Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3790

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
21-003648-08
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In casu geen bewijsuitsluiting op grond van de uitspraken Salduz en Panovits van het EHRM ondanks verhoor van verdachte bij politie voordat verdachte bijstand had van een advocaat.

Rechtmatig gebruik van pepperspray. Geen strijd met Ambtsinstructie, geen sprake van miskenning van de eisen van proportionaliteit of subsidiariteit.

Beroep op overmacht wordt gehonoreerd. In redelijkheid kan niet worden uitgesloten dat verdachte ná en naar aannemelijk is dóór en in reactie op de aanwending van de pepperspray (nadat hij was aangehouden, tegen welke aanhouding hij zich verzette) korte tijd in een vorm van verminderd bewustzijn heeft verkeerd waarin hij zichzelf niet langer was en dat zulks voor hem niet voorzienbaar was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 40
Wetboek van Strafrecht 41
Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar
Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar 12a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003648-08

Uitspraak d.d.: 29 april 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Arnhem van 9 september 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1958,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 april 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr F.E.J. Janzing, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het komt tot een ontslag van alle rechstvervolging van verdachte ten aanzien van feit 3.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 november 2007, in de gemeente Groesbeek, al dan niet

opzettelijk, een bij het "Besluit beheer en schadebestrijding dieren"

aangewezen middel dat geschikt is voor het vangen van dieren, te weten een

mistnet, onder zich heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 1 november 2007, in de gemeente Groesbeek, al dan niet

opzettelijk, 6, althanseen aantal Putters (Carduelis pyrrhula), een Barmsijs

(Carduelis flammea), een vink (Fringilla coelebs), 13, althans een aantal

sijsjes (Carduelis spinus), en/of 1 Goudvink (Pyrrhulla pyrrhula) zijnde

dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse

diersoort, onder zich heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 november 2007 in de gemeente Groesbeek toen de aldaar

dienstdoende [X] verdachte op verdenking van het overtreden van

artikel 13 en/of 15 van de Flora en Faunawet, in elk geval op verdenking van

het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had

aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor

te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen

naar het bureau van politie, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening,

door opzettelijk gewelddadig te bewegen in de richting tegengesteld aan die

waarin voornoemde [X] hem wilde geleiden en/of door die [X] een

aantal malen met gebalde vuist tegen het hoofd te stompen en/of te slaan,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel

(hersenschudding en/of bloeduitstortingen aan het hoofd) bekwam;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 november 2007 in de gemeente Groesbeek, opzettelijk

mishandelend een ambtenaar, te weten [X], hoofdagent van politie,

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, een aantal malen met gebalde vuist(en) met kracht op/tegen het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Het bezigt onder meer de navolgende bewijsmiddelen:

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL082R/07-141293 (als bijlage p. 18 e.v. gevoegd bij proces-verbaal nr. PL082R/07-007608), opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie regiopolitie Gelderland-Zuid, en door hem gesloten en getekend op 1 november 2007, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [X]:

Ik doe aangifte van mishandeling. Door de dader werd op mij opzettelijk en met kracht geweld uitgeoefend. Dit geweld veroorzaakte pijn en letsel. Vandaag, 1 november 2007 bevond ik mij in uniform gekleed, op het terrein van de voormalige waterzuivering, gelegen aan de Cranenburgsestraat te Groesbeek. Op het terrein van de waterzuivering ontdekte ik een vogelvangplaats. Ik zag dat er een zogenaamd mistnet was opgesteld waarin twee vogels verstrikt zaten. Ook zag ik dat er een leeg vogelkooitje bij een kartonnen doos stond met op de achterzijde de geschreven tekst "[naam verdachte]". Ook hingen er bij het net een zestal kooitjes met daarin zogenaamde lokvogels. Op dat moment zag ik de mij bekende [verdachte], wonende aan de [adres], uit zijn achtertuin komen. Het was mij ambtshalve bekend dat [verdachte] in het wild levende vogels vangt. Ik zag dat [verdachte] vanuit zijn achtertuin rechtstreeks naar de vangplaats liep. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat hij aangehouden was terzake overtreding van de Flora- en Faunawet. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij niet wilde dat hij aangehouden werd. Ik heb meerdere malen (ik schat zelf een keer of tien) tegen [verdachte] gezegd dat hij was aangehouden en moest blijven staan en dat als hij niet bleef staan ik pepperspray zou gebruiken. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij naar huis zou gaan. Ik ben voor hem gaan staan en heb mijn linkerhand tegen zijn borst gedrukt ten einde hem te beletten door te lopen. Toen hij aanstalten maakte om ondanks mijn waarschuwingen weg te lopen, heb ik hem nogmaals met een hand tegen gehouden. Maar wederom bewoog de man zich in tegenovergestelde richting als waarin ik hem trachtte te geleiden. Met de andere hand heb ik mijn pepperspray gepakt en heb [verdachte] in zijn gezicht gespoten, nadat ik hem wederom gewaarschuwd had. Ik zag dat [verdachte] niet op de pepperspray reageerde door in elkaar te krimpen. Ik zag dat hij helemaal door het lint ging. Ik voelde en zag dat [verdachte] mij een aantal keren met gebalde vuisten kennelijk met kracht en opzettelijk op mijn hoofd en in mijn gezicht sloeg. Het waren harde klappen en ze deden veel pijn. Ik schat dat [verdachte] mij 15 a 20 keer geslagen heeft. De klappen waren zo hard dat ik buiten westen ging en op de grond viel. Ik ben enkele seconden buiten bewustzijn geweest.

