Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3340

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
200.013.698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Man stelt dat de woning niet in de gemeenschap valt en dat er niet 50/50 moet worden verdeeld, art 1:100 en 6:2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/147 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.013.698

beschikking van de familiekamer van 7 april 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven,

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. N.P. Gelling.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2007 en 5 juni 2008, uitgesproken onder zaaknummer / rekestnummer 155408 ES RK 07-338 en 158155 / VD RK 07-2090.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 september 2008, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 5 juni 2008. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- de vrouw met het oog op de verdeling en de verrekening van de diverse vermogensbestanddelen genoemd onder alinea 18 van zijn beroepschrift te gelasten een volledig inzicht te geven in de waarden daarvan per 1 april 2007;

- de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen, zodanig dat toescheiding van de woning aan de [adres] aan de man plaatsvindt, zonder verrekening conform het gestelde in voormelde alinea 18;

- de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen met inachtneming en verrekening conform het daartoe gestelde in voormelde alinea 18 en voor wat betreft de van deze goederengemeenschap deel uitmakende woning, deze aan de man toe te scheiden met verrekening met een bedrag gelijk aan de helft van de waardevermeerdering die deze heeft ondergaan in de periode van 30 september 2005 (datum huwelijk) tot oktober 2007 (datum ontbinding huwelijk) ten gunste van de vrouw, dan wel met verrekening ten gunste van de vrouw met een bedrag dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 oktober 2007, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel dat beroep te verwerpen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties (onderdeel I van het petitum van de vrouw) en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking op de daarin beschreven onderdelen te vernietigen dan wel aan te vullen en, opnieuw beschikkende, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

II

A. een deskundige (NVM-makelaar) te benoemen, die de onderhandse verkoopwaarde van de woning gaat vaststellen;

indien de man financieel in staat blijkt om de vrouw uit te kopen:

B1. de woning aan het adres [adres] aan de man toe te scheiden, onder de voorwaarde dat de hypotheekverstrekker bereid is de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en mits de man bereid en in staat is om de vrouw de helft van de overwaarde (zijnde de door de deskundige te bepalen onderhandse verkoopwaarde van de woning minus de aan de woning verbonden hypothecaire lening) te betalen, welk bedrag uiterlijk bij de levering van de woning aan de vrouw dient te worden voldaan, zulks onder de bepaling dat een en ander binnen twee weken na de te wijzen beschikking geëffectueerd dient te zijn;

indien de man financieel niet in staat blijkt om de vrouw uit te kopen:

B2. de man te veroordelen om binnen een week na het wijzen van de beschikking mee te werken aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan een NVM-makelaar en mee te werken aan de verkoop en levering van de onroerende zaak aan het adres [adres] aan een verkopende derde tegen een in overleg met de makelaar vast te stellen verkoopprijs en alles te doen wat daarvoor notarieel, maar overigens ook gebruikelijk en noodzakelijk is, met dien verstande dat de verkoop en levering plaatsvinden op een termijn en tijdstip dat door de kopers van de woning wordt bepaald;

alsmede te bepalen dat zodra de woning aan een derde wordt verkocht, partijen de verkoop-opbrengst van de woning, na aftrek van de hypothecaire schuld en makelaars- c.q. notariskosten, gelijkelijk zullen delen;

en in alle gevallen

C. te bepalen dat, indien de man hiermee in gebreke blijft hij een dwangsom van € 500,- per dag verbeurt;

D. aan de man toe te delen de navolgende rekeningen en polissen:

- Allianz Lijfrentepolis met nummer [...];

- rekening bij de SNS Bank met nummer [...];

- internetspaarrekening met nummer [...];

- girorekening met rekeningnummer [...];

aan de vrouw toe te delen de navolgende rekeningen en polissen:

- beleggingspolis Centraal Beheer / Achmea met nummer [...];

- kwartaal kredietrekening bij de Postbank met nummer [...];

- girorekening met nummer [...] met de daaraan gekoppelde bonusrekening (=bonusrenterekening PDF-sparen met nummer [...]);

- girorekening met nummer [...] met de daaraan gekoppelde bonusrekening;

- girorekening met nummer [...];

alsmede de man te veroordelen om terzake de verdeling van voornoemde vermogensbestanddelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 12.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de peildatum tot de dag van algehele betaling;

en voor het overige:

de bestreden beschikking -al dan niet onder aanvulling van de gronden- te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 5 december 2008, waarin hij het hof verzoekt de incidentele grieven te verwerpen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. G.J.M. Gussenhoven, advocaat te Veenendaal, en de vrouw bijgestaan door mr. N.P. Gelling, eveneens advocaat te Veenendaal.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een door mr. Gussenhoven tijdens de mondelinge behandeling overgelegd transactieoverzicht van de en/of rekening van partijen bij de SNS Bank van de maand april 2007 bestaande uit één pagina.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 30 september 2005 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De man was op dat moment eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna verder te noemen: de woning), waarin partijen tijdens het huwelijk hebben gewoond.

