Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4676

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
24-002480-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 24, eerste lid, van de Drank- en Horecawet en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, zevende lid, van de Drank- en Horecawet, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegegeven aan de verboden gedraging, veroordeeld tot een tweetal voorwaardelijke geldboetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 170
Module Horeca 2009/782
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002480-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-915011-07

Arrest van 20 mei 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens overtredingen veroordeeld tot een (voorwaardelijke) straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot telkens een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair te vervangen door 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juni 2006 tussen 11.00 uur en 15.00 uur, in de gemeente [gemeente], een horecalokaliteit en/of slijtlokaliteit, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] aldaar, voor het publiek geopend heeft gehouden, terwijl toen in die inrichting geen leidinggevende aanwezig was die vermeld stond op de vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [bedrijf] op of omstreeks 3 juni 2006 tussen 11.00 uur en 15.00 uur, in de gemeente [gemeente], een horecalokaliteit en/of slijtlokaliteit, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] aldaar, voor het publiek geopend heeft gehouden, terwijl toen in die inrichting geen leidinggevende aanwezig was die vermeld stond op de vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder, terwijl hij, verdachte, tot bovengenoemd feit opdracht heeft gegeven, dan wel heeft hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan bovengenoemde verboden gedraging;

2.

hij op of omstreeks 3 juni 2006 in de gemeente [gemeente] tezamen in in vereniging met een ander, althans alleen, in een slijtlokaliteit en/of horecalokaliteit en/of op een terras, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] aldaar, de aanwezigheid heeft/hebben toegelaten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap en/of onder invloed van andere psychotrope

stoffen verkeerde;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [bedrijf] op of omstreeks 3 juni 2006 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een slijtlokaliteit en/of horecalokaliteit en/of op een terras, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] aldaar, de aanwezigheid heeft/hebben toegelaten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap en/of onder invloed van andere psychotrope stoffen verkeerde, terwijl hij, verdachte, tot bovengenoemd feit opdracht heeft gegeven, dan wel heeft hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan bovengenoemde verboden gedraging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van verdachte gesteld dat verdachte geen leidinggevende was bij de [naam] en zich ook niet bemoeide met het bedrijf. Verdachte heeft de [naam] dan ook niet geopend gehouden en/of een persoon toegelaten die onder invloed verkeerde, noch heeft hij hiertoe opdracht of aan deze handelingen feitelijk leiding gegeven. De raadsman is dan ook van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte is op 21 juni 2006 door een verbalisant gehoord over de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft toen verklaard dat hij de eigenaar is van de [naam] en dat hij de roosters maakt. Ook het rooster voor 3 juni 2006 was door hem gemaakt, zo heeft hij verklaard. Voorts verklaren [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] dat verdachte de eigenaar van de [naam] was.

Het hof is van oordeel dat verdachte, gelet op de bovengenoemde verklaringen, als 'pleger' van het hem onder 1 primair ten laste gelegde feit kan worden aangemerkt. Uit die verklaringen volgt immers dat het verdachte was die het feitelijk voor het zeggen had in het café, terwijl hij bovendien concreet het rooster voor de betreffende dag en het betreffende tijdstip zodanig had opgesteld dat toen de mogelijkheid open stond dat er geen leidinggevende als bedoeld in de tenlastelegging aanwezig was. Dat verdachte niet persoonlijk aanwezig was maakt dat niet anders. Aldus is verdachte hiervoor direct verantwoordelijk te achten en moet in zoverre het verweer van de raadsman worden verworpen.

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit is het hof met de raadsman van oordeel dat verdachte voor het toelaten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde niet kan worden aangemerkt als 'pleger' van het delict en evenmin als functioneel dader nu daarvoor aanwijzingen ontbreken.

Het verweer van de raadsman gaat evenwel niet op voor wat betreft het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. Vooropgesteld moet worden dat het in het café toelaten van een in kennelijke staat van dronkenschap verkerende persoon door een personeelslid, kan worden toegerekend aan de rechtspersoon [bedrijf]. Dit personeelslid was immers werkzaam voor de rechtspersoon, de rechtspersoon was gebaat bij de te genereren omzet en de gedraging van het betreffende personeelslid was in het maatschappelijk verkeer aan te merken als gedraging van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof moet verdachte strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het feit dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de aan de rechtspersoon en dus ook aan de verweten gedraging. Daarvoor is van belang dat verdachte, die, zoals hiervoor is overwogen, het feitelijk voor het zeggen had in het café, heeft nagelaten adequate maatregelen te treffen om het toelaten van beschonken clientèle te voorkomen terwijl dit wel op zijn weg heeft gelegen. Voor deze constatering - het nalaten adequate maatregelen te treffen - is met name de verklaring die het betreffende personeelslid hierover heeft afgelegd in zijn verhoor van 14 juni 2006 van belang. Uit die verklaring valt onder meer op te maken, dat verdachte geen duidelijke instructies heeft gegeven over hoe er met beschonken klanten moest worden omgegaan en bovendien dat er "zo vaak" dronken mensen in het café waren. Uit het laatst vermelde onderdeel van die verklaring volgt dat de aanwezigheid van in kennelijke staat van dronkenschap verkerende personen klaarblijkelijk tot de reguliere bedrijfsvoering binnen het café behoorde althans aanvaard placht te worden, waarvoor verdachte als feitelijk leidinggevende verantwoordelijk te achten is.

De omstandigheid dat verdachte 'op papier' geen zeggenschap binnen het café c.q. de rechtspersoon had, doet aan het hiervoor overwogene niet af.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1. primair

hij op 3 juni 2006 tussen 11.00 uur en 15.00 uur, in de gemeente [gemeente], een horecalokaliteit, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] 15 aldaar, voor het publiek geopend heeft gehouden, terwijl toen in die inrichting geen leidinggevende aanwezig was die vermeld stond op de vergunning met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder;

2. subsidiair

dat [bedrijf] op 3 juni 2006 in de gemeente [gemeente] in een horecalokaliteit, te weten "[naam]", gevestigd in perceel [adres] 15 aldaar, de aanwezigheid heeft toegelaten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovengenoemde verboden gedraging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de overtredingen:

onder 1 primair:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 24, eerste lid, van de Drank- en Horecawet;

onder 2 subsidiair:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20, zevende lid, van de Drank- en Horecawet, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte de centrale doelstelling van de Drank- en Horecawet, namelijk, in het kader van het alcoholmatigingsbeleid, de preventie van gezondheidsrisico's en de beheersing van maatschappelijke problemen die voortvloeien uit het gebruik van alcohol, zoals problemen ten aanzien van de volksgezondheid, jeugdbescherming, verkeersveiligheid, criminaliteitspreventie en openbare orde en veiligheid, heeft veronachtzaamd.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 9 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het bovenstaande zal het hof verdachte, conform de vordering van de advocaat-generaal, een tweetal voorwaardelijke geldboetes opleggen. Het hof houdt hierbij rekening met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 20 en 24 van de Drank- en Horecawet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte [verdachte] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.