek van de raadsman- te laten informeren omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van betrokkene in het maatschappelijk verkeer zou kunnen geschieden. Gelet op het bovenstaande oordeelt het hof dat in de voorliggende zaak de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Betrokkene is op 8 oktober 2001 door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met voorwaarden. In het kader van deze voorwaarden werd betrokkene in eerste instantie in FPA Heiloo behandeld. Daar bleek men echter niet in staat de problematiek van betrokkene adequaat aan te pakken. Vervolgens is betrokkene overgeplaatst naar Groot Batelaar. Omdat bleek dat ook Groot Batelaar niet in staat was betrokkene te behandelen, werd aan de reclassering gevraagd een andere behandelsetting voor betrokkene te zoeken. De reclassering bleek echter niet bij machte een andere kliniek te vinden die bereid was betrokkene op te nemen. Daarop is op 7 november 2002 de tbs met voorwaarden omgezet in tbs met dwangverpleging en is betrokkene in Veldzicht geplaatst.

Het hof gaat bij de beoordeling verder uit van de inhoud van de volgende rapportages, correspondentie en getuige-deskundigenverklaringen. Voor de duidelijkheid zullen kort de belangrijkste conclusies van de rapportages, de correspondentie en de getuige-deskundigenverklaringen hierna worden weergegeven:

- In het verlengingsadvies van Veldzicht van 20 augustus 2007 is beschreven dat bij betrokkene sprake is van een dysthyme stoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en antisociale trekken. Daarnaast is sprake van een forse verslavingsgeschiedenis. Het recidiverisico bij onmiddellijke terugkeer in de maatschappij wordt op korte termijn ingeschat als matig en op lange termijn als hoog. De kliniek adviseert de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen.

- De conclusies van de externe deskundigen psychiater Kleinsman en psycholoog Kristensen in hun rapportages van respectievelijk 25 augustus 2007 en 31 augustus 2007 zijn grotendeels gelijkluidend. Overwogen wordt dat de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene eerder wordt geacht in het cluster C (vermijdend, afhankelijk) dan in het cluster B (borderline, antisociaal) te passen. Hoewel betrokkene overwegend cluster C kenmerken heeft, kan volgens Kristensen toch ook gesproken worden van antisociale kenmerken. Naar mening van de deskundigen kan gesproken worden van een sociale fobie. Ondanks de wisselende stemmingen van betrokkene is er geen sprake van een bipolaire dan wel depressieve of dysthyme stoornis. Wel is duidelijk sprake van afhankelijkheid van cannabis. Het gebruik van de diverse stimulerende en hallucinogene middelen valt in de categorie ‘misbruik’ en is al jaren in remissie. Van alcoholafhankelijkheid kan niet worden gesproken, het misbruik hiervan is jarenlang in remissie.

Kleinsman relateert dat het gebruik van stimulerende drugs een belangrijke rol heeft gespeeld bij het delict. Aangezien betrokkene deze middelen al jaren niet meer heeft gebruikt, is daarmee het recidiverisico aanzienlijk verminderd. Kristensen overweegt dat het recidivegevaar zowel op korte als op langere termijn matig is. Beide deskundigen adviseren de tbs te verlengen met twee jaar, en overwegen daarbij dat het aangewezen is een aanvang te maken met de resocialisatie van betrokkene.

- Professor Bullens komt in zijn rapportage van 23 juni 2008 tot min of meer een gelijkluidende conclusie als de externe deskundigen omtrent de diagnose. Het recidiverisico acht Bullens laag tot matig. Bullens acht het niet wenselijk dat de tbs met dwangverpleging wordt verlengd. Hij acht het verantwoord om de oorspronkelijke tbs met voorwaarden te herstellen. Hierbij overweegt hij dat te denken valt aan behandeling van betrokkene door FPA Heiloo. Bullens is van mening dat een langer verblijf van betrokkene in de tbs-klinieken geen enkele meerwaarde zal hebben voor de ontwikkeling van betrokkene, noch voor de beoogde veiligheid van de samenleving. Te voorspellen valt dat de ontwikkeling van betrokkene bij ongewijzigde omstandigheden alleen maar verder zal stagneren.

- Als reactie op de rapportage van Bullens overweegt de kliniek in haar brief van 23 september 2008 dat zij in de afgelopen maanden en jaren geen gronden zien die de diagnoses ondersteunen voor een angstige, vermijdende, afhankelijke persoonlijkheidstoornis. Wel zien zij dat betrokkene aan het overgrote deel van de karakteristieken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis voldoet en dat hij daarnaast trekken vertoont van een emotionele instabiele persoonlijkheidsstoornis van het borderlinetype. Er werd en wordt een verband gezien tussen de persoonlijkheidsstoornis en het delict, zodat de kans op herhaling aanzienlijk wordt geacht. Het recidiverisico wordt voor zowel de korte als lange termijn matig tot groot beoordeeld als betrokkene terugvalt in alcohol- en druggebruik. Door de kliniek wordt opgemerkt dat wanneer besloten wordt de dwangverpleging te beëindigen, toezicht van de reclassering en een forensisch psychiatrische polikliniek mogelijk in staat is om recidives te voorkomen.

