Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI5273

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
08-00155
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Heffing ter zake van registratie voertuig is niet strijdig met EG-recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/35.23 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00155

uitspraakdatum: 7 mei 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 21 februari 2008, nummer 07/1018, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Namens belanghebbende is voor het tijdvak april 2006 op aangifte € 26.930 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 23 januari 2007 het bezwaar afgewezen en geen teruggaaf van bpm verleend. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank).

1.3 De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 februari 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 9 april 2008.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren het beroepschrift en het verweerschrift, beide met de daarin genoemde bijlagen en het door de Rechtbank toegezonden dossier.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Belanghebbende heeft op 13 april 2006 van autobedrijf A te Z een Porsche Cayenne (hierna: de Auto) gekocht. Deze auto is op 14 april 2006 aan belanghebbende geleverd. Het kenteken is op 13 april 2006 op naam van belanghebbende gesteld. De bpm is namens belanghebbende op aangifte voldaan door de importeur.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of namens belanghebbende terecht een bedrag van € 26.930 bpm op aangifte is voldaan ter zake van de registratie van de Auto. Tussen partijen is niet in geschil dat de (wijze van) heffing in overeenstemming is met de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm).

In hoger beroep neemt belanghebbende achtereenvolgens de volgende standpunten in:

3.2.1 De heffing van bpm leidt tot belemmering van het vrije verkeer van goederen en diensten als bedoeld in de artikelen 14 en 49 van het EG-Verdrag;

3.2.2 De bpm is een verboden heffing van gelijke werking als bedoeld in de artikelen 23 en 25 van het EG-Verdrag;

3.2.3 De bpm is in strijd met het beginsel van de douane-unie als bedoeld in artikel 23 van het EG-Verdrag;

3.2.4 De bpm is een onevenredige heffing en daardoor in strijd met de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag, omdat geen rekening wordt gehouden met het gebruik van een auto buiten Nederland;

3.2.5 De verschuldigdheid van bpm is in strijd met artikel 90 van het EG-Verdrag;

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het bezwaar en teruggaaf van het bedrag van € 26.930.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1, van de Wet bpm wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat de belasting verschuldigd is ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

4.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bpm dient te worden aangemerkt als een registratiebelasting die geldt voor alle voertuigen die in Nederland worden geregistreerd, ongeacht de oorsprong van die voertuigen. Dit betekent, dat de bpm voor de toepassing van het EG-Verdrag als een binnenlandse belasting moet worden beschouwd en niet als een invoerrecht of een heffing van gelijke werking omdat deze niet uitsluitend verschuldigd is op grond van de invoer van een voertuig. Nu de bpm als een binnenlandse belasting moet worden aangemerkt, valt deze binnen de reikwijdte van artikel 90 van het EG-Verdrag (HvJ EG 2 april 1998, nr C 213/96, jurispr.1998, blz. I-1777).

4.3. Het Hof overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 23 augustus 1996, nr. 30 888, BNB 1996/403 en HR 13 september 2000, nr. 35 472, BNB 2000/348) redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet bpm niet in strijd is met artikel 90 EG-Verdrag. Hetzelfde geldt voor accessoires begrepen in de catalogusprijs als bedoeld in artikel 9, negende lid, van de Wet bpm.

4.4. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG de typering van de bpm als een binnenlandse belasting een typering als invoerrecht of een heffing van gelijke werking uitsluit, zodat er geen toetsing aan de artikelen 23 en 25 van het EG-Verdrag behoeft plaats te vinden. Het Hof sluit zich bij dit oordeel aan.

4.5. Het Hof volgt eveneens het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2000, nr. 35 057, BNB 2000/119, dat het ontbreken van een teruggaafregeling in de Wet bpm evenmin leidt tot strijd met artikel 90 EG-Verdrag. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest geoordeeld dat het ontbreken van een teruggaafregeling bij (weder)uitvoer in de Wet bpm er niet toe leidt dat Nederland een hogere binnenlandse belasting heft op producten van een andere lidstaat dan de belasting die op gelijksoortige nationale producten wordt geheven, dan wel dat door de heffing van bpm andere producten zijdelings worden beschermd. Evenmin, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, leidt het ontbreken van een teruggaafregeling er toe dat personenauto's die naar een andere lidstaat worden uitgevoerd, wegens die uitvoer zwaarder worden belast dan niet buiten Nederland gebrachte personenauto's.

4.6. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de belasting geheven op grond van de Wet bpm een onevenredige heffing is omdat geen rekening wordt gehouden met het gebruik van de auto buiten Nederland, volgt het Hof eveneens het oordeel van de rechtbank dat deze stelling geen doel treft. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007, nr. 39 530, BNB 2007/135, volgt immers dat belanghebbende met deze grief van de onjuiste gedachte uitgaat dat de bpm een belastingmaatregel is die beoogt het gebruik in Nederland te belasten naar de mate waarin dit gebruik plaatsvindt. Dit is echter niet het geval, aangezien de heffing van bpm geldt voor alle auto's die in Nederland worden geregistreerd en waarmee op enig tijdstip in Nederland gebruik van de weg wordt gemaakt en voor geen van zulke auto’s teruggaaf van bpm wordt verleend. De bpm, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, is een eenmalige belasting die geen verband houdt met de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto in Nederland.

4.7. Aan het onder 4.6. gegeven oordeel doet niet af dat in een situatie als bedoeld in artikel 1, derde of vijfde lid, van de Wet bpm, wel sprake kan zijn van strijd van de bpm met het (communautaire) evenredigheidsbeginsel, zoals in het arrest Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, waar belanghebbende zich op beroept. Nu er echter in onderhavige zaak sprake is van een heffing van bpm op de voet van artikel 1, tweede lid, Wet bpm, behoeft niet te worden getoetst of de hoogte van de belasting in evenredige verhouding staat tot de duur van het gebruik van de auto in Nederland. Belastingheffing volgt immers uit de registratie van de auto en niet uit het gebruik van de auto in Nederland.

4.8. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat belanghebbende bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in Duitsland nadeel ondervindt van de in Nederland geheven bpm, nu daardoor de kostprijs van zijn activiteiten hoger is dan die van in Duitsland gevestigde concurrenten met een in Duitsland geregistreerde auto. Belanghebbende heeft geen enkel gegeven aangedragen waaruit kan worden opgemaakt dan wel afgeleid dat het concurrentienadeel dat hij stelt zich ook daadwerkelijk voordoet of heeft voorgedaan zodat deze stelling van belanghebbende reeds daarom niet tot een ander oordeel kan leiden.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van belanghebbende dient te worden verworpen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. E. Polak, voorzitter, mr. J. Lamens en

mr. A.J. Kromhout, in aanwezigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 7 mei 2009 in het openbaar uitgesproken

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak getekend door mr. J. Lamens

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.