Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI2810

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
K08/0425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Datum uitspraak: 27-04-2009

Datum publicatie: 29-04-2009

Rechtsgebied: Straf

Soort procedure: Beklag

Inhoudsindicatie: Klager niet ontvankelijk, nu er sprake is van een politiesepot en er

derhalve geen sprake is van een beslissing tot niet vervolgen die is genomen door de daartoe bevoegde instantie, te weten het openbaar ministerie, in de persoon van de officier van justitie. Een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen een politiesepot is niet mogelijk. Voorgaande wil niet zeggen dat een politiefunctionaris niet schriftelijk de beslissing van het openbaar ministerie mag mededelen aan een aangever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K08/0425

Beschikking

inzake

Klager,

wonende te (woonplaats),

tegen

Beklaagde,

wonende te (woonplaats).

Op 14 december 2008 heeft klager schriftelijk beklag gedaan over de beslissing van de officier van justitie te Arnhem om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen. Dit klaagschrift is op 16 december 2008 ter griffie van dit hof ingekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Arnhem, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Het beklag

Klager heeft op 28 november 2008 aangifte gedaan van, volgens de aanhef van de aangifte “geweld met letsel met wapen”. Inhoudelijk komt de verklaring neer op een aangifte ter zake van poging zware mishandeling subsidiair mishandeling, gepleegd door beklaagde op diezelfde dag.

Beklaagde is op de aangifte gehoord.

Naast klager en beklaagde zijn een tweetal getuigen gehoord. In verband met de hierna te nemen beslissing zal de verdere toedracht van het feit niet verder worden besproken.

Bij brief van 4 december 2008 is door de hulpofficier van justitie, een politieambtenaar derhalve, aan klager medegedeeld dat aan de aangifte geen verder gevolg zal worden gegeven op grond van medeschuld van de benadeelde. In die brief wordt met zoveel woorden vermeld dat aangever zich over die beslissing schriftelijk kan beklagen bij de officier van justitie.

Klager heeft ervoor gekozen zich rechtstreeks te wenden tot het hof en een beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering in te dienen.

De officier van justitie heeft op 27 februari 2009 een ambtsbericht over de zaak geschreven. Daarin wordt de conclusie getrokken dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, samengevat omdat er nog geen sprake was van een sepotbeslissing van de officier van justitie. Ten overvloede wordt daarbij door de officier van justitie opgemerkt dat, kennisnemende van de zaak, hij van oordeel is dat klager wel vervolgd had moeten worden. Het ambtsbericht eindigt met het voornemen dit alsnog te doen.

De advocaat-generaal heeft in het verslag ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beklag een ander standpunt ingenomen. In de kern komt het standpunt van de advocaat-generaal hierop neer dat, bij gebrek aan eigen wettelijke basis, de bevoegdheid tot het politiesepot niet anders kan zijn dan een afgeleide van de bevoegdheid van de officier van justitie. Om die reden zou ook van een politiesepot rechtstreeks beklag kunnen worden gedaan op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

De beoordeling van het beklag

Klager kan als rechtsreeks belanghebbende worden beschouwd en is in zoverre ontvankelijk in zijn beklag.

Dit hof, maar ook het hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft gemerkt dat in de arrondissementen binnen zijn ressort, wisselend met de beschreven problematiek wordt omgegaan. Om die reden zal in het navolgende wat uitvoeriger hierop worden ingegaan.

De wet gaat er in de artikelen 167 en 242 van het Wetboek van Strafvordering vanuit dat het openbaar ministerie, dat wil zeggen de officier van justitie of een gemachtigde medewerker van het openbaar ministerie, de beslissing neemt om van vervolging af te zien. Het is op deze beslissing dat het beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ziet.

Met een gemachtigd medewerker van het openbaar ministerie kan gelijk gesteld worden de gemandateerde politie-parketsecretaris. Van dat mandaat zal dan wel moeten blijken.

Het is, in het licht van de grote hoeveelheden aangiften en een efficiënte bedrijfsvoering, begrijpelijk dat een deel van de beslissingen om niet tot verder vervolging over te gaan door een politiefunctionaris, niet zijnde een politie-parketsecretaris wordt genomen. Dit kan evenwel, gegeven het hiervoor beschreven wettelijk systeem, uit zijn aard niet anders zijn dan een beslissing die onderhevig is aan een herbeoordeling door het openbaar ministerie. Dat het in een groot deel van de op politieniveau genomen sepotbeslissingen door berusting van een aangever niet tot een dergelijke herbeoordeling komt, doet daar niet aan af.

Dit wettelijk systeem brengt met zich mee dat een beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen een politiesepot niet mogelijk is.

De bevoegdheid tot het nemen van de beslissing moet goed gescheiden worden van de bevoegdheid om de genomen beslissing aan een aangever (en anderen, als bedoeld in artikel 167 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering) mede te delen. Dat een politiefunctionaris schriftelijk de beslissing van het openbaar ministerie aan een aangever ter kennis brengt, raakt de ontvankelijkheid van een beklag niet.

Het is op dit punt dat het openbaar ministerie en de politie aan de rechtzoekende naar het oordeel van het hof een grotere transparantie verschuldigd zijn dan thans aan de dag wordt gelegd. In de door de politie verzonden sepotbrieven zit een grote verscheidenheid in terminologie die de feitelijke gang van zaken niet altijd helder weergeven. Zo worden geregeld beslissingen gezien die blijkens de sepotbrief genomen zijn “op gezag van de officier van justitie” of “na overleg met de officier van justitie”. Deze woordkeus laat in het midden welke functionaris de beslissing genomen heeft, terwijl dat voor de ontvankelijkheid in de onderhavige procedure, zoals hiervoor vermeld, van groot belang is. Vervolgens worden wisselende beklagmogelijkheden vermeld. Dan weer zou volgens de door de politie verzonden sepotbrief beklag mogelijk zijn bij de officier van justitie, dan weer zou beklag mogelijk zijn bij het hof.

Het hof geeft het openbaar ministerie in overweging het er toe te leiden, dat in de door de politie verzonden sepotbrieven eenheid van terminologie wordt gehanteerd. Die zou dienen in te houden dat met zoveel woorden wordt vermeld of er sprake is van een beslissing van het openbaar ministerie, in welk geval beklag open staat bij het hof. In alle andere gevallen zou gewezen kunnen worden op de mogelijkheid van bezwaar bij de officier van justitie. Voor de term “bezwaar” bestaat overigens geen wettelijke basis, maar is te prefereren om een duidelijk onderscheid te houden met het beklag op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

In het onderhavige geval is door de hulpofficier van justitie besloten tot sepot en gewezen op de mogelijkheid van beklag bij de officier van justitie.

De gebruikte aanduiding “hulpofficier van justitie” is in het licht van de hiervoor beschreven wenselijke transparantie onduidelijk en kan aanleiding geven tot misverstand. De term “hulpofficier van justitie” wordt in de wet gebruikt voor de politiefunctionaris die een aantal bevoegdheden toekomt, met name waar het de inzet van dwangmiddelen betreft. Het nemen van een vervolgingsbeslissing wordt in de wet op geen enkele wijze bij een hulpofficier van justitie gelegd.

De term “beklag” kan eveneens tot misverstand leiden.

Inhoudelijk is voor het hof duidelijk dat het hier een politiesepot betreft, om welke reden klager niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Daarom kan een verhoor van betrokkenen achterwege blijven. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze beschikking is gegeven door mr Otte, voorzitter, mr Nunnikhoven en mr Coumans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Verhaeg, griffier, op

en ondertekend door de voorzitter en de griffier.