3.2 De vrouw heeft op 1 april 2007 de woning verlaten.

3.3 Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2007 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 november 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van partijen met betrekking tot de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen aangehouden.

3.4 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank vervolgens de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande door de echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gelast overeenkomstig hetgeen de rechtbank in die beschikking onder punt 3 tot en met 7 heeft overwogen.

4. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1 In hoger beroep is nog in geschil de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling ten aanzien van de woning en de (bank)rekeningen, polissen en kredietrekeningen. Het hof zal deze onderdelen hierna afzonderlijk bespreken.

4.2 Ter mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over de verdeling van de (bank)rekeningen, polissen en kredietrekeningen overeenkomstig de door de vrouw overgelegde vermogensverdelingsstaat (productie 6 bij het verweerschrift in hoger beroep tevens houdend incidenteel hoger beroep). Partijen zijn verder overeengekomen dat de man in verband met deze verdeling aan de vrouw vóór 31 mei 2009 een bedrag van € 4.086,- moet betalen. Het hof zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen en de beschikking van de rechtbank op dit punt vernietigen

4.3 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de woning in de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap valt en met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij helfte moet worden verdeeld, dat de man niet in staat is toedeling aan hem te financieren, dat het verzoek van de vrouw een deskundige te benoemen om de waarde van de woning te bepalen moet worden afgewezen en overigens volstaan met het oordeel dat de woning verkocht dient te worden. Tegen dit oordeel heeft de man een drietal grieven gericht die er kort gezegd op neerkomen dat ten onrechte is bepaald dat de woning in de gemeenschap van goederen valt en dat de overwaarde bij helfte moet worden verdeeld. De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep als grief aangevoerd dat de rechtbank haar beslissing ten aanzien van de verdeling van de woning niet nader heeft geconcretiseerd, zodat deze niet executeerbaar is.

4.4 Bij de beoordeling van de grieven van de man wordt vooropgesteld dat partijen noch vóór noch tijdens hun huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, zodat van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk tussen hen een gemeenschap van goederen heeft bestaan die alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten en alle schulden bevat. Dit betekent dat de woning en de hypothecaire geldleningen in de gemeenschap zijn gevallen. Gesteld noch gebleken is dat aan de verkrijging van de woning door de man een uitsluitingclausule is verbonden of dat de woning op enigerlei bijzondere wijze aan de man verknocht is, zodat er geen sprake is van een van de wettelijke uitzonderingen op de regel dat de woning in de gemeenschap valt. De door de man gestelde omstandigheden dat er tijdens het huwelijk tussen partijen nauwelijks enige (financiële) lotsverbondenheid heeft bestaan, dat de vrouw voor het aangaan van het huwelijk de man er diverse malen op heeft gewezen dat zij in de toekomst nooit aanspraak zou maken op de helft van de waarde van de woning, waardoor het uitzonderlijk schrijnend is dat zij alsnog de helft van de waarde zou krijgen, kunnen evenmin leiden tot een afwijking van deze regel. Deze omstandigheden betreffen geen wettelijke uitzondering op de regel. Voor een afwijking van de regel op grond van de redelijkheid en billijkheid, gegeven de door de man gestelde omstandigheden, is ten aanzien van boedelmenging geen plaats.