Ik ben vervolgens naar de Spoedeisende Hulp van het Radboud ziekenhuis te Nijmegen gebracht en daar onderzocht door een arts. Hij constateerde dat ik door de klappen een lichte hersenschudding had opgelopen. Ik moet de komende nacht dan ook om de twee uur gewekt worden. Ook heb ik een behoorlijk aantal bloeduitstortingen op mijn hoofd. De builen zijn duidelijk voelbaar.

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL082R/07-141293 (als bijlage p. 45 e.v. gevoegd bij proces-verbaal nr. PL082R/07-007608), opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie regiopolitie Gelderland-Zuid, en door hem gesloten en getekend op 1 november 2007, voorzover inhoudende – zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

Vanmiddag liep ik met mijn kruiwagen vanaf mijn woning richting de

zuiveringsinstallatie. Ik had een mistnet (dat is een net om vogels te vangen) op het terrein van de zuivering staan. Toen hoorde ik dat de politieman naar mij riep: "[verdachte] staan blijven”. Volgens mij riep hij ook nog iets van dat ik aangehouden was. Vervolgens draaide ik mij om en liep met de kruiwagen voor mij in de richting van mijn huis. Ik hoorde dat hij mij nog een paar keer riep te blijven staan. Ik reageerde niet en liep gewoon door. Vervolgens voelde ik dat die politieman mij met een hand bij de revers van mijn stofjas vastpakte en daarbij riep dat ik moest blijven staan. Ik zei: “Ik ga naar huis”. Ik voelde dat hij mij vast bleef houden, maar dat hielp toch niet. Ik kon gewoon doorlopen. Ik voelde er eigenlijk weinig van dat hij mij vast hield. Toen hoorde ik dat de politieman tegen mij riep dat ik moest blijven staan, omdat hij anders pepperspray zou gebruiken. Ik negeerde hem en liep door. Ik hoorde dat hij mij nog een paar keer waarschuwde te blijven staan. Ondertussen waren we zeker 50 meter bij het mistnet vandaan en zag ik dat de politieman iets in zijn hand hield. Vervolgens riep hij weer dat ik moest blijven staan en als ik dat niet deed dat hij dan pepperspray zou gebruiken. Toen voelde en zag ik dat hij mij met spul in het gezicht spoot en dat moet dan de pepperspray zijn geweest. Zonder iets te zeggen sloeg ik de politieman met allebei mijn vuisten, dus links en recht tegen het hoofd. Ik zag dat de politieman met zijn armen zijn gezicht beschermde tegen de stompen. Ik heb hem wel 15 tot 20 keer vol tegen zijn hoofd gestopt, misschien heb ik ook wel zijn schouders geraakt, hij ging bijna direct tegen de grond. Zo snel achter elkaar sloeg ik.

Geen bewijsuitsluiting op grond van de uitspraken Salduz en Panovits van het EHRM

Bij de bewezenverklaring maakt het hof (dus ook) gebruik van de verklaringen van verdachte die zijn afgelegd op 1 en 2 november 2007. Met betrekking tot deze (bekennende) verklaringen van verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat zij niet voor het bewijs mogen worden gebezigd omdat deze verklaringen zouden zijn afgelegd voordat verdachte bijstand van een advocaat had ontvangen. Dat vloeit volgens de verdediging voort uit (de strekking van) de arresten van het Straatsburgse hof gewezen in de zaken Salduz en Panovits (Salduz: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 27-11-2008, LJN: BH0679LJN. Panovits: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 11-12-2008,

LJN: BH0680). De stelling van de verdediging komt erop neer dat geen van de verklaringen die zijn afgelegd voordat de verdachte op 2 november 2007 in de middag is bezocht door een raadsman op grond van voormelde jurisprudentie voor het bewijs gebezigd zou mogen worden.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. Naar het oordeel van het hof valt uit de uitspraken van het EHRM de conclusie die de verdediging trekt niet af te leiden. Uit de beide genoemde arresten leidt het hof niet af dat daarin categorisch is uitgemaakt dat het per sé zo moet zijn dat een verdachte, voorafgaand aan de van hem af te nemen verhoren (op straffe van bewijsuitsluiting van de resultaten daarvan) in de gelegenheid moet zijn geweest om zich omtrent zijn positie te laten adviseren of bij dat verhoor bijstand van een advocaat behoort te genieten. Uit de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal blijkt niet dat verdachte meteen al om die bijstand heeft gevraagd; evenmin volgt uit het dossier dat verdachte de reikwijdte van zijn bekentenissen niet heeft kunnen overzien of van andere omstandigheden (minderjarigheid , een slechte gedisponeerdheid of andere omstandigheden) die tot een ander oordeel zouden moeten leiden..

