Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4266

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
104.004.567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:363

Op de vordring tot indeplaatsstelling beslist de pachtrechter volgens het derde lid van artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek naar billijkheid. In dat verband zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder ook eventuele tekortkomingen van de zittende pachter(s). Voor zover de voorgestelde pachter mede verwijt treft van zulke tekortkomingen, kan die omstandigheid mede van belang zijn wat betreft de vraag of de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel.

Inbreng door pachter van gebruik van gepachte is hier tekortkoming, maar in de gegeven omstandigheden onvoldoende ernstig om naar billijkheid aan indeplaatsstelling in de weg te staan. In het verlengde daarvan is ook de omstandigheid dat de voorgestelde pachter van die tekortkoming op de hoogte was, althans had moeten zijn, niet van een zodanig gewicht dat daaruit volgt dat hij niet voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.567

arrest van de pachtkamer van 12 mei 2009

inzake

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 25 april en 10 oktober 2007 (zoals gecorrigeerd op 13 november 2007), die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als een van de eisers heeft gewezen. Van genoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 9 november 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd van genoemde vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het vonnis van 10 oktober 2007 aangevoerd en toegelicht, en hebben zij geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vordering tot indeplaatssteling van [persoon A] als pachter in de plaats van [geïntimeerde] af zal wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt:) [appellanten] in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel dat beroep af zal wijzen, en, zo nodig onder verbetering van de gronden, de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure en daarbij zal bepalen dat daarover wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na het te wijzen arrest door [appellanten] aan [geïntimeerde] zullen zijn betaald.

2.4 Ter zitting van 20 oktober 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, tegelijk met de mondelinge behandeling van de zaak met nummer 104.007.968. Voor [appellanten] is het woord gevoerd door mr. Harbers voornoemd en voor [geïntimeerde] door Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg. Mr. Harbers heeft zich bij die gelegenheid bediend van pleitnotities.

2.5 Naar aanleiding van een poging van het hof om partijen tot een minnelijke regeling te bewegen, hebben partijen vervolgens om aanhouding van de zaak gevraagd.

2.6 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Tussen [appellanten] als verpachters enerzijds en [geïntimeerde] en wijlen [persoon B] als pachters anderzijds was tot het overlijden van [persoon B] op 9 maart 2006 een pachtovereenkomst van kracht met betrekking tot de percelen kadastraal bekend [...]

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft [geïntimeerde] in dit geding gevorderd dat haar zoon, [persoon A], als pachter voor haar in de plaats wordt gesteld. Bij het vonnis van 10 oktober 2007 heeft de pachtkamer in eerste aanleg die vordering toegewezen. Daartegen richten zich de grieven.

4.2 Nu [appellanten] tegen het vonnis van 25 april 2007 geen grieven hebben opgeworpen, zijn zij in hun hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk.

4.3 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Op grond van artikel 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek heeft het nieuwe recht te dezen onmiddellijke werking. Het hof zal derhalve nieuw recht toepassen. Overigens is de regeling van de indeplaatsstelling van art. 7:363 Burgerlijk Wetboek grotendeels gelijk aan die van artikel 49 Pachtwet.

4.4 Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

4.5 Op de vordering tot indeplaatsstelling beslist de pachtrechter volgens het derde lid van artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek naar billijkheid. In dat verband zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder ook eventuele tekortkomingen van de zittende pachter(s). Voor zover de voorgestelde pachter mede een verwijt treft van zulke tekortkomingen, kan die omstandigheid mede van belang zijn wat betreft de vraag of de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel.

4.6 De grieven strekken er alle toe dat de vordering tot indeplaatsstelling had moeten worden afgewezen in verband met de omstandigheid dat het gepachte, met medeweten van de voorgestelde pachter, door een van de toenmalige pachters is ingebracht in een vennootschap onder firma.

4.7 Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van deze kamer is de pachter gehouden het gepachte persoonlijk te gebruiken, in die zin dat hij de dagelijkse leiding over de exploitatie van het gepachte dient te behouden. Het staat de pachter niet vrij om het gepachte in te brengen in een maatschap of vennootschap onder firma op een zodanige wijze dat hij de zeggenschap over het gepachte verliest omdat hij wat betreft besluiten omtrent de exploitatie van het gepachte door zijn medevennoten kan worden overstemd. Het hof houdt aan deze rechtspraak vast.