4.5 Nu niet is gebleken van enige andersluidende afspraak bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant, hebben partijen op grond van artikel 1:100 BW een gelijk aandeel in de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap, die zij bij helfte moeten verdelen. Een afwijking van deze regel is weliswaar niet uitgesloten, maar kan niet dan in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, zodanig dat onverkorte toepassing van de regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.6 In dit verband moet acht worden geslagen op de onder 4.4 beschreven door de man gestelde omstandigheden dat er tijdens het huwelijk tussen partijen nauwelijks enige financiële en emotionele lotsverbondenheid heeft bestaan, dat de vrouw voor het aangaan van het huwelijk de man er diverse malen op heeft gewezen dat zij in de toekomst nooit aanspraak zou maken op de helft van de waarde van de woning, waardoor het uitzonderlijk schrijnend is dat zij alsnog de helft van de waarde van de woning zou krijgen. Verder heeft de man in dit verband nog het volgende aangevoerd. Ieder van partijen betaalde de op zichzelf betrekking hebbende kosten. Daarnaast betaalde de man de woonlasten van de woning. De vrouw had met het huwelijk geen goede bedoelingen. Zij heeft bij het aangaan van het huwelijk niets ingebracht; de man beschikte over spaargeld en een woning met overwaarde die al jarenlang zijn eigendom was. Het huwelijk heeft maar kort geduurd. Er zijn geen kinderen uit het huwelijk geboren. Het huwelijk was geen normaal huwelijk. De vrouw heeft financieel gezien door het huwelijk geen schade geleden, omdat zij voor het huwelijk in een huurhuis woonde en geen onderhoudsbijdrage van een voormalige echtgenoot ontving. Bij een verdeling bij helfte moet de woning worden verkocht, omdat de man de uitkoop van de vrouw niet kan financieren. De man is gelet op zijn leeftijd en de WAO-uitkering die hij ontvangt niet in staat een vergelijkbare woning te kopen of te huren.

De vrouw heeft de stellingen van de man op het merendeel van deze punten gemotiveerd betwist.

4.7 Een rechtvaardiging voor een afwijking kan, ook in het onderhavige geval, niet worden gevonden in de omvang van het door partijen ten huwelijk aangebrachte vermogen (HR 27 juni 2003, NJ 2003, 524) en evenmin in de duur van het huwelijk, de manier waarop de man het huwelijk kennelijk heeft ervaren, het ontbreken van emotionele lotsverbondenheid en de omstandigheid dat er geen kinderen zijn geboren uit dit huwelijk. Geen van deze omstandigheden kan als zodanig (zeer) uitzonderlijk worden aangemerkt, dat toepassing van de hoofdregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.8 Dat geldt ook voor de stellingen van de man over het ontbreken van financiële lotsverbondenheid. De man betaalde alle schulden en kosten die hij maakte, de vrouw op haar beurt alle schulden en kosten die zij maakte, ieder telkens uit de van zijn respectievelijk haar zijde in de gemeenschap gevallen inkomsten. De man voldeed uit zijn inkomen de kosten voor de woning en daarmee ook de woonkosten van de vrouw. Door het bestaan van de gemeenschap van goederen werden al deze schulden en kosten, door wie ook betaald, per saldo uiteindelijk door partijen samen gedragen. Door hun handelwijze weken partijen niet af van de in artikel 1:84 BW opgenomen regeling over de betaling en de draagplicht van de kosten van de huishouding. Indien al gezegd kan worden dat financiële lotsverbondenheid tussen partijen ontbrak, doordat zij in financieel opzicht onafhankelijk van elkaar optraden, kan dat niet worden aangemerkt als (zeer) uitzonderlijk.

4.9 Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man zijn stelling dat de vrouw kennelijk geen goede bedoelingen met het huwelijk had naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan. Daarbij overweegt het hof dat ook deze gestelde omstandigheid, zo al juist, niet als (zeer) uitzonderlijk heeft te gelden.

4.10 Ook indien zou komen vast te staan dat de vrouw de man er voor het aangaan van het huwelijk diverse malen op heeft gewezen dat zij in de toekomst nooit aanspraak zou maken op de helft van de waarde van de woning, kan dat in het onderhavige geval en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet leiden tot afwijking van een verdeling bij helfte. Partijen kunnen voor het huwelijk bindende afspraken op dat punt slechts maken bij huwelijkse voorwaarden die op straffe van nietigheid bij notariële akte moeten worden aangegaan. Notariële tussenkomst is hier voorgeschreven tot bescherming van partijen bij het maken van afspraken over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk. De man en de vrouw hebben afgezien van het maken van huwelijkse voorwaarden en daarmee het ontstaan van een gemeenschap van goederen aanvaard met alle daaraan verbonden gevolgen, inclusief de verplichting tot een verdeling bij helfte bij een echtscheiding. De man moet geacht worden bekend te zijn met de consequenties van zijn huwelijk in gemeenschap van goederen. Hij is eerder in gemeenschap van goederen gehuwd geweest en heeft met zijn eerste echtgenote bij hun echtscheiding al eerder de woning aan de [adres] verdeeld en aan haar destijds de helft van de overwaarde van de woning betaald.

