Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI3302

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
07-00609
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM0456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OZB.

Ontheffing van maximering van de tariefstijging is rechtsgeldig verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/903 met annotatie van Redactie
V-N 2009/32.26 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00609

Uitspraakdatum: 21 april 2009

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 13 december 2007, nummer AWB 06/4281, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Beuningen (hierna: de ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een, met andere op één biljet verenigde, aanslag in de onroerendezaakbelasting opgelegd voor het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak plaatselijk bekend a-straat 1 ten bedrage van € 287.

1.2. Het bezwaar van belanghebbende is bij uitspraak van de heffingsambtenaar van 8 mei 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Op het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar heeft de Rechtbank de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit …

1.5. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift in hoger beroep, waarbij incidenteel hoger beroep is ingesteld, de daarin genoemde bijlagen alsmede de conclusies van re en dupliek.

1.6. Bij het onderzoek ter zitting op 18 februari 2009 te Arnhem, waar gelijktijdig de hoger beroe-pen zijn behandeld die bij het Hof bekend zijn onder de nummers 07/00607 tot en met 07/00612, zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de heffingsambtenaar.

1.7. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. De notities van het pleidooi dat belanghebbende ter zitting heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was bij het begin van het jaar 2006 genothebbende van de woning a-straat 1 te Z.

2.2. Met ingang van op 1 januari 2006 is artikel 220f van de Gemeentewet zodanig gewijzigd dat de tarieven voor de onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) en de eventuele verhoging daar-van aan maxima zijn gebonden. Met ontheffing van gedeputeerde staten van de provincie kan de raad van een gemeente op grond van artikel 220g van de Gemeentewet (tekst-2006) een hoger tarief vaststellen. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de Wet van 22 december 2005 (Afschaf-fing gebruikersdeel OZB op woningen), Staatsblad 725, uitgegeven 29 december 2005.

2.3. Artikel 220g van de Gemeentewet luidt met ingang van 1 januari 2006 als volgt:

1. De raad kan hogere tarieven vaststellen dan is toegestaan op grond van artikel 220f als dat nodig is om te voorkomen dat de begroting voor het eerstvolgende jaar niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 190, niet aannemelijk is dat in de eerstvol-gende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht.

2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking dan nadat gedeputeerde sta-ten ontheffing hebben verleend van de maximumtarieven, genoemd in artikel 220f, eerste lid, of zoals die zijn gewijzigd op grond van artikel 220f, vijfde lid, of van het maximum voor de tariefstijging, bedoeld in artikel 220f, derde lid.

3. Het college zendt het besluit samen met de begroting aan gedeputeerde staten.

4. De ontheffing kan slechts worden geweigerd omdat

a. het besluit naar het oordeel van gedeputeerde staten niet voldoet aan het criterium, ge-noemd in het eerste lid;

b. het besluit niet binnen de termijn, genoemd in artikel 191, tweede lid, aan gedeputeerde staten is gezonden.

5. De ontheffing wordt verleend voor het eerstvolgende kalenderjaar. Voor het jaar na het ka-lenderjaar waarvoor de ontheffing is verleend, gelden de tarieven zoals die in het jaar van ont-heffing op grond van artikel 220f zonder de verleende ontheffing maximaal waren toegestaan, onverminderd de bevoegdheid die tarieven binnen de grenzen van artikel 220f opnieuw te verhogen en opnieuw een ontheffing aan te vragen als bedoeld in het tweede lid.

6. De ontheffing wordt geacht te zijn geweigerd als gedeputeerde staten niet voor 16 decem-ber van het jaar, voorafgaand aan het eerste jaar waarvoor ontheffing wordt gevraagd, een be-slissing aan de raad bekend hebben gemaakt.

7. Indien op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet aan de gemeente een aan-vullende uitkering wordt verleend, kunnen bij dit besluit tevens hogere maximumtarieven worden vastgesteld. In dat geval is het tweede tot en met zesde lid niet van toepassing.

2.4. Eveneens met ingang van 1 januari 2006 is bij ARTIKEL XXXa, onderdeel C, van de Wet van 15 december 2005 (Belastingplan 2006), Staatsblad 683, uitgegeven 27 december 2005, de onder ?2.2 genoemde wet gewijzigd als volgt:

Na artikel IV wordt artikel IVa (nieuw) ingevoegd, luidende:

Artikel IVa

Ingeval de gemeenteraad ten behoeve van het kalenderjaar 2006 een besluit neemt, als be-doeld in artikel 220g van de Gemeentewet, zoals dat artikel komt te luiden ingevolge artikel I, of gedeputeerde staten een besluit nemen omtrent ontheffing, worden die besluiten geacht te zijn genomen op basis van dat artikel zoals dat luidt na wijziging van de Gemeentewet inge-volge deze wet.