Ten overvloede merkt het hof op dat verdachte, zoals zowel uit hetgeen ter zitting van het hof is verklaard als bij de behandeling van de zaak door de politierechter volgt, de hiervoor onder de bewijsmiddelen opgenomen, door verdachte en verbalisant [X] beschreven gang van zaken op de wezenlijke onderdelen niet ontkent of herroept. Verdachte wilde huiswaarts en ging op weg naar zijn huis. Verbalisant wenste hem ter plaatse te houden en paste om dat laatste te bereiken pepperspray toe. Daarop volgde – dat is niet in discussie – het door verdachte tegen verbalisant aangewende geweld.

Rechtmatig gebruik van pepperspray

De verdediging maakt een punt van het feit dat verbalisant de pepperspray niet had mogen hanteren omdat (a) de Ambtsinstructie dat voor een geval als dit niet toestaat. Verdachte was (b) geen potentieel gevaarlijke verdachte en (c) het middel is niet toegevoegd aan de uitrusting van de politieambtenaar ter verzekering van opsporingsbelangen zoals het zeker stellen van mogelijk bewijsmateriaal dat verdachte (zo vult het hof aan) bij een gang naar huis tegen de zin van verbalisant zou kunnen wegmaken. Bovendien zou (d) – algemener – niet zijn voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verschillende letters (a tot en met d) dienen om verderop naar deze verschillende onderdelen van dit verweer te kunnen verwijzen.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat aan dit verweer en de verschillende aspecten daarvan door de verdediging in hoger beroep géén eenduidige conclusie is verbonden (in eerste aanleg was die conclusie er overigens wel: vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging). Omdat, waar het dit verweer betreft, belangrijke waarden in het geding zijn, zal het hof dit verweer in elk geval ook ambtshalve bezien.

Voorop gesteld wordt dat verdachte al was aangehouden voordat de pepperspray tegen hem werd gebruikt. Het gebruik van dat middel raakt dus de rechtmatigheid van de aanhouding niet.

Ad (a) en (b):

Art. 12a, eerste lid aanhef en onder b van de Ambtsinstructie houdt in:

“Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd:

(…)

b. om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;”.

Uit de tekst van de Ambtsinstructie volgt derhalve niet dat het gebruik van pepperspray in een geval als het onderhavige is verboden. Dat in die instructie wellicht niet meteen aan een zaak als deze wordt gedacht, maakte de toepassing van dat middel niet ontoelaatbaar of onrechtmatig. Dat de instructie het gebruik uitsluitend beperkt tot die gevallen waarin het gaat om de aanhouding (en het opbrengen) van potentieel gevaarlijke verdachten, kan niet uit art. 12a van de Ambtsinstuctie worden afgeleid. Van belang is in dit verband dat verbalisant alleen was, in het buitengebied en (daarom) niet op snelle bijstand kon rekenen, er sprake was van een heterdaad situatie en verbalisant een verdachte trof die zich na aanhouding niet wenste te voegen naar hetgeen hij, verbalisant geboden vond en mocht vinden.

Ad (c):

Dat verbalisant [X] de keuze maakte om verdachte ter plaatse te houden en niet naar huis wilde laten gaan (dat laatste om de reden dat hij daar ook voor verdachte belastend materiaal vermoedde) betekent naar het oordeel van het hof niet dat hij de pepperspray aldus aanwendde om mogelijk bewijsmateriaal veilig te stellen. Uit het relaas van [X] leidt het hof af dat de pepperspray primair is ingezet omdat de verdachte zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken.

Ad (d):

Het hof ziet geen reden om aan te nemen dat de inzet van de pepperspray is aangewend met miskenning van de eisen van proportionaliteit of subsidiariteit. Verbalisant [X] was alleen in het buitengebied en wenste verdachte aan te houden. Verdachte had hier geen zin in en wilde naar huis lopen. [X] heeft verdachte getracht tot tweemaal toe tegen te houden, maar verdachte liep gewoon door. Na diverse waarschuwingen heeft [X] de pepperspray gebruikt.