4.11 Ten slotte is naar het oordeel van het hof ook de omstandigheid dat de man de toedeling van de woning niet kan financieren, zodat de woning moet worden verkocht, niet (zeer) uitzonderlijk. Daaraan doet niet af dat de man niet is staat zal zijn een met de woning vergelijkbare woning te kopen of te huren. Het is bij een echtscheiding niet ongebruikelijk dat geen van partijen financieel in staat is de echtelijke woning over te nemen, zodat verkoop noodzakelijk is. Veelal zal het voor geen van beide partijen financieel mogelijk zijn na de scheiding een vergelijkbare woning te kopen of te huren. Daarmee is niet gegeven dat de man niet meer in staat zal zijn voor hem geschikte woonruimte te vinden. Dat laatste is overigens ook niet gesteld.

4.12 Het hof concludeert gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 - 4.11 is overwogen dat al deze omstandigheden, ook al zouden deze komen vast te staan, noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang zo uitzonderlijk zijn dat toepassing van de regel dat verdeling bij helfte dient te geschieden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.13 Nu de grieven van de man falen, zal het hof bepalen dat de woning moet worden verkocht en de netto-opbrengst daarvan bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld, tenzij de man alsnog in staat blijkt toedeling aan zichzelf te financieren. De vrouw heeft belang bij een beslissing die ten uitvoer kan worden gelegd. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de woning geen ondubbelzinnige beslissing bevat en daarom niet voor executie vatbaar is. Het hof zal dit herstellen en het verzoek van de vrouw zoals gedaan onder 2.2 IIA, B1 en B2 hierboven met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de bestreden beschikking heeft overwogen en onder nadere bepaling van de termijnen binnen welke de verdeling moet worden geëffectueerd toewijzen. Het hof zal ook het onder 2.2.IIC opgenomen verzoek van de vrouw inzake de dwangsom toewijzen, nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de huwelijksgemeenschap betreft.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 5 juni 2008, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

deelt toe aan de man:

- Allianz Lijfrentepolis met nummer [...];

- rekening bij de SNS Bank met nummer [...];

- internetspaarrekening met nummer [...];

- een girorekening bij de Postbank met rekeningnummer [...];

deelt toe aan de vrouw:

- beleggingspolis Centraal Beheer / Achmea met nummer [...];

- kwartaal kredietrekening bij de Postbank met nummer [...];

- een girorekening bij de Postbank met nummer [...] met de daaraan gekoppelde bonusrekening (=bonusrenterekening PDF-sparen met nummer [...]);

- een girorekening bij de Postbank met nummer [...] met de daaraan gekoppelde bonusrekening;

- een girorekening bij de Postbank met nummer [...];

bepaalt dat de man aan de vrouw in verband met deze verdeling uiterlijk op 31 mei 2009 een bedrag van € 4.086,- moet betalen;

veroordeelt de man binnen een week na het wijzen van de beschikking mee te werken aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan een NVM-makelaar en mee te werken aan de verkoop en levering van de onroerende zaak aan het adres [adres] aan een verkopende derde tegen een in overleg met de makelaar vast te stellen verkoopprijs en alles te doen wat daarvoor notarieel, maar overigens ook gebruikelijk en noodzakelijk is, met dien verstande dat de verkoop en levering plaatsvinden op een termijn en tijdstip dat door de kopers van de woning wordt bepaald;

bepaalt dat zodra de woning aan een derde is verkocht en geleverd, partijen de verkoopopbrengst van de woning, na aftrek van de hypothecaire schulden en makelaars- en notariskosten, gelijkelijk zullen delen;

gelast partijen in plaats van verkoop en levering aan een derde alsnog over te gaan tot toedeling van de woning aan de man en uitvoering daarvan bij notariële akte, indien de man zich binnen twee weken nadat de makelaar de verkoopprijs heeft vastgesteld schriftelijk bereid verklaart aan de vrouw de helft van de overwaarde (zijnde de door de makelaar vastgestelde verkoopprijs minus de aan de woning verbonden hypothecaire lening) te betalen en de hypotheekverstrekker bereid blijkt de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, waarbij de notariële levering en de betaling van de overbedelingsvordering dienen te geschieden binnen vier weken nadat is gebleken dat aan de voorwaarden voor toedeling aan de man is voldaan;

bepaalt dat de man, indien hij hiermee in verzuim is, ten behoeve van de vrouw een dwangsom van € 500,- per dag verbeurt;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A.E.F. Hillen en M.F.J.N. van Osch, bijgestaan door van W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 7 april 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.