- Kleinsman geeft als reactie op de rapportage van Bullens in zijn brief van 28 september 2008 dat reeds is aangegeven dat met voortvarendheid dient te worden ingezet op resocialisatie. Dat hij en Kristensen toch verlenging van de tbs hebben geadviseerd houdt verband met het risico dat zij zien in een abrupte, niet goed voorbereide resocialisatie. Bij directe (voorwaardelijke) beëindiging van de dwangverpleging is naar grote waarschijnlijkheid niet direct een geschikte vervolgvoorziening beschikbaar. Dit betekent dat plotseling alle structuur zal wegvallen, wat het recidiverisico zal vergroten. In het tweede jaar zou voorwaardelijke beëindiging wel aan de orde moeten zijn.

- Ter terechtzitting van het hof van 6 oktober 2008 heeft getuige-deskundige Bakx, psychiater bij Veldzicht, verklaard dat hij zich kan vinden in een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Hij denkt dat een behandeling binnen een kliniek niet meer veel zal opleveren. Een poliklinische behandeling in combinatie met een streng toezicht door de reclassering zou meer opleveren.

- Op diezelfde zitting heeft getuige-deskundige Kristensen verklaard dat onvoldoende is aangetoond wat het verband is tussen softdruggebruik en het recidivegevaar. Bij een overgang naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging moet een stevig plan opgesteld worden in samenwerking met betrokkene en de kliniek. Zij pleit voor een geleidelijke overgang. Een plaatsing in FPA Heiloo lijkt Kristensen geen slecht idee. Zij verklaart zich bereid om samen met de reclassering na te denken over een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

- Getuige-deskundige Bullens heeft ter zitting van het hof van 6 oktober 2008 verklaard dat hij voorspelt dat betrokkene niet snel van de softdrugs afkomt, maar het verband tussen het indexdelict en het gebruik van softdrugs is naar zijn mening niet zo duidelijk. Bullens kan zich voorstellen dat betrokkene goed zou kunnen functioneren met een stevige begeleiding vanuit De Waag of vanuit FPA Heiloo, met hulp van de reclassering.

- In de brief van Veldzicht van 2 juni 2009 met aanvullende informatie omtrent het behandelverloop van betrokkene is overwogen dat betrokkene inmiddels is overgeplaatst naar [verblijfplaats], alwaar hij momenteel verblijft in afwachting van een overplaatsing naar een andere kliniek. Het besluit om betrokkene aan te melden voor overplaatsing is gegeven door de moeizaam verlopende behandeling, de weigering van betrokkene om samen te werken met de kliniek, de vele incidenten en regelovertredingen en het bestaand delictgevaar. Het delictgevaar wordt door Veldzicht als onverminderd groot geschat. Een beëindiging van de tbs of een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging wordt door hen als te risicovol gezien. Dit alles is door getuige-deskundige Deenen, behandelcoördinator bij Veldzicht, ter terechtzitting van het hof van 8 juni 2009 bevestigd.

- Uit het maatregelrapport van Brijder Verslavingszorg van 4 juni 2009 volgt dat het NIFP geen positief indicatiebesluit heeft gegeven voor behandeling van betrokkene bij FPA Heiloo. De weigering van het NIFP berust op een onvoldoende voorbereiding van c.q het onvoldoende voorbereid zijn op de deelname aan een resocialisatietraject. Op grond van het bovenstaande acht de reclassering de fasering van betrokkene naar resocialisatie onvoldoende, zodat niet kan worden gekomen tot concrete voorwaarden voor een verantwoord traject en negatief wordt geadviseerd wat betreft een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Dit alles is door getuige-deskundige Van Domburg, reclasseringswerker bij Brijder Verslavingszorg, ter zitting van het hof van 8 juni 2009 bevestigd.

- Getuige-deskundige Kristensen heeft ter zitting van het hof van 8 juni 2009 verklaard dat zij op dit moment de voorkeur geeft aan een gefaseerd resocialisatietraject boven een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Mocht het hof wel tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging komen dan is niet onmiddellijk sprake van delictgevaar. Een eventuele behandeling van betrokkene bij De Waag zou een positieve invloed hebben op het recidivegevaar.

Gelet op de inhoud van bovenstaande rapportages, correspondentie en getuige-deskundigenverklaringen staat naar het oordeel van het hof vast dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de tbs-maatregel wordt verlengd. Hoewel geen sprake is van volledige eenduidigheid omtrent de diagnose en het delictgevaar, staat voor het hof voldoende vast dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis (in welke vorm dan ook), en dat recidivegevaar nog in een zodanige mate aanwezig is dit verlenging van de tbs-maatregel vereist, nu geen van de voornoemde deskundigen heeft geconcludeerd tot beëindiging van de terbeschikkingstelling. Nu sinds de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 november 2007 reeds meer dan een jaar is verstreken, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met een termijn van twee jaren.

