Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3508

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
24-002558-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 13 juni 2006 in de gemeente Zwolle - tijdens een ruzie tussen twee families, welke ruzie zich die avond op verschillende tijdstippen en locaties in Zwolle heeft afgespeeld - schuldig gemaakt aan bedreiging van vier leden van de andere familie. Voorts heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. Geen undue delay. Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een werkstraf van 110 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002558-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-400207-06

Arrest van 11 mei 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf van 140 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep conform de vordering van de advocaat-generaal, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat 1] en/of [straat 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht) stompen en/of slaan en/of schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of de/het be(e)n(en) en/of de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het tegen die [slachtoffer 1] roepen/zeggen; "kom uit die auto, dan maak ik je af";

subsidiair, zo het vorenstaande onder 1 niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte:

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]) meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in ieder geval éénmaal met een hoge snelheid en/of onverhoeds met zijn, verdachtes, auto inrijden op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of met een hoge snelheid naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met zijn, verdachtes, auto rijden zonder te stoppen en/of vaart te minderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid doordat die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tijdig opzij/weg is/zijn gesprongen;

althans, zo het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente][slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een hoge snelheid en/of onverhoeds met zijn, verdachtes, auto ingereden op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of met een hoge snelheid naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gereden, zonder te stoppen en/of zijn vaart te minderen;

3.

hij op of omstreeks 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met meerdere, althans één mes(sen), althans (een) met een mes(sen) vergelijkba(a)r(e) scherp(e) voorwerp(en) gezwaaid en/of gemaaid en/of snijdende en/of stekende bewegingen gemaakt naar en/of in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4], althans meerdere, althans één mes(sen), althans een met (een) mes(sen) vergelijkba(a)r(e) scherp(e) voorwerp(en) getoond aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of (daarbij) die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je doodsteken en/of ik vermoord jullie allemaal en/of ik maak je dood".

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard dat hij zich in een voor hem zeer bedreigende situatie bevond en daarom met hoge snelheid is weggereden. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt eveneens dat verdachte met veel gas wegreed. Nu [getuige 1] niet heeft verklaard dat verdachte in de richting van aangevers is gereden, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had om [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] letsel toe te brengen of hen te bedreigen door met zijn auto in hun richting te rijden.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet bewezen hetgeen onder 2 primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft het onder 1 primair en subsidiair en onder 3 ten laste gelegde ontkend. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, heeft verdachte verklaard dat hij weliswaar aanwezig is geweest bij een ruzie tussen aangever [slachtoffer 1] en [medeverdachte], maar geen geweld jegens aangever heeft gebruikt en slechts tussen beide is gekomen teneinde de vechtende partijen te scheiden.

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde bedreiging, heeft verdachte verklaard dat hij een mes in zijn handen had, omdat hij dit had afgepakt van iemand anders en niet omdat hij iemand met het mes wilde bedreigen.

De raadsvouw heeft bepleit verdachte van deze feiten vrij te spreken. Volgens de raadsvrouw ontbreekt ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte enige geweldshandeling heeft verricht en ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde zijn de voor verdachte belastende verklaringen te tegenstrijdig om betrouwbaar te kunnen zijn.

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat hij - op het moment dat hij voor zijn woning aan de [straat 1] te [gemeente] uit zijn auto wilde stappen - door medeverdachte [medeverdachte] en verdachte is geschopt en geslagen. Getuige [getuige 1], bewoner van de [straat 1], heeft dit voorval gezien en heeft waargenomen dat meerdere personen betrokken waren bij de ruzie, dat een getinte jongeman die een mouwloos zwart T-shirt droeg, een hoofdrol speelde in deze ruzie en klappen en trappen gaf aan de bestuurder van de auto.

Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina 5 tot en met 12) blijkt dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding - enkele minuten na dit voorval - een mouwloos zwart T-shirt droeg.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht jegens [slachtoffer 1] en zich daarmee tezamen met zijn medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1], zoals is ten laste gelegd onder 1 primair.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, heeft aangever [slachtoffer 4] verklaard dat hij zag dat [medeverdachte] een mes in zijn handen had terwijl [medeverdachte] door [getuige 2] werd vastgehouden. Daarbij uitte [medeverdachte] verbale bedreigingen. Ook zag [slachtoffer 4] dat verdachte op dat moment met een groot mes in de richting liep van aangever, diens vader [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [getuige 2]. Daarbij zwaaide verdachte met het mes en uitte hij doodsbedreigingen.