4.8 Tussen partijen staat vast dat het gebruik van het gepachte is ingebracht in een vennootschap onder firma, waarvan behalve de toenmalige pachter [persoon B], ook diens echtgenote en zijn broer [persoon A] (de voorgestelde pachter) en diens echtgenote, alsmede de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] vennoten waren. [geïntimeerde] was toen feitelijk niet meer bij de exploitatie van het gepachte betrokken. Op suggestie van de pachtkamer in eerste aanleg is eerst sinds 30 juli 2007 in de maatschapsakte een bepaling opgenomen volgens welke pachters die het gebruik van het door hen gepachte inbrengen, zich op ondubbelzinnige wijze de zeggenschap over het gepachte voorbehouden. Tegen de achtergrond van hetgeen in de vorige alinea is voorop gesteld, volgt uit een en ander dat de pachters tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen zoals die uit de pachtovereenkomst voortvloeiden, omdat immers tot 30 juli 2007 de toenmalige (actieve) pachter door zijn medevennoten kon worden overstemd.

4.9 [appellanten] hebben erop gewezen dat pachters aan hen in 2000 een concept-pachtwijzigingsovereenkomst hebben gezonden waarin [persoon A] als medepachter werd vermeld, en dat naar aanleiding daarvan door [appellanten] afhoudend is gereageerd. Terecht verwijten [appellanten] [geïntimeerde], alsook [persoon A] als voorgestelde pachter, dat [geïntimeerde] niet naar aanleiding daarvan een vordering tot indeplaatsstelling heeft ingesteld en dat zij in plaats daarvan de zaak op zijn beloop hebben gelaten. Daar staat echter tegenover dat [appellanten] naar aanleiding van vragen van het hof hebben erkend dat zij als gevolg van de tekortkoming geen enkel concreet nadeel hebben geleden en voorts dat het gepachte gelet op zijn omvang in relatie tot de omvang van het totale bedrijf van pachters een wezenlijke plaats in hun bedrijfsvoering inneemt, zodat het verlies van het gepachte hen relatief zwaar zou treffen. Een en ander afwegende beoordeelt het hof de tekortkoming als onvoldoende ernstig om naar billijkheid aan indeplaatsstelling in de weg te staan. In het verlengde daarvan is ook de omstandigheid dat de voorgestelde pachter van die tekortkoming op de hoogte was, althans had moeten zijn, niet van een zodanig gewicht dat daaruit volgt dat hij niet voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering.

4.10 De slotsom is dat de grieven falen, zodat het vonnis van 10 oktober 2007 dient te worden bekrachtigd. Het hof zal [appellanten] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Bij de toepassing van het liquidatietarief zal het hof er rekening mee houden dat het pleidooi in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden tegelijk met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 104.007.968. In overeenstemming met hetgeen [geïntimeerde] heeft verzocht, zal het hof bepalen dat over het bedrag van de proceskosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na heden door [appellanten] aan [geïntimeerde] zal zijn betaald.

4.11 In overeenstemming met het verzoek van [geïntimeerde] zal het hof zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Daarmee geeft het hof geen oordeel over de vatbaarheid van dit arrest voor cassatie in verband met het vervallen van artikel 134 Pachtwet per 1 september 2007 en de inwerkingtreding van onder meer artikel 1019q Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met ingang van dezelfde datum. Weliswaar heeft de Hoge Raad onlangs een beslissing gegeven over het overgangsrecht zoals van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe pachtrecht reeds lopende procedures (beschikking van 19 december 2008, LJN BG3714, NJ 2009, 22), maar de reikwijdte van die beslissing – die anders dan de onderhavige procedure een verlengingsprocedure betrof – is niet geheel zeker.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, van 25 april 2007;

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem, van 10 oktober 2007;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251,— voor griffierecht;

bepaalt dat over het bedrag van de proceskosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na heden door [appellanten] aan [geïntimeerde] zal zijn betaald, te rekenen vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, A.W. Steeg en A. Smeeïng-van Hees en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2009.