Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI2820

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
104.001.439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitbraak van Aviaire Influenza onder broedeieren. Schadebeperkingsplicht en handelsrente; nieuwe verweren worden gepasseerd als gevolg van LJN BC 4959 omdat ze in een laat stadium worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.001.439

arrest van de tweede civiele kamer van 24 maart 2009

inzake

de maatschap [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J. van Veen.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 22 juli 2008. Ingevolge dat tussenarrest heeft [appellante] een akte verzocht en daarbij producties in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft zich daarover bij akte uitgelaten en daarbij zelf producties overgelegd.

1.2 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar en volhardt bij zijn tussenarrest van 22 juli 2008. Daarbij heeft het hof de zaak naar de rol verwezen opdat [appellante] zich, naar aanleiding van rov. 4.23, gedocumenteerd zou uitlaten over de vraag in hoeverre zij in het kader van de op haar rustende schadebeperkingsplicht een beroep heeft gedaan op de daartoe in het leven geroepen compensatieregelingen en, indien zij uit dien hoofde compensatie heeft ontvangen, welke bedragen dit betrof.

Naar [geïntimeerde] heeft erkend, heeft [appellante] uit hoofde van de Verordening tegemoetkoming leveranties van broedeieren wegens uitbraak van Aviaire Influenza (PPE) 2004 van het Productschap Pluimvee en Eieren (productie A bij akte van [appellante]) geen andere compensatie gekregen dan (€ 6.378,92 + € 2.733,82 =) € 9.112,74 (zie ook het tussenarrest onder 3.16) en had zij evenmin andere mogelijkheden ter verkrijging van enige compensatie.

2.2 De vordering van [appellante] is dan als volgt te berekenen:

nakoming € 36.620,40

ontvangen € 14.592,05

resteert € 22.028,35

schadevergoeding € 22.031,03

ontvangen € 6.378,93

ontvangen € 2.733,82

€ 9.112,74

€ 12.918,29

totaal € 34.946,64,

zij het dat [appellante] per saldo een hoofdsom vordert van € 34.946,53. Anders dan [geïntimeerde] meent, heeft [appellante] in haar verminderde vordering haar compensatie, zoals blijkt, reeds verdisconteerd.

2.3 Bij haar antwoordakte heeft [geïntimeerde] voor het eerst uiteengezet:

1) dat de schade € 11.164,96 lager is vanwege de in artikel 2 van de overeenkomst neergelegde prijscorrectie,

2) dat [appellante] voor 11.714 eieren € 1.815,67 te veel aan schadevergoeding vordert en

3) dat [appellante] een restantschuld van € 99.672,31 voor de moederdieren niet op 18 maart 2003 maar pas op 24 februari 2004 (door verrekening) heeft betaald en daarom daarover aan handelsrente ex artikel 6:119a BW een bedrag van € 8.747,65 is verschuldigd.

2.4 Hoewel [geïntimeerde] deze nieuwe verweren naar hun aard reeds bij memorie van antwoord had kunnen voeren, presenteert zij deze pas bij antwoordakte na tussenarrest. In het licht van de in artikel 347 lid 1 Rv. besloten twee-conclusie-regel, de concentratie van het debat en het belang van een spoedige afdoening van het geschil (vergelijk HR 20 juni 2008, LJN: BC4959, NJ 2009, 21) mag, evenals van appellant, ook van geïntimeerde in beginsel worden verlangd dat deze in zijn conclusie (de memorie van antwoord) aanstonds alle nieuwe stellingen en verweren aanvoert. Over deze nieuwe verweren kan het hof niet beslissen dan na wederhoor van [appellante]. Dat zou aan een spoedige afdoening van het geschil in de weg staan. Daarom laat het hof deze nieuwe verweren ook als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

2.5 De bij memorie van grieven verminderde hoofdvordering is toewijsbaar zoals hieronder vermeld.

2.6 Terecht heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de gevorderde schadevergoeding.

Volgens overweging 13 van de Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PbEG L 200/35 van 8 augustus 2000) heeft deze richtlijn enkel betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en strekt zij niet tot regulering van transacties met consumenten, interest betreffende andere betalingen zoals betalingen uit hoofde van de wetgeving inzake cheques en wissels, of betalingen bij wijze van schadeloosstelling met inbegrip van betalingen uit hoofde van verzekeringspolissen. Daarom zal het hof over de schadevergoeding slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen, die verschuldigd is sedert de ingebrekestelling namens [appellante] (van 28 januari 2004) per 11 februari 2004.

2.7 Dat [appellante] traag zou hebben geprocedeerd, rechtvaardigt niet de door [geïntimeerde] voorgestelde matiging van de gevorderde hogere handelsrente ex artikel 6:119a BW (over het op grond van nakoming gevorderde bedrag) tot de gewone rente ex artikel 6:119 BW. Toekenning van de handelsrente (als volledige schadevergoeding wegens vertraging) leidt in zo’n situatie als regel niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen (zie artikel 6:109 lid 1 BW), behoudens door de schuldenaar aan te voeren bijzondere omstandigheden, maar daarop heeft [geïntimeerde] geen beroep gedaan.

2.8 [geïntimeerde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarom wordt aan haar bewijsaanbod voorbijgegaan.

3. De slotsom

3.1 Het hoger beroep slaagt. Het bestreden eindvonnis wordt vernietigd. De bij memorie van grieven verminderde vordering is met renten toewijsbaar zoals hieronder vermeld.

3.2 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat [appellante] de procedure heeft ingezet op een hogere hoofdsom (van € 58.408,63), maar dat staat aan de door [appellante] gevorderde proceskostenveroordeling voor de eerste aanleg niet in de weg nu het hof deze zal toewijzen overeenkomstig het bij de uiteindelijk toewijsbare hoofdsom behorende, lagere liquidatietarief III.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 4 mei 2005 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] een bedrag te betalen van € 34.946,53,

vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW:

vanaf 11 februari 2004 tot 5 juli 2005 over € 36.620,40,

vanaf 5 juli 2005 tot de dag der voldoening over € 22.028,25 en

vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW:

vanaf 11 februari 2004 tot 20 januari 2005 over € 22.031,03,

vanaf 20 januari 2005 tot 7 april 2005 over € 15.652,11 en

vanaf 7 april 2005 tot de dag der voldoening over € 12.918,28;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] gevallen en begroot:

voor de eerste aanleg op € 1.737,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 1.285,00 voor griffierecht en € 83,78 voor de inleidende dagvaarding en

voor het hoger beroep op € 1.737,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, € 1.755,00 voor griffierecht en € 71,93 voor de appeldagvaarding;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.L. van der Beek en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 maart 2009.