2.5. Bij raadsbesluit van 8 november 2005 is de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2006 van de gemeente Beuningen vastgesteld. Van die Verordening luiden, voor zover hier van belang, de artikelen 5, lid 1, en 9:

Artikel 5 Belastingtarieven

1. Het tarief van de belasting is voor elke volle € 2 268,– van de heffingsmaatstaf

a. bij de gebruikersbelasting

1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen € 2,26

2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen € 4,41

b. bij de eigenarenbelasting

1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen € 2,83

2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen € 5,51

Artikel 9 Overgangsbepaling in verband met wetsvoorstel afschaffing OZB-gebruik wonin-gen (Kamerstukken 30096)

Indien de wijziging van de Gemeentewet in verband met het afschaffen van het gebruikers-deel van de onroerende-zaakbelasting (OZB) op woningen en het maximeren van de resteren-de OZB-tarieven (wetsvoorstel 30096) met ingang van 1 januari 2006 van kracht wordt en in-dien aan deze wettelijke regeling ten tijde van de aanslagoplegging door een rechterlijke uit-spraak niet de verbindende kracht is ontzegd, worden in deze verordening de volgende wijzi-gingen aangebracht:

(…)

d. Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

1. Het tarief van de belasting is voor elke volle € 2 500,- van de heffingsmaatstaf

a. bij de gebruikersbelasting € 4,–

b. bij de eigenarenbelasting

1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen € 2,57

2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen € 5,–

2.6. Bij die Verordening heeft de gemeenteraad de tarieven voor de onroerendezaakbelastingen 6% hoger vastgesteld dan is toegestaan op grond van artikel 220f, derde lid, van de Gemeente-wet, zoals die bepaling zou komen te luiden met ingang van 1 januari 2006.

2.7. Bij brief van 15 november 2005 (in kopie overgelegd als zesde bijlage van het verweer-schrift in eerste aanleg) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen (hierna: het college) aan gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (GS) ont-heffing gevraagd voor de tariefstijging van de OZB voor het kalenderjaar 2006, zoals bedoeld in artikel 220g van de Gemeentewet, zoals die bepaling per 1 januari 2006 zou komen te luiden.

2.8. De besluitenlijst van GS van 13 december 2005, die als productie 3 van het aanvullende beroepschrift in eerste aanleg in kopie is overgelegd, vermeldt onder nummer 62, ‘commissori-aal’ 2005-014094:

Onderwerp Gemeente Nijmegen en Beuningen: verzoek om ontheffing maximale OZB-stijging.

Advies dienst 1. De gemeenten Nijmegen en Beuningen berichten dat op dit moment onthef-fing niet opportuun is.

2. De tekst van de brief waarin dit wordt meegedeeld afstemmen met het mi-nisterie van BZK en de overige provincies.

Beslissing: Conform advies.

2.9. Bij brief met dagtekening 13 december 2005 en verzenddatum 20 december 2005 hebben GS onder zaaknummer 2005-014094 aan de raad van de gemeente Beuningen bericht als volgt:

Naar aanleiding van uw verzoek ex artikel 220g, van de Gemeentewet, om ontheffing te ver-lenen van de maximumtarieven c.q. van het maximum voor tariefstijging, delen wij u het vol-gende mede.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet, waarin deze ontheffing is geregeld, voorziet in het met terugwerkende kracht bevoegd verklaren van ons college om deze onthef-fing te verlenen.

In het bestuurlijk overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 december 2005 is over de ontheffingssystematiek gesproken. De minister kan zich vinden in de door de provincies te hanteren lijn dat alle gemeenten, die voor 2006 ontheffing hebben aangevraagd, deze ontheffing – gezien de korte beslistermijn – ook verleend krijgen.

Bij dezen verlenen wij u dan ook de door uw gemeente voor het jaar 2006 gevraagde onthef-fing.

De achtergronden bij de ontheffingen voor 2006, die door voornoemd ministerie zullen wor-den geïnventariseerd, zullen bepalend zijn voor de wijze waarop in de toekomst met de ont-heffingssystematiek kan worden omgegaan.

De brief vermeldt als contactpersoon ‘dhr. H.W. Schuurman’, het e-mail-adres ‘h.w.schuurman@prv.gelderland.nl’ alsmede de rechtsmiddelclausule dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag waarop het besluit is verzonden hiertegen beroep kunnen instellen bij de rechtbank Arnhem.

2.10. Op 10 november 2006 heeft H.W. Schuurman, beleidsmedewerker Gemeentefinanciën van de provincie Gelderland, schriftelijk verklaard:

Bij besluit van 13 december 2005 hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland aan de ge-meente Beuningen ontheffing verleend voor het (incidenteel) extra verhogen van de tarieven onroerende zaakbelastingen, als bedoeld in artikel 220g van de Gemeentewet.

