Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4184

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
200.014.073
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARN:2009:BN5858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melkquotum. Exhibitieplicht.

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 22 en 262, 843a

Incident tot overlegging van stukken met betrekking tot melkquotum. Opdracht op de voet van artikel 22 Rv.

Zie ook LJN BN5858

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.014.073

(zaaknummer rechtbank 500723/CP EXPL 07-6/54)

arrest van de pachtkamer van 28 april 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. ing. C.F. van Helvoirt,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

advocaat: mr. P.J. Jans.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 november 2007 en 28 augustus 2008, die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel, tussen appellant, tevens eiser in het incident (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde, tevens verweerder in het incident (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van de vonnissen van 29 november 2007 en 28 augustus 2008 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 16 september 2008 aan [geïntimeerde] aangezegd van de vonnissen van 29 november 2007 en 28 augustus 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

a. de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg alsnog zal toewijzen,

b. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij dezelfde memorie heeft [appellant] een incidentele vordering ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingesteld. In het incident heeft [appellant] gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van ’s hofs arrest, althans binnen een door het gerechtshof te bepalen termijn, een afschrift van de navolgende bescheiden aan [appellant] te verstrekken:

- de meitelgegevens over de periode 1972 tot en met 1986 van de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde];

- de overzichten van de Centrale Organisatie Superheffing (hierna: “COS”), waaruit de in 1984 aan alle rechtsvoorgangers van [geïntimeerde] toegekende melkrechten blijken;

- het overzicht van de COS van het melkquotum dat per 1 april 2006 op naam van [geïntimeerde] geregistreerd stond en – voor zover de verkoop van het melkquotum daarvóór heeft plaatsgevonden – het laatste overzicht vóór de overdracht van het melkquotum;

- de op het verkochte melkquotum betrekking hebbende koopovereenkomst;

- de jaarstukken en omzetgegevens van de ondernemingen van [geïntimeerde] van 2004 tot en met 2007, gespecificeerd naar de diverse bedrijfstakken, doch in ieder geval naar paardenpension en paardenfokkerij.

II. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,— voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de vordering onder I te voldoen met een maximum van € 10.000,—.

III. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het incident.

Subsidiair heeft [appellant] gevorderd dat het hof op grond van artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [geïntimeerde] zal bevelen tot openlegging van de hiervoor genoemde bescheiden. Bovendien heeft [appellant] gewezen op artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] tegen de incidentele vordering verweer gevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat de vordering in het incident zal worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1 Het gaat in dit incident om het volgende. [geïntimeerde] is bij pachtwijzigingsovereenkomst pachter geworden in een pachtverhouding die in 1972 is aangevangen. In de hoofdzaak vordert [appellant] ontbinding van de pachtovereenkomst en betaling van 50% van de waarde van het met het gepachte samenhangende melkquotum, met nevenvorderingen, en legt hij aan zijn vorderingen twee tekortkomingen ten grondslag, namelijk verkoop zonder zijn toestemming van met het gepachte samenhangend melkquotum en inbreng van het gepachte in een besloten vennootschap.

3.2 Wat betreft de meitellinggevens over 1972 tot en met 1986 en het overzicht van de COS 1984 geldt het volgende. Aan toewijzing van de vordering in het incident staat niet in de weg dat de inhoud van deze stukken bij [appellant] niet, ook niet in beginsel, bekend is. De uitleg die [geïntimeerde] aan artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft, is dus te beperkt. Aan toewijzing van de vordering staat wel in de weg dat onvoldoende zeker is dat [geïntimeerde] over bedoelde stukken kan beschikken. [geïntimeerde] is immers geen rechtsopvolger onder algemene titel van de voorgaande pachters, althans heeft [appellant] daarover niets gesteld. Zeer wel denkbaar is dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI), waar de meitellinggegevens zullen moeten worden opgevraagd, en/of de COS zich op het standpunt zullen stellen dat bedoelde stukken niet aan [geïntimeerde] mogen worden afgegeven. Ook de subsidiaire vordering op grond van artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is wat betreft die stukken niet toewijsbaar, omdat niet kan worden gezegd dat [geïntimeerde] ingevolge de wet deze stukken moet houden, maken of bewaren.

Wel ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan [geïntimeerde] op te dragen aan de advocaat van [appellant] een ondertekende verklaring af te geven, inhoudende dat hij geen bezwaar heeft tegen verstrekking van bedoelde stukken en voor zover nodig volmacht geeft voor het opvragen ervan. Indien [geïntimeerde] aan deze opdracht geen gevolg geeft, zal het hof daaraan de conclusies verbinden die het geraden acht.

3.3 Wat betreft het overzicht van de COS per 1 april 2006 en de koopovereenkomst geldt dat het rechtmatig belang van [appellant] bij die bescheiden nog niet vaststaat. Hij heeft daarbij eerst belang op het moment dat vaststaat dat met het gepachte melkquotum samenhing. Het hof ziet ook geen aanleiding voor een andere voorziening met betrekking tot deze stukken.

3.4 Wat betreft de jaarstukken en omzetgegevens geldt het volgende. Uit de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] onder 25 en 26 en zijn akte na comparitie onder 24 volgt dat [geïntimeerde] erkent dat hij zijn agrarische activiteiten – waaronder klaarblijkelijk ook die met betrekking tot het gepachte – onder heeft gebracht in een tweetal BV’s. Gelet daarop lijkt in de hoofdzaak uitsluitend nog aan de orde de vraag of [geïntimeerde] daarmee in de nakoming van de pachtovereenkomst tekort is geschoten, en zo ja of die tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Gelet op die stand van zaken heeft [appellant] ten onrechte niet nader toegelicht wat zijn rechtmatig belang bij bedoelde stukken is. Ook met betrekking tot deze stukken ziet het hof geen aanleiding voor een andere voorziening.

3.5 De slotsom is dat het hof aan [geïntimeerde] op zal dragen om binnen twee weken na heden aan de advocaat van [appellant] een ondertekende verklaring af te geven, inhoudende dat hij geen bezwaar heeft tegen verstrekking van de onder 3.2 bedoelde stukken en voor zover nodig volmacht geeft voor het opvragen ervan. Voor het overige zal de vordering in het incident worden afgewezen. Het hof zal de beslissing omtrent de kosten van het incident reserveren tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

draagt aan [geïntimeerde] op om binnen twee weken na heden aan de advocaat van [appellant] een ondertekende verklaring af te geven, inhoudende dat hij geen bezwaar heeft tegen verstrekking van de onder 3.2 bedoelde stukken en voor zover nodig volmacht geeft voor het opvragen ervan;

wijst af het meer of anders gevorderde;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het incident tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

begroot deze kosten op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2009 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, J.K.B. van Daalen en Th.C.M. Willemsen en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009.