Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4687

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
24-002392-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het feitelijk leiding geven aan het meermalen overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet Toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002392-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-993070-06

Arrest van 20 mei 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

postadres: [postadres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging ten aanzien van het ten laste gelegde feit voor wat betreft de periode tot 30 juni 2002 en verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde feit voor wat betreft de periode vanaf 30 juni 2002.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

de [bedrijfsnaam 1] (handelsnaam [bedrijfsnaam 2][naam] en/of [bedrijfsnaam 3]. (handelsnaam [bedrijfsnaam 4][naam] en/of [bedrijfsnaam 5] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 september 2001 tot en met 08 juni 2005 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een ander of anderen, althans ieder voor zich of alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn na te noemen opvorderbare gelden van het na te vermelden publiek, heeft/hebben aangetrokken en/of ter beschikking heeft/hebben verkregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad en/of (telkens) opzettelijk in enigerlei vorm heeft/hebben bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden, te weten:

publiek opvorderbare gelden

[betrokkene 1] Hfl. 10.000,- (vindplaats dossier bijlagen

D-390 en D-359/D-360), en/of

[betrokkene 2] 10.000 euro (vindplaats dossier bijlagen

D-384 en D-343), en/of

[betrokkene 3] 15.000 euro (vindplaats dossier bijlagen

D-385 en D-364), en/of

[betrokkene 4] 10.000 euro (vindplaats dossier bijlagen

D-385 en D-362/D-363), en/of

[betrokkene 5] 8.000 euro (vindplaats dossier bijlagen D-386

en D-371), en/of

[betrokkene 6]/[betrokkene 7] Hfl. 152.000,- (vindplaats dossier bijlagen

D387, D-284, D-307/D357), en/of

[betrokkene 8] Hfl. 65.000,- (vindplaats dossier bijlagen

D-388, D-288, D-306 en D-365), en/of

[betrokkene 9]/ 23.000 euro (vindplaats dossier bijlagen

[betrokkene 10] D-389 en D-369/D-370), en/of

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot voren omschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het aan verdachte ten laste gelegde misdrijf zou zijn gepleegd in de periode van 16 september 2001 tot en met 8 juni 2005.

Artikel 6 (oud), onder 1, van de Wet op de economische delicten bepaalt dat het ten laste gelegde misdrijf gestraft wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie. Ingevolge artikel 70 (oud), aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht j° artikel 71 (oud), aanhef en 72 (oud), tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering voor een misdrijf waarop een geldboete, hechtenis of een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld in ieder geval indien zes jaren zijn verstreken na de dag waarop de verjaring is aangevangen.

Het hof stelt vast dat tussen 16 september 2001 en 30 juni 2008, de dag waarop de eerste vervolgingshandeling jegens verdachte is verricht, méér dan zes jaren zijn verstreken. Het recht tot strafvordering is voor wat betreft de ten laste gelegde periode voor 30 juni 2002 derhalve vervallen. Gelet hierop zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ten aanzien van de ten laste gelegde pleegperiode van 16 september 2001 tot en met 30 juni 2002.

Voor het overige deel van de ten laste gelegde pleegperiode is het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op 12 augustus 2002 heeft verdachte al zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 4] gestaakt en vanaf die datum had hij geen enkele bemoeienis meer met de beide bedrijven. Uit het dossier blijkt echter dat er op 5 december 2002 nog € 1.200,- van de rekening van [bedrijfsnaam 2] is overgemaakt naar een rekening van [bedrijfsnaam 6]. [bedrijfsnaam 6] is blijkens het dossier (pagina 7 van een proces-verbaal [nummer]) een oude handelsnaam van "[bedrijfsnaam 7]", een eenmanszaak van verdachte. Verdachte had op 5 december 2002 derhalve nog de beschikking over de tegoeden van het in het tenlastelegging genoemde publiek die [bedrijfsnaam 2] onder zich had. Weliswaar heeft verdachte een deel van dat bedrag op een later tijdstip teruggestort, het andere deel van dit bedrag heeft verdachte kennelijk zelf gebruikt gelet op het feit dat verdachte bij de terugstorting heeft vermeld dat hij "effe" niet meer geld had.

Hoe dit alles zij, niet vastgesteld kan worden dat verdachte na 5 december 2002 nog de beschikking had over gelden als in de tenlastelegging bedoeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

de [bedrijfsnaam 1] (handelsnaam [bedrijfsnaam 2][naam] en/of [bedrijfsnaam 3]. (handelsnaam [bedrijfsnaam 4][naam] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2002 tot en met

5 december 2002 in Nederland, telkens opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het na te vermelden publiek, ter beschikking heeft/hebben gehad:

[betrokkene 1] en/of

[betrokkene 3] en/of

[betrokkene 4] en/of

[betrokkene 5] en/of

[betrokkene 6]/[betrokkene 7] en/of

[betrokkene 8] en/of

[betrokkene 9]/[betrokkene 10]

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet Toezicht kredietwezen 1992 (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijk leiding heeft gegegeven, meermalen begaan.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

In het financiële verkeer gelden strenge regels voor banken en andere (beleggings)instellingen, waarmee de wetgever (onder meer) heeft willen bewerkstelligen consumenten zo veel mogelijk te beschermen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte in ernstige mate inbreuk gemaakt op die bescherming, hetgeen heeft geleid tot financiële schade voor een aantal gedupeerden.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 9 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

In beginsel rechtvaardigen de bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet echter op het tijdsverloop sinds de pleegperiode en het feit dat het hof tot een aanmerkelijk beperktere bewezenverklaring en pleegperiode komt zal het hof volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14c, 14a (oud), 14b (oud) en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 82 (oud) van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het openbaar ministerie voor wat betreft de periode tot 30 juni 2002 niet-ontvankelijk in de vervolging;

verklaart het verdachte (voor wat betreft de periode vanaf 30 juni 2002) ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld (voor wat betreft de periode vanaf 30 juni 2002) meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. W.F. van Zant en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.