Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4875

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
24-002385-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot vrijheidsbenemende straffen ter zake van diefstal door middel van braak en rijden zonder rijbewijs. Gelet op de justitiële documentatie van de verdachte en een recente terugval in delictgedrag, is een andere strafmodaliteit niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-002385-07

parketnummer eerste aanleg: 07-602668-07

Arrest van 26 mei 2009 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 september 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van de verdachte, mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot straffen en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2008 en 12 mei 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en hem ter zake van feit 2 zal veroordelen tot hechtenis voor de duur van twee weken.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 34 dagen vervangende hechtenis zal worden opgelegd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juli 2007 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een benzinestation aan de [straat 1] heeft

weggenomen twee, in ieder geval één of meerdere, gedlade(s) inhoudende elk een

geldbedrag van 250 euro en/of 28, in ieder geval meerdere, sloffen tabak, in elk geval enig goed en/of enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2007 in de gemeente [gemeente 2] als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straat 2], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof beschouwt het woord "gedlade(s)" in de derde regel van feit 1 als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als: "geldlade(s). Hierdoor wordt de verdachte niet in enig verdedigingsbelang geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 juli 2007 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in een benzinestation aan de [straat 1] heeft weggenomen twee geldlades inhoudende elk een geldbedrag van 250 euro en 28 sloffen tabak, toebehorende aan [benadeelde] b.v., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij op 12 juli 2007 in de gemeente [gemeente 2] als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straat 2], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op het misdrijf en de overtreding:

feit 1-

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

feit 2 -

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de in hoger beroep op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan inbraak in een benzinestation, waarbij hij geld en rookwaren heeft weggenomen. Een dergelijk delict veroorzaakt hinder, schade en ergernis voor het slachtoffer. De verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

De verdachte reed daarnaast op de weg als bestuurder van een personenauto, zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven. Aldus heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en de daarvoor in het leven geroepen rijbewijsplicht genegeerd.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 februari 2009 blijkt dat de verdachte ter zake van beide delicten reeds meerdere keren is veroordeeld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 23 april 2009, opgemaakt door de Justitiële Verslavingszorg Centrum Maliebaan te Utrecht, en zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

In het voorlichtingsrapport is zorg uitgesproken over het alcohol- en cocaïnegebruik van de verdachte en is melding gemaakt van een actueel justitiecontact, te weten een verdenking van diefstal door middel van braak, gepleegd op 6 maart 2009, ten aanzien waarvan de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en waarvoor de verdachte zich op 12 juni 2009 dient te verantwoorden bij de politierechter te Utrecht.

Het hof is van oordeel dat, met name gelet op het justitiële verleden van de verdachte en zijn recente terugval in delictgedrag, en mede gezien de door dit hof gehanteerde oriëntatiepunten ter zake van soortgelijke delicten als feit 1, ter zake van feit 1 niet kan worden volstaan met oplegging van een andere, lichtere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals in eerste aanleg is bepaald en in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof is voorts van oordeel dat, met name gelet op het justitiële verleden van de verdachte, ook ter zake van feit 2 niet kan worden volstaan met oplegging van een andere, lichtere strafmodaliteit dan een vrijheidsbenemende straf, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het door de raadsman van de verdachte aangevoerde belang dat de verdachte heeft bij het behoud van een hem recent aangeboden werkkring is niet een zodanig zwaarwegend belang dat het hof aanleiding ziet anders te beslissen.

Het hof acht, gelet op het bovenstaande, en uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding de eis van de advocaat-generaal, inhoudende de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden ter zake van feit 1 en hechtenis voor de duur van twee weken ter zake van feit 2, passend en geboden.

De door het hof ter zake van feit 1 gehanteerde strafmodaliteit strookt met het oriëntatiepunt voor straftoemeting dat het hof hanteert in zaken van diefstal door middel van braak.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd, ook niet met betrekking tot de recent door de Reclassering rond de verdachte voorgestelde begeleiding en behandeling, dat het hof oplegging van een andere strafmodaliteit aangewezen acht.

Gelet op de justitiële documentatie betreffende de verdachte, waaruit ook valt af te leiden dat de verdachte eerder deels voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd en eerder als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering is opgelegd, acht het hof thans het opleggen van vrijheidsbenemende straffen passend en geboden.

Daar doet niet aan af dat de verdachte eind mei 2009 (weer) als heftruckchauffeur aan de slag kan.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van die gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Met betrekking tot de namens de benadeelde partij [benadeelde] ingediende vordering stelt het hof vast dat niet is gebleken dat de indiener van die vordering, te weten [naam indiener], daartoe bevoegd is. Immers bij die vordering is niet een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit kan blijken van die bevoegdheid. Op grond hiervan dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 62, 63 (oud), 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het onder 1 en 2 aan de verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] ter zake van feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

veroordeelt de verdachte voornoemd ter zake van feit 2 tot hechtenis voor de duur van twee weken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. H. Elzinga, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Elzinga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.