Bij brief van 13 december 2005 met zaaknummer 2005-014094 is dit besluit aan de betrokken gemeente medegedeeld. De betreffende brief is op 20 december 2005 verzonden. De gemeen-te Beuningen heb ik dinsdagmiddag 13 december 2005 van de beslissing van Gedeputeerde Staten telefonisch op de hoogte gesteld.

2.11. Volgens bijlage 1 op bladzijde 27 van de Nota naar aanleiding van het verslag op wets-voorstel 30 096 (stuk nr. 8), dat heeft geleid tot de onder ?2.2 genoemde wet, bedragen de maxi-maal toegestane tarieven van de gemeente Beuningen per volle € 2 500 van de heffingsmaatstaf:

eigenarendeel OZB woningen € 2,43;

gebruikersdeel OZB niet-woningen € 3,78;

eigenarendeel OZB niet-woningen € 4,72.

2.12. De voor het jaar 2006 vastgestelde waarde van a-straat 1 bedraagt € 280 418.

2.13. De bestreden aanslag is berekend met toepassing van het tarief van € 2,57 per volle € 2 500 van de vastgestelde waarden

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld, of de aanslag terecht is berekend met toepassing van het onder ?2.13 genoemde tarief, zoals de ambtenaar verdedigt, dan wel hadden moeten berekend met toe-passing van het onder ?2.11 vermelde tarief van € 2,43, zoals belanghebbende voorstaat.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbende verzoekt de aanslag te verminderen tot € 272.

3.5. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidentele hoger beroep

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep van belanghebbende geheel ongegrond ver-klaard. Het incidentele hoger beroep kan dan ook niet leiden tot een voor de ambtenaar gunstiger beslissing, daar de aanslag in dit geding niet kan worden verhoogd. Bij gebreke aan belang en mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, nr. 40 333, BNB 2007/133*, is het incidentele hoger beroep van de ambtenaar niet-ontvankelijk.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het onder ?2.2 genoemde artikel 220g is in zijn definitieve tekst in het voorstel tot de voor-melde wet van 22 december 2005 opgenomen bij de Nota van wijziging (Kamerstukken II 30 096, nr. 9). In de toelichting op die tekst heeft de regering onder meer gesteld:

De toezichtsbepalingen in het wetsvoorstel worden veranderd. In de oorspronkelijke tekst werd uitgegaan van vaststelling van tarieven boven het maximum door de toezichthouder. In de nieuwe tekst wordt uitgegaan van een besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van de tarieven, waarbij als voorwaarde geldt dat hogere tarieven dan is toegestaan op grond van ar-tikel 220f alleen kunnen worden vastgesteld als dat nodig is om te voorkomen dat de begro-ting voor het eerstvolgende jaar niet in evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 190, niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht. De toezichthouder, gedeputeerde staten, moeten bij een dergelijke strijd met artikel 220f ontheffing verlenen van de bepalingen in dat artikel. Die ontheffing kan worden geweigerd als het verzoek te laat wordt ingediend, of als niet is voldaan aan het criterium dat een begrotingstekort alleen op die manier kan worden voorkomen. Dat laatste houdt dus een inhoudelijke beoordeling in van de begroting in combinatie met de voorgestelde tariefstijging. De beoordeling van de begroting zelf en van de voorgestelde tariefstijging zal dus samenval-len. Als op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet aan de gemeente een aan-vullende uitkering wordt verleend, vervalt op dit punt de toezichthoudende rol van gedepu-teerde staten.

De reden voor deze wijziging is dat deze systematiek beter past bij de huidige systematiek van het financieel toezicht, met name bij de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de toe-zichthouder en de ondertoezichtstaanden en tussen raad en college. Daarnaast zijn in dit voor-stel enkele praktische wijzigingen opgenomen die beogen de duidelijkheid te vergroten. Zo wordt nu expliciet gesproken over ontheffing van het maximum en van de tariefstijging, wordt aangegeven dat het verzoek tot ontheffing tegelijkertijd met de begroting moet worden opgestuurd en wordt aangegeven dat de ontheffing betrekking heeft op één jaar.