De kern van de onderhavige procedure betreft de vraag of de dwangverpleging voorwaardelijk dient te worden beëindigd. Het hof heeft bij tussenbeslissing van 20 oktober 2008 reeds overwogen dat het een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging overwoog, op grond waarvan de reclassering is verzocht, in samenwerking met drs Kristensen, een reclasseringsrapportage omtrent betrokkene te doen uitbrengen waarin met name zo concreet mogelijk de eventueel op te leggen voorwaarden worden genoemd en waarbij in het bijzonder aandacht diende te worden geschonken aan de mogelijkheid en/of wenselijkheid van behandeling van betrokkene vanuit een Forensisch Psychiatrische Afdeling.

Nu voor behandeling in een FPA in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging een indicatiebesluit van het NIFP noodzakelijk is en het NIFP

-ondanks de duidelijke tussenbeslissing van het hof en het feit dat eigen deskundigen van het NIFP zich na onderzoek konden vinden in opname van betrokkene in FPA Heiloo- geen positief indicatiebesluit heeft willen afgeven, is er sprake van een patstelling. Immers stelt de kliniek zich op het standpunt dat de behandelrelatie met betrokkene zodanig wordt ingeschat dat hij voor overplaatsing naar een andere kliniek is aangeboden. Geadviseerd wordt de maatregel met twee jaar te verlengen. Ondanks het feit dat de getuige-deskundige Bakx namens de kliniek ter terechtzitting van het hof van 6 oktober 2006 heeft verklaard zich te kunnen vinden in een voorwaardelijke beëindiging, welk standpunt mede heeft bijgedragen aan de inhoud van de tussenbeslissing van het hof van 20 oktober 2008, neemt de kliniek thans het standpunt in dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene als te risicovol moet worden gezien. Ook is de kliniek niet bereid toe te werken naar een plaatsing van betrokkene in een FPA.

Door het besluit van het NIFP om geen indicatiebesluit af te geven voor plaatsing van betrokkene in FPA Heiloo is de mogelijkheid betrokkene in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging te (doen) behandelen in een FPA, hetgeen ook door de NIFP-deskundigen Kristensen en Kleinsman en de reclassering op grond van alle voorhanden zijnde informatie de meest optimale mogelijkheid werd geacht, ontnomen. Daarmee is de beslissingsruimte van het hof zeer beperkt.

Het hof is, ondanks het feit dat het realiseren van opname van betrokkene in een FPA niet mogelijk is gemaakt van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is geïndiceerd. Dit oordeel baseert het hof met name op het feit dat, zoals uit het voorgaande is gebleken:

- Bullens in zijn rapportage van 23 juni 2008 heeft overwogen dat het niet wenselijk is dat de tbs met dwangverpleging wordt verlengd;

- door Veldzicht, als reactie op de rapportage van Bullens, is opgemerkt dat wanneer besloten wordt de dwangverpleging te beëindigen, toezicht van de reclassering en een forensisch psychiatrische polikliniek mogelijk in staat is om recidives te voorkomen;

- getuige-deskundige Bakx ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij zich kan vinden in een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, dat een behandeling binnen een kliniek niet meer veel zal opleveren en een poliklinische behandeling in combinatie met streng toezicht door de reclassering meer zou opleveren;

- Bullens ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat betrokkene goed zou kunnen functioneren met een stevige begeleiding vanuit De Waag, met hulp van de reclassering;

- extern deskundige Kristensen ten overstaan van het hof heeft verklaard dat, mocht het hof tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging komen, er niet onmiddellijk sprake is van delictgevaar en een eventuele behandeling van betrokkene bij De Waag een positieve invloed zou hebben op het recidivegevaar.

Gelet op het verloop van de procedure die tot een patstelling heeft geleid, de duur van de terbeschikkingstelling in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd en voorts gelet op het feit dat verdere vertraging in deze procedure beschadigend zou kunnen werken, is het hof van oordeel dat niet meer gewacht kan worden tot betrokkene een intakegesprek heeft gevoerd bij De Waag en de reclassering naar aanleiding daarvan een nieuw maatregelrapport heeft opgesteld. Het verzoek om aanhouding dient daarom te worden afgewezen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de dwangverpleging beëindigen onder na te melden voorwaarden.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 30 oktober 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Wijst af het verzoek om aanhouding.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Beëindigt de verpleging van overheidswege van de terbeschikkingstelling betreffende [terbeschikkinggestelde] en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

- Betrokkene zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten;

- Betrokkene stelt zich onder toezicht van Reclassering Nederland en zal zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling aan hem te geven;

- Betrokkene stelt zich gedurende de voorwaardelijke beëindiging onder (psychotherapeutische) behandeling van De Waag of een andere door de reclassering aangewezen instelling, zolang De Waag of deze andere instelling en de reclassering dit noodzakelijk achten;

- Betrokkene zal niet verhuizen en/of elders gaan wonen zonder overleg met en toestemming van de reclassering;

- Betrokkene verleent zijn medewerking aan urine- en drugscreenings (UDS).

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Bartelds en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en dr Raes en drs Vecht-van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van mr Ten Elshof als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2009.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.