Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI4001

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
0700380
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waterschapsheffing.

In afwijking van beleidsregel opgelegde aanslagen vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/858
V-N 2009/33.5 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 07/00380

uitspraakdatum: 28 april 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 juli 2007, nummer AWB 06/1131, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Zuiderzeeland (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2005 en 2006 aanslagen opgelegd in de ingezetenenomslag en de verontreinigingsheffing.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Ambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Ambtenaar in beroep gekomen bij de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 1 augustus 2007 ter griffie ingekomen.

1.5. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het eerste onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 september 2008 te Arnhem. Daarbij is de Ambtenaar verschenen en gehoord. Belanghebbende is niet verschenen. De bij aangetekende brief van 8 augustus 2008 aan belanghebbende gezonden uitnodiging voor de zitting is met de aantekening ‘niet afgehaald’ ter griffie terugontvangen. Uit een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Almere (hierna: gba) van 11 september 2008 blijkt dat belanghebbende staat ingeschreven op het adres a-straat 1 te Z. De uitnodiging voor de zitting is bij gewone brief van 4 september 2008 aan belanghebbende toegezonden.

1.7. Het Hof heeft het vooronderzoek heropend. Bij brief van 30 oktober 2008 heeft het Hof de Ambtenaar verzocht nadere inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 20 november 2008 heeft de Ambtenaar enige gegevens verstrekt. Bij brief van 2 december 2008 heeft A namens belanghebbende daarop gereageerd.

1.8. Het tweede onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 april 2009 te Arnhem. Daarbij is de Ambtenaar verschenen en gehoord. Belanghebbende is niet verschenen. De bij aangetekende brief van 16 februari 2009 aan belanghebbende gezonden uitnodiging voor de zitting is met de aantekening ‘niet afgehaald’ ter griffie terugontvangen. Uit een uittreksel uit de gba van 18 maart 2009 blijkt dat belanghebbende sinds 30 maart 2004 staat ingeschreven op het adres a-straat 1 te Z. De uitnodiging voor de zitting is bij gewone brief van 12 maart 2009 aan belanghebbende toegezonden.

2. De vaststaande feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen is opgenomen in de uitspraak van de Rechtbank. In aanvulling daarop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Ter zitting van het Hof van 24 september 2008 heeft de Ambtenaar overgelegd het Aanwijzingsbesluit Belastingplichtigen (hierna: het Aanwijzingsbesluit). Bij zijn brief van 20 november 2008 heeft de Ambtenaar het Aanwijzingsbesluit nogmaals overgelegd, kennelijk in antwoord op de vraag van het Hof waarom de in geding zijnde aanslagen zijn opgelegd aan belanghebbende en niet aan een andere gebruiker. Het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld door het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland (hierna: het College). Het luidt onder meer als volgt:

“ Algemeen

Het Aanwijzingsbesluit belastingplichtigen bevat beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige indien een keuze moet worden gemaakt tussen meer mogelijke belastingplichtigen.

De wettelijke regels brengen soms mee dat meer personen belastingplichtig kunnen zijn voor één belastingobject.

in die gevallen mag het waterschap de aanslag op naam van één van die belastingplichtigen stellen. Waterschap Zuiderzeeland hanteert daarbij een voorkeursvolgorde bij de aanwijzing van de belastingplichtige die de aanslag op zijn of haar naam krijgt.

Deze volgorde is gebaseerd op de veronderstelde betaalcapaciteit en op een doelmatige en doeltreffende heffing en invordering en wordt toegepast voor zover de gegevens voorhanden of te achterhalen zijn.

De in de voorkeursvolgorde neergelegde criteria bevatten geen limitatieve opsomming. Zij zijn richtlijnen voor de meest voorkomende gevallen. Van deze richtlijnen kan worden afgeweken indien een belastingplichtige schriftelijk verzoekt de aanslag op zijn of haar naam te stellen.

