Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3992

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
0800071
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Terugwijzing zaak naar rechtbank omdat beroep en bezwaar wel ontvankelijk zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/33.3 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde meervoudige belastingkamer

nummer 08/00071

Proces-verbaal mondelinge uitspraak o

belanghebbende : X

te : Z

verweerder : de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

aangevallen beslissing : uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 10 januari 2008, nr. AWB 05/2788

betreft : navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998

nummer : 1618.92.449.P.87

mondelinge behandeling : op 16 april 2009 te Arnhem

Waarbij verschenen : belanghebbende alsmede de Inspecteur

gronden:

1. Het hoger beroep van belanghebbende is binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend.

2. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Die beslissing wordt door belanghebbende in appel bestreden met – onder meer – de stelling dat het beroepschrift tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de zeswekentermijn, ter post is bezorgd.

3. De uitspraak op bezwaar van de Inspecteur is gedagtekend 15 juni 2005. Het op 18 juli 2005 gedagtekende beroepschrift van belanghebbende is bij de Rechtbank ingekomen op 29 juli 2005. Dat is - veronderstellenderwijs ervan uigaande dat de beroepstermijn is aangevangen op 16 juni 2005 – na het verstrijken van de beroepstermijn op 27 juli 2005. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft evenwel achterwege, indien het beroepschrift uiterlijk op 27 juli 2005 ter post is bezorgd.

4. De poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift van belanghebbende ter post is bezorgd is niet duidelijk leesbaar. De datum van de poststempel zou 26 juli 2005 maar ook 28 juli 2005 kunnen zijn.

5. De Rechtbank is ervan uitgegaan dat het beroepschrift niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn ter post is bezorgd. In dit verband heeft de Rechtbank onder meer geoordeeld dat het risico van een onleesbaar poststempel voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. Dit oordeel acht het Hof, gelijk belanghebbende betoogt, niet juist.

6. In aanmerking genomen dat een poststempel met datum 28 juli 2005 niet uitsluit dat het betreffende stuk de dag ervoor, op 27 juli 2005, ter post is bezorgd, de datum van de poststempel ook 26 juli 2005 zou kunnen zijn en de dagtekening van het beroepschrift ruim vóór het verstrijken van de beroepstermijn is gelegen, moet naar het oordeel van het Hof te dezen worden aangenomen dat het beroepschrift van belanghebbende tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de beroepstermijn, ter post is bezorgd. Alsdan dient het beroep, gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift door de Rechtbank, op de voet van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ontvankelijk te worden verklaard.

7. De Rechtbank heeft ten overvloede geoordeeld dat het bezwaar van belanghebbende buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend.

8. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat hij eraan twijfelt of het tijdstip van de bekendmaking van de navorderingsaanslag is gelegen vóór de dagtekening ervan. Hij heeft daarbij erop gewezen dat het biljet van de onderhavige navorderingsaanslag afwijkt van de standaardbiljetten van de Belastingdienst en voorts gesteld dat het biljet later door hem is ontvangen dan op de dag van de dagtekening van het biljet (18 december 2003).

9. De Inspecteur heeft in dit verband verklaard dat het te dezen gaat om een zogenoemde “penaanslag”, waarvan het biljet door de eenheid zelf is verzonden.

10. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een (navorderings)aanslag is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest bij de Inspecteur (vgl. onder meer HR 12 januari 2007, nr. 42 739, NTFR 2007/120).

11. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende te dezen voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de navorderingsaanslag is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan.

12. De Inspecteur, die hier de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de bezwaartermijn, heeft in dit verband niet meer gesteld dan dat bij “penaanslagen” en bij uitspraken op bezwaar de dagtekening ervan overeenstemt met de datum van verzending. Dit is, aldus de Inspecteur, in lijn met een instructie die is gebaseerd op een toezegging van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer.

13. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur hiermee niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Een beschrijving van de algemene gang van zaken zegt immers onvoldoende over de vraag of in dit concrete geval het biljet van de navorderingsaanslag uiterlijk op de dag van de dagtekening ervan is verzonden.

14. Het eerst ter zitting gedane verzoek van de Inspecteur om hem in de gelegenheid te stellen alsnog nader bewijs te leveren op dit punt wordt door het Hof niet ingewilligd. In aanmerking genomen dat belanghebbende deze kwestie reeds in zijn hogerberoepschrift aan de orde heeft gesteld, moet worden geconcludeerd dat de Inspecteur ruim de gelegenheid heeft gehad daarop te reageren (hetgeen hij ook heeft gedaan). Alsdan verzet een goede procesorde zich naar het oordeel van het Hof ertegen dat de zaak wordt aangehouden.

15. Nu belanghebbende, naar hij heeft gesteld, aanstonds na ontvangst in januari 2004 van het biljet van de navorderingsaanslag handgeschreven een bezwaarschrift heeft opgesteld – hij zat in die periode gedetineerd in Vught - , moet het ervoor worden gehouden dat, nu het bezwaarschrift op 4 februari 2004 door de Inspecteur is ontvangen, tijdig is ingediend.

16. Belanghebbende klaagt voorts erover dat de Rechtbank niet bereid is geweest het onderzoek ter zitting op zijn verzoek uit te stellen. Bij die klacht heeft belanghebbende geen belang. Immers, nu de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en belanghebbende daarom heeft verzocht, zal het Hof de zaak terugwijzen naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. In dit verband verdient nog opmerking dat terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur niet aan de orde is, aangezien de Inspecteur het bezwaar inhoudelijk heeft behandeld en ongegrond heeft verklaard.

17. Ten slotte zij nog opgemerkt dat, indien een partij – zonder kennisgeving – niet ter zitting verschijnt, de Rechtbank dient na te gaan of de betreffende uitnodiging op regelmatige wijze tijdig op het betrokken adres is aangeboden. De enkele omstandigheid dat een aangetekend verzonden uitnodiging niet door de griffie van de Rechtbank is terugontvangen, rechtvaardigt – anders dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan – niet de conclusie dat de uitnodiging op regelmatige wijze tijdig is aangeboden.

18. Het hoger beroep van belanghebbende treft doel.

proceskosten:

Het Hof acht, nu daarop geen aanspraak is gemaakt, geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

beslissing:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de Rechtbank;

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor de procedure in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 106.

Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2009 door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. E.A.K.G. Ruys, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De voorzitter,

(R. den Ouden)

De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.