Voornoemde verklaring van [slachtoffer 4] vindt steun in de verklaring van [medeverdachte], die heeft bekend dat hij een mes in zijn handen had. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 4] steun in de verklaring van de eerdergenoemde getuige [getuige 1]. [getuige 1] heeft verklaard dat - na het onder 1 ten laste gelegde incident - een man met twee messen aan kwam lopen. Deze man zwaaide met de messen. Eén van de messen leek op een spies. [getuige 1] betreft deze man dezelfde man die even daarvoor hard met zijn auto is weggereden. Nu verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die even daarvoor hard met zijn auto was weggereden en voorts dat hij in het bijzijn van aangevers een mes in handen heeft gehad, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde bedreiging.

De verklaring van verdachte dat hij het mes slechts in zijn handen had, omdat hij dit van iemand anders had afgepakt en niet omdat hij hiermee wilde dreigen, vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen en wordt door het hof binnen de context van de gebeurtenissen op die bewuste avond niet aannemelijk geacht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 primair en 3 heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] met een ander, aan de openbare weg, de [straat 1] en/of [straat 2], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan op/tegen het hoofd en trappen tegen de benen en armen en het lichaam van die [slachtoffer 1] en het tegen die [slachtoffer 1] roepen/zeggen; "kom uit die auto, dan maak ik je af";

3.

hij op 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend met één mes gezwaaid naar die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], en daarbij die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 4] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je doodsteken en/of ik vermoord jullie allemaal en/of ik maak je dood".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 3: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 13 juni 2006 in de gemeente [gemeente] - tijdens een ruzie tussen twee families, welke ruzie zich die avond op verschillende tijdstippen en locaties in [gemeente] heeft afgespeeld - schuldig gemaakt aan bedreiging van vier leden van de andere familie. Voorts heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1].

Verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun manier van handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is in het algemeen en in groepsverband in het bijzonder zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Bovendien kunnen de slachtoffers van dergelijk geweld daarvan nog langdurig psychische klachten ondervinden.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De raadsvrouw heeft bepleit dat gelet op de totale duur van de procedure sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zodat de eventueel aan verdachte op te leggen straf gematigd dient te worden.

Het hof stelt vast dat in de procedure in eerste aanleg - na de inverzekeringstelling van verdachte op 14 juni 2006 - door de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad vonnis is gewezen op 5 oktober 2007, derhalve ruim binnen de redelijke termijn van twee jaren. Voorts is in de procedure in hoger beroep het dossier binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof ontvangen. Binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep d.d. 18 oktober 2007 is dit arrest van 11 mei 2009 gewezen.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358 is in de afzonderlijke fasen van de procedure geen sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn. Door de raadsman is niet onderbouwd dat in casu sprake is van een zodanig bijzonder geval dat aangenomen moet worden dat gelet op de totale duur van de procedure een inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM. Het hof zal de op te leggen straf derhalve niet matigen zoals door de raadsvrouw is aangevoerd.

Het hof is van oordeel dat in beginsel een vrijheidsstraf op zijn plaats is op grond van het voorgaande. Het hof zal deze straf voorwaardelijk opleggen om aldus te trachten recidive te voorkomen. Het hof acht de kans op recidive aanwezig nu verdachte nog steeds in [woonplaats] woont in nabijheid van de familie waarmee hij ruzie heeft. Daarnaast zal het hof een werkstraf van 110 uren opleggen. Deze straf is, gelet op de vrijspraak van het ten laste gelegde onder 2, lager dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep heeft gehandhaafd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Blijkens de schriftelijke en ook namens de benadeelde partij mondeling ter terechtzitting gegeven toelichting heeft de vordering tot schadevergoeding betrekking op materiële en immateriële schade ten gevolge van een mishandeling, waarbij [slachtoffer 1] ondermeer in zijn vingertop is gestoken met een mes. Nu ten laste van verdachte niet is bewezenverklaard dat hij [slachtoffer 1] met een mes in diens vinger heeft gestoken, is het hof van oordeel dat het causale verband tussen de schade die [slachtoffer 1] heeft geleden en het handelen van verdachte niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. Het hof bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 47, 57 (oud), 141 en 285 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtien uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenvijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Lahuis voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.