Voorkeursvolgorde

1. Met betrekking tot de verontreinigingsheffing voor woonruimten, die wordt geheven van de gebruikers van een woonruimte:

in de gemeenten Almere (…):

a. de oudste meerderjarige mannelijke bewoner op basis van de gemeentelijke basisadministratie, tenzij (…) de gegevens van de waterleidingmaatschappij een andere betalingsplichtige aangeven;

b. degene die op andere wijze als gebruiker naar voren komt;

(…)

3. Met betrekking tot de ingezetenenomslag, die wordt geheven van de gebruikers van een woonruimte:

in de gemeenten Almere (…):

a. de oudste meerderjarige mannelijke bewoner op basis van de gemeentelijke basisadministratie, tenzij (…) de gegevens van de waterleidingmaatschappij een andere betalingsplichtige aangeven;

b. degene die op andere wijze als gebruiker naar voren komt;

(…)”

2.2. In het bezwaarschrift met betrekking tot het belastingjaar 2006 schrijft belanghebbende onder meer: “Ik woon in, en wil mijn aandeel bijdragen, en geloof dat u de hoofdbewoner, c.q. huiseigenaar behoort aan te schrijven.”

2.3. A, de gemachtigde van belanghebbende schrijft met dagtekening 13 juni 2007 aan de Rechtbank onder meer het volgende: “waarom zijn vanaf 2002 de aanslagen correct gericht aan ondergetekende, en omslagheffing opzich word dan wel weer correct aan mij geadresseerd.”

2.4. Volgens een ingewonnen inlichting uit de gba van de gemeente Almere is A, man, geboren 24 juni 1963, op 9 april 2007 vertrokken naar Verenigde Staten van Amerika en was zijn laatste adres (woonadres) a-straat 1 te Z.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt.

3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslagen. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof is van oordeel dat het College bevoegd was in het onderhavige geval de in het Aanwijzingsbesluit opgenomen beleidsregels vast te stellen, nu zij betrekking hebben op een onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid (artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb). Voor het geval hierover anders zou moeten worden geoordeeld, blijkt naar ’s Hofs oordeel uit het optreden van de Ambtenaar dat hij de door het College vastgestelde beleidsregels heeft overgenomen en als zijn beleid heeft vastgesteld.

4.2. De Ambtenaar heeft niet betwist dat de aanslagen in de onderhavige heffingen vanaf 2002 (naar het Hof begrijpt: tot en met 2004) zijn opgelegd aan A. Het Hof leidt daaruit af dat A destijds op het adres a-straat 1 te Z stond ingeschreven in de gba. Aan de omstandigheid dat hij voorts tot 9 april 2007 op dat adres stond ingeschreven in de gba, ontleent het Hof het vermoeden dat A ook in 2005 en 2006 op dat adres stond ingeschreven in de gba. Ter zitting van het Hof van 8 april 2009 is de ambtenaar met dit vermoeden geconfronteerd. Hij heeft het niet kunnen ontzenuwen.

4.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat op 1 januari 2005 en op 1 januari 2006 A de oudste meerderjarige mannelijke bewoner was die op het adres a-straat 1 te Z stond ingeschreven in de gba. In dat geval brengt het door de Ambtenaar gevoerde beleid mee dat nu niet is gesteld of gebleken dat de gegevens van de waterleidingmaatschappij een andere ‘betalingsplichtige’ aangeven de aanslagen aan hem hadden moeten worden opgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat er redenen waren van het beleid af te wijken (artikel 4:84 van de Awb). De aanslagen zijn derhalve ten onrechte aan belanghebbende opgelegd en moeten worden vernietigd.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de uitspraken op bezwaar en de aanslagen vernietigen.

5. Kosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

– verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de aanslagen; en

– gelast het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden te Harderwijk het griffierecht ad € 38 (Rechtbank) en € 106 (Hof), in totaal derhalve € 144 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.A. Monsma en A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

De beslissing is op 28 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.