Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI8700

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
TBS 2009\087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof begrijpt dat de rechtbank de terbeschikkingstelling van betrokkene met een termijn van één jaar heeft verlengd, niet met de verwachting dat de verdere behandeling van betrokkene niet meer dan één jaar in beslag zal nemen, maar om de kliniek aan te sporen voortvarend behandelstappen met betrekking tot betrokkene te ondernemen. Uit de advisering en hetgeen de getuige-deskundige ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat dit inmiddels door de kliniek ter hand is genomen. Het hof stelt vast dat het niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat dit wel het geval zou kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2009\087

Beslissing d.d. 16 juni 2009

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 december 2008, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken, hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard en daar het tot een andere beslissing komt.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep vijf maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

• Het verzoek tot aanhouding teneinde de (on)mogelijkheden voor een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene te onderzoeken wordt afgewezen, omdat het hof het hiervoor te vroeg vindt. Het hof vindt het niet aan de orde de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen, gelet op het feit dat betrokkene nog geen onbegeleid verlof praktiseert. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er inmiddels wel een aanvraag voor onbegeleid verlof bij het ministerie in Den Haag ter beoordeling ligt. Het thans door de kliniek ingezette traject met betrekking tot betrokkene dient te worden voortgezet.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies volgt dat bij betrokkene sprake is van antisociale persoonlijkheidstrekken, op basis van pedagogische en affectieve verwaarlozing. Vanuit klinisch oogpunt wordt het recidivegevaar als tamelijk hoog ingeschat, met de kanttekening dat daaromtrent op termijn een verbetering kan plaatsvinden. De klinische risicofactoren als een beperkt zelfinzicht, negatieve opvattingen, de spanningsbehoefte, de impulsiviteit van betrokkene en de geringe frustratietolerantie van betrokkene spelen -hoewel deze factoren enigszins verbeterd zijn- nog altijd een rol. Onverantwoordelijkheid (vanuit de persoonlijkheidsstoornis) wordt als de meest relevante belangrijkste risicofactor gezien.

• Het hof begrijpt dat de rechtbank de terbeschikkingstelling van betrokkene met een termijn van één jaar heeft verlengd, niet met de verwachting dat de verdere behandeling van betrokkene niet meer dan één jaar in beslag zal nemen, maar om de kliniek aan te sporen voortvarend behandelstappen met betrekking tot betrokkene te ondernemen. Uit de advisering en hetgeen de getuige-deskundige ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat dit inmiddels door de kliniek ter hand is genomen.

Het uitgangspunt van het hof is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Het hof stelt vast dat het niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat dit wel het geval zou kunnen zijn. Gelet op het thans nog aanwezige delictgevaar en het feit dat betrokkene nog geen onbegeleid verlof heeft, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar dient te worden verlengd.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 december 2008 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Lensing als voorzitter,

mrs Mintjes en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en dr Schudel en drs Poll als raden,

in tegenwoordigheid van Bakkenes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.