Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4577

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
24-000193-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens (primair) zware mishandeling, (subsidiair) poging tot zware mishandeling. Veroordeling wegens subsidiaire poging. Verdachte heeft in drukke dancing een ander met een glas in het gezicht geslagen. Slachtoffer heeft groot litteken in gezicht.

Noodweer(exces)verweer verworpen, nu gestelde wederrechtelijke aanranding en/of dreiging daartoe niet aannemelijk wordt geacht.

Recidiverende verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000193-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-607349-07 en 07-603480-05 (TUL)

Arrest van 20 mei 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen en heeft voorts op de vordering van de benadeelde partij en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvierenzestig dagen, waarvan honderdtwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, en voorts tot een werkstraf voor duur van eenhonderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van duizendhonderdtweeëndertig euro zal toewijzen en daarnaast een schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag zal opleggen. Ten slotte heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, waarbij aan verdachte een werkstraf voor de duur van veertien uren, subsidiair zeven dagen vervangende hechtenis zal worden opgelegd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 23 september 2007 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snee in zijn gezicht waarin negen hechtingen zijn aangebracht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk te slaan in het gezicht van die [benadeelde] terwijl hij een glas in die hand vasthad (waardoor het glas in het gezicht van die [benadeelde] is gebroken);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 september 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet heeft geslagen in het gezicht van die [benadeelde] terwijl hij een glas in die hand vasthad (waardoor het glas in het gezicht van die [benadeelde] is gebroken), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 23 september 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet heeft geslagen in het gezicht van die [benadeelde] terwijl hij een glas in die hand vasthad (waardoor het glas in het gezicht van die [benadeelde] is gebroken), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof een beroep gedaan op noodweer danwel noodweerexces, op grond waarvan verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte dan wel de dreiging daartoe. Dit heeft bij verdachte een hevige gemoedsbeweging doen ontstaan. Hij stond op een podium en kon geen kant op. Hij zag geen andere mogelijkheid dan de betreffende beweging te maken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid, of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Het hof acht evenmin aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van verdachte. Het hof acht ten slotte niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer een zodanige beweging heeft gemaakt dat verdachte daaruit zou hebben mogen afleiden dat hij zou worden aangevallen. Verdachtes beroep op noodweer of putatief noodweer kan derhalve niet slagen, en het hof verwerpt daarom dit verweer.

Omdat nimmer sprake is geweest van een noodweer-situatie voor verdachte moet diens beroep op noodweerexces eveneens worden verworpen.

Het hof acht verdachte strafbaar nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte kreeg in een uitgaansgelegenheid in [plaats] een woordenwisseling met een vriend van het latere slachtoffer. Het slachtoffer voegde zich hierop bij zijn vriend en sprak verdachte aan. Verdachte heeft hem vervolgens met een longdrinkglas dat hij in zijn hand had in het gezicht geslagen. Het glas is daarbij gebroken en het slachtoffer liep een grote open wond in het gezicht op. Dit letsel dat verdachte het slachtoffer heeft toegebracht heeft onder meer tot gevolg, dat het slachtoffer door het leven zal moeten gaan met een groot, ontsierend litteken in zijn gezicht. Het hof rekent het verdachte daarnaast aan dat door dit strafbare feit bij de mensen die daarvan getuige zijn geweest of daarvan kennis nemen (het was erg druk in de betreffende uitgaansgelegenheid) gevoelens van angst, onveiligheid en/of onrust plegen te ontstaan.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 februari 2009 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens verschillende alcoholgerelateerde- en geweldsdelicten.

Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf, beide van hierna te noemen duur, passend en geboden.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering ad € 1.132,-- in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Daar komt bij dat de benadeelde partij door middel van de schriftelijke slachtofferverklaring zijn oorspronkelijke vordering heeft gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.132,--. Verdachte heeft deze vordering niet weersproken. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag het hof niet onaannemelijk voorkomt, kan de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen als na te melden.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aan verdachte zal de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-lelystad d.d. 7 april 2006, is verdachte veroordeeld tot (onder meer) een week gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 22 april 2006. De proeftijd is eveneens ingegaan op 22 april 2006. De officier van justitie vordert d.d. 21 december 2007 dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde de hiervoor bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, is het hof op grond van het vorenstaande van oordeel, dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde vrijheidsstraf. Het hof zal echter in plaats van het geven van voormelde last tot tenuitvoerlegging van voormelde vrijheidsstraf, het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gelasten voor het aantal uren als na te melden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c(oud), 22d, 36f (oud), 45, 63 (oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van honderdvierendertig dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van negentig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook wanneer die inhouden het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend honderdtweeëndertig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt

- tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend honderdtweeëndertig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van éénentwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 7 april 2006) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van veertien uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. G. Dam en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J.M. Pullens als griffier, zijnde mr. Niezink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.