Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4011

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
07-00537
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OZB.

Verwijzingsprocedure HR 16 november 2007, nr. 40606. Waarde verzorgingstehuis voor minder dan 70% toerekenbaar aan woondoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/761
FutD 2009-1109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 07/00537

U i t s p r a a k

op het beroep van Stichting X (voorheen: Stichting Zorgcentrum A) te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden (hierna: de heffingsambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Leeuwarden opgelegd ten bedrage van f 33.536 (€ 15.217), naar het tarief voor niet-woningen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden, dat de uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 27.940 (€ 12.678), naar het tarief voor woningen.

1.4. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 november 2007, nr. 40 606 (hierna: het arrest) de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden vernietigd behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.5. Belanghebbende heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een conclusie na verwijzing ingediend. De heffingsambtenaar heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die conclusie gereageerd.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2009 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede Ing. B, verbonden aan C Vastgoed te R, namens de heffingsambtenaar.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na verwijzing is tussen partijen uitsluitend in geschil of de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Tussen partijen is in dit kader niet meer in geschil dat de 232 van de onroerende zaak deel uitmakende appartementen tot woning dienen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot ? 27.940 (€ 12.678).

De voor het onderhavige belastingjaar geldende waarde die ingevolge de Wet waardering onroerende zaken aan de onroerende zaak a-straat 1 (het verzorgingshuis) is toegekend bedraagt, na bezwaar, ƒ 12.773.000 (€ 5.796.134). Deze waarde is tussen partijen niet in geschil. Om die reden dient, ook als de heffingsambtenaar in het gelijk wordt gesteld, de aanslag te worden verminderd tot een bedrag van ƒ 32.716 (€ 14.845).

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In haar conclusie na verwijzing heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat van deze waarde 70,98% kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Hieruit trekt belanghebbende de conclusie dat de onroerende zaak voor de tariefindeling als woning moet worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende, naast de 232 appartementen waarvan tussen partijen niet meer in geschil is dat deze tot woning dienen, onder meer de gangen, de keukens, de dagrecreatieruimten en de wasserij tot het woondeel van de onroerende zaak gerekend. In de visie van belanghebbende zijn de betreffende onderdelen van de onroerende zaak volledig dienstbaar aan woondoeleinden.

4.2. De heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat circa 46,30%, althans minder dan 70%, van de hiervoor vermelde waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen van de zaak die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Hieruit trekt de heffingsambtenaar de conclusie dat de onroerende zaak door hem bij de vaststelling van de onderhavige aanslag voor de tariefindeling terecht als niet-woning is aangemerkt. Tot staving van dit standpunt heeft de heffingsambtenaar onder meer aangevoerd dat de verkeersruimten van de onroerende zaak, in verband met de verzorgingsbehoefte van de (hoog)bejaarde bewoners, hoofdzakelijk worden gebruikt door het verzorgende personeel zodat deze ruimten niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, dat het restaurant niet alleen door bewoners wordt gebruikt maar ook door bezoekers en personeel zodat ook deze ruimte, evenals de keukens, niet volledig dienstbaar is aan woondoeleinden en dat ook de dagrecreatieruimten en de wasserij, die mede door personeel worden benut, niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.3. Belanghebbende heeft ter zitting in antwoord op vragen van het Hof het nadere standpunt ingenomen dat ingeval moet worden geoordeeld dat de gangen, de keukens, de dagrecreatieruimten dan wel de wasserij niet volledig dienstbaar is of zijn aan woondoeleinden, minder dan 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen van de zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.4. Het Hof acht in het licht van hetgeen bij 4.2 is vermeld aannemelijk dat in elk geval de gangen, de keukens en de wasserij mede ten dienste staan van het personeel en mede dienstbaar zijn aan andere dan woondoeleinden, zodat niet kan worden staande gehouden dat deze ruimten volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het Hof verbindt daaraan, in overeenstemming met het bij 4.3 vermelde nadere standpunt van belanghebbende, de conclusie dat minder dan 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de onroerende zaak door de heffingsambtenaar voor de tariefindeling terecht als niet-woning is aangemerkt.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat nu de heffingsambtenaar in het gelijk is gesteld, de aanslag moet worden verminderd tot een bedrag van ƒ 32.716

(€ 14.845). Het beroep is gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij Hof Leeuwarden en Hof Arnhem redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 voor het beroep bij Hof Leeuwarden en € 644 voor het beroep bij Hof Arnhem (1 punt voor conclusie na verwijzing, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 322).

6. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag ten bedrage van f 32.716 (€ 14.845);

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage € 1288 en wijst de gemeente Leeuwarden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Deze uitspraak is op 28 april 2009 gedaan door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J.A. Monsma)

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.