De slotsom is dat naar het oordeel van het hof het gebruik van de pepperspray rechtmatig is geweest en dat het verweer dienaangaande niet slaagt, in geen van de hiervoor besproken onderdelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op of omstreeks 1 november 2007, in de gemeente Groesbeek, al dan niet

opzettelijk, een bij het "Besluit beheer en schadebestrijding dieren"

aangewezen middel dat geschikt is voor het vangen van dieren, te weten een

mistnet, onder zich heeft gehad.

2.

hij op of omstreeks 1 november 2007, in de gemeente Groesbeek, al dan niet

opzettelijk, 6, althans een aantal Putters (Carduelis pyrrhula), een Barmsijs

(Carduelis flammea), een vink (Fringilla coelebs), 13, althans een aantal

sijsjes (Carduelis spinus), en/of 1 Goudvink (Pyrrhulla pyrrhula) zijnde

dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse

diersoort, onder zich heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 1 november 2007 in de gemeente Groesbeek toen de aldaar

dienstdoende [X] verdachte op verdenking van het overtreden van

artikel 13 en/of 15 van de Flora en Faunawet, in elk geval op verdenking van

het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had

aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor

te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen

naar het bureau van politie, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening,

door opzettelijk gewelddadig te bewegen in de richting tegengesteld aan die

waarin voornoemde [X] hem wilde geleiden en/of door die [X] een

aantal malen met gebalde vuist tegen het hoofd te stompen en/of te slaan,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel

(hersenschudding en/of bloeduitstortingen aan het hoofd) bekwam.

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 november 2007 in de gemeente Groesbeek, opzettelijk

mishandelend een ambtenaar, te weten [X], hoofdagent van politie,

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, een aantal malen met gebalde vuist(en) met kracht op/tegen het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Noodweer(exces)

Namens verdachte is betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.

Zoals overwogen onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs” is de verbalisant binnen de grenzen van de rechtmatige uitoefening van zijn functie gebleven. Er is derhalve geen sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding en dus ook niet van een noodweersituatie. Het hof verwerpt reeds op die grond zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op overmacht ten aanzien van feit 3

Het gebruik van de pepperspray zou een extreme en acute vorm van stress hebben veroorzaakt bij verdachte en daardoor een vernauwing van het bewustzijn. Verdachte is bovendien cara-patiënt waardoor de pepperspray een nog extremer effect had op verdachte. Het geweld van zijn kant zou daarin zijn verklaring vinden en dat zou overmacht opleveren.

Het hof overweegt als volgt. Pepperspray veroorzaakt volgens algemene informatie een acute ontstekingsreactie met als resultaat het sluiten van de ogen, kortademigheid en verlies van controle over de lichaamsmotoriek. Op zichzelf is aannemelijk dat cara-patiënten bij inhalering van de pepperspray meer dan een persoon die deze aandoening niet heeft last zal hebben van kortademigheid. Bedoeling van de inzet van de pepperspray is dat een verdachte na toepassing zonder weerstand kan worden ingerekend.

Het hof constateert dat de pepperspray een tegengesteld effect heeft gehad, namelijk verdachte heeft zich onverwachts agressief gedragen en verbalisant [X] mishandeld, zodanig dat deze daardoor zelfs even buiten bewustzijn is geweest. Zodra verbalisant was komen te vallen, heeft verdachte het geweld gestaakt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij na de pepperspray in zijn gezicht te hebben gekregen, benauwd werd en dat hij in blinde paniek heeft geslagen.

Het hof honoreert het beroep op overmacht. Daarbij tekent het hof aan dat verdachte volkomen verrast lijkt te zijn geweest door het effect dat aanwending van pepperspray op hem had, en dat verdachte als verklaring voor zijn agressief gedrag heeft aangegeven in paniek te zijn geraakt. De verdachte maakte hierin op het hof de indruk oprecht te zijn en heeft geen (eerdere) documentatie op het gebied van geweld, mishandeling of wederspanningheid. In redelijkheid kan niet worden uitgesloten dat verdachte ná en naar aannemelijk is dóór en in reactie op de aanwending van de pepperspray korte tijd in een vorm van verminderd bewustzijn heeft verkeerd waarin hij zichzelf niet langer was en dat zulks voor hem niet voorzienbaar was.

Het hof acht verdachte ten aanzien van feit 3 niet strafbaar en zal hem terzake dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 is verdachte strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Vordering tot schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij [X]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is, gelet op het ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 3, niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 57 en 180 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 13 en 15 van de Flora- en faunawet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 2 maanden, elke termijn groot EUR 200,00 (tweehonderd euro).

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de verdachte daarbij opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van EUR 50,00 (vijftig) per dag.

De vordering van de benadeelde partij [X]:

Verklaart de benadeelde partij, [X], in haar vordering niet ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr E.H. Schulten, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr D.R. Doorenbos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M. Vodegel-Irausquin, griffier,

en op 29 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Schulten en mr Doorenbos zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.