Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3534

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
24-002561-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 13 juni 2006 in de gemeente Zwolle - tijdens een ruzie tussen twee families, welke ruzie zich die avond op verschillende tijdstippen en locaties in Zwolle heeft afgespeeld - samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. Werkstraf 110 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002561-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-400210-06

Arrest van 11 mei 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot een straf.

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

In deze zaak is de officier van justitie in hoger beroep gekomen. Het door de officier van justitie ingediende appelschriftuur richt zich niet tegen de veroordeling ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Het hof zal toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is ingesteld ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is ter zake van het onder 1 ten laste gelegde op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 110 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover aan hoger beroep onderworpen - vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging conform de vordering van de advocaat-generaal is

- voor zover voor dit hoger beroep van belang - aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aande openbare weg, de[straat 1] en/of [straat 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) stompen en/of slaan en/of schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of de/het be(e)n(en) en/of de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of het tegen die [slachtoffer] roepen/zeggen; "kom uit die auto, dan maak ik je af";

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte:

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft het onder 1 primair ten laste gelegde ontkend. Verdachte heeft verklaard ruzie met [slachtoffer] te hebben gehad, maar hij heeft hem niet geraakt toen hij hem probeerde te slaan.

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde dat uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat hij - op het moment dat hij voor zijn woning aan de [straat 1] te [plaats] uit zijn auto wilde stappen - door verdachte en door medeverdachte [medeverdachte] is geschopt en geslagen. Getuige [getuige], bewoner van de [straat 1], heeft dit voorval gezien en heeft waargenomen dat bij de ruzie meerdere personen betrokken waren en dat een getinte jongeman die een mouwloos zwart T-shirt droeg, een hoofdrol speelde in deze ruzie en klappen en trappen gaf aan de bestuurder van de auto. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina 5 tot en met 12) blijkt dat [medeverdachte] ten tijde van zijn aanhouding - enkele minuten na dit voorval - een mouwloos zwart T-shirt droeg.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang met de verklaring van verdachte dat hij ruzie had met aangever en hem probeerde te slaan, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht jegens [slachtoffer] en zich daarmee tezamen met zijn medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer], zoals is ten laste gelegd onder 1 primair.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] met een ander, aan de openbare weg, de [straat 1] en/of [straat 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan op/tegen het hoofd en trappen tegen de benen en armen en het lichaam van die [slachtoffer] en het tegen die [slachtoffer] roepen/zeggen; "kom uit die auto, dan maak ik je af".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

feit 1 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] - tijdens een ruzie tussen twee families, welke ruzie zich die avond op verschillende tijdstippen en locaties in [plaats] heeft afgespeeld, samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer].

Verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun manier van handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is in het algemeen en in groepsverband in het bijzonder zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Bovendien kunnen de slachtoffers van dergelijk geweld daarvan nog langdurig psychische klachten ondervinden.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 juni 2008, waarruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook een geweldsdelict.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat een werkstraf van 110 uren een passende bestraffing is.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep heeft gehandhaafd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Blijkens de schriftelijke en ook namens de benadeelde partij mondeling ter terechtzitting gegeven toelichting, heeft de vordering tot schadevergoeding betrekking op materiële en immateriële schade ten gevolge van een mishandeling, waarbij [slachtoffer] ondermeer in zijn vingertop is gestoken met een mes. Nu ten laste van verdachte niet is bewezenverklaard dat hij [slachtoffer] met een mes in diens vinger heeft gestoken, is het hof van oordeel dat het causale verband tussen de schade die [slachtoffer] heeft geleden en het handelen van verdachte niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. Het hof bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22d, 22c (oud), 63 (oud) en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, voor zover onderworpen aan hoger beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtien uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenvijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Lahuis voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.