5.2. De onder ?2.2 en ?2.4 genoemde wetsbepalingen zijn in werking getreden met ingang van 1 januari 2006 en voordien in het Staatsblad bekendgemaakt. Gelet op de uitgiftedata van de ver-melde nummers van het Staatsblad is in dit opzicht formeel geen sprake van terugwerkende kracht. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van die wetsbepalingen konden gemeenteraden, zoals die van Beuningen heeft gedaan, ontheffing vragen als bedoeld in het nieuwe artikel 220g van de Gemeentewet en konden GS besluiten nemen tot het wel of niet verlenen daarvan. Hier-over is in de memorie van antwoord van 29 november 2005 aan de Eerste Kamer op het wets-voorstel dat geleid heeft tot de onder ?2.2 genoemde wet van 22 december 2005 (Afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen) van regeringszijde opgemerkt (Kamerstukken I, 30 096, nr. C, blz. 7):

De PvdA-fractie vraagt tenslotte naar het tijdstip van behandeling van het wetsvoorstel in re-latie tot de besluitvorming in de gemeenten over de belastingverordening en de procedure rond het aanvragen en verlenen van ontheffing van de maximaal toegestane tarieven. In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer (paragraaf 1.1) is daar ook al op ingegaan. De regering verwacht niet dat gemeenten massaal van de ontheffingsregeling ge-bruik maken. De compensatieregeling is toereikend en de maximumtarieven zijn dusdanig hoog vastgesteld dat gemeenten in beginsel hun begroting sluitend moeten kunnen krijgen. De regering volgt de ontwikkelingen uiteraard wel, om indien nodig op een later moment na-dere regelgeving op te stellen ten aanzien van het verlenen van de ontheffing door de provin-cies. Bij het belastingplan 2006 heeft de regering ook nog een nota van wijziging ingediend, die het thans voorliggende wetsvoorstel zodanig wijzigt dat ook een dit najaar al verleende ontheffing rechtsgeldig is.

5.3. Mede gelet op deze wordingsgeschiedenis moet de onder ?2.4 genoemde wetsbepaling geacht worden een toereikende rechtsbasis te vormen voor de onder ?2.9 genoemde ontheffing.

5.4. Volgens de in zoverre onweersproken inhoud van de onder ?2.7 genoemde brief heeft de raad de programmabegroting 2006 met toelichting, de eerste begrotingswijziging, de meerjaren-raming 2007-2009 en het raadsbesluit tot aanpassing van de tarieven van de onroerendezaakbe-lastingen voor 2006, op 8 november 2005 vastgesteld. De hiervoor onder ?2.10 genoemde mede-deling is weliswaar in tegenspraak met de vermelding in de besluitenlijst van GS van 13 decem-ber 2005 als hiervoor onder ?2.8 weergegeven, doch aan die lijst, waarvan enkel een op 22 mei 2006 gedagtekende uitdraai uit een bestand ‘http://asp.gelderland.nl/asp/besluitenlijst/c-lijst.asp.?AgendaID=320’ is overgelegd, valt niet het authentieke bewijs te ontlenen dat GS op 13 december 2005 een besluit zouden hebben genomen dat juist tegengesteld luidt aan wat zij in de onder ?2.9 vermelde brief van dezelfde datum hebben besloten en aan de raad medegedeeld.

5.5. Het moet er voor dit geding dan ook voor worden gehouden, dat GS op 13 december 2005 de gevraagde ontheffing hebben verleend en het daartoe strekkende schriftelijke besluit op 20 december 2005 aan de raad van de gemeente Beuningen hebben bekendgemaakt.

5.6. Volgens artikel 220g, lid 6, van de Gemeentewet zoals dit gold voor het jaar 2006 wordt de ontheffing geacht te zijn geweigerd als GS niet vóór 16 december 2005 een beslissing aan de gemeenteraad bekend hebben gemaakt. Met deze als fictie geformuleerde bepaling is slechts beoogd de belangen te beschermen van de gemeenteraad als aanvrager van de ontheffing, door een datum te markeren na afloop waarvan de raad een rechtsmiddel kan aanwenden indien GS op een verzoek om ontheffing niet tijdig hebben beslist. De opvatting dat die fictiebepaling mede zou beogen de belangen van belastingplichtigen, zoals belanghebbende, te beschermen vindt noch steun in de tekst of in de wordingsgeschiedenis van die bepaling, noch in de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 maart 2006 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 26 213, nr. 21). Gelet daarop kan belanghebbende zich bij overschrijding van de bedoelde beslistermijn niet beroepen op het rechtsgevolg dat artikel 220g, lid 6, voormeld aan die overschrijding verbindt. Nadat de ontheffing bij brief van 20 december 2005 aan de raad van de gemeente Beuningen is bekendgemaakt, heeft ook de raad geen belang meer bij het inroepen van de vorenbedoelde fictie, hetgeen dan ook niet is geschied. Dit brengt mee dat de ontheffing niet geacht wordt te zijn geweigerd.

5.7. Zoals de Rechtbank voorts terecht en op goede gronden heeft beslist, is de ontheffing niet onderworpen aan het bekendmakingsvereiste van artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet.

6. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht ongegrond verklaard.

7. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

– verklaart het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk;

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. Monsma, voorzitter, mr. Lamens en mr. Van Suilen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier op 21 april 2009.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 april 2009

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.