Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI2174

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
200.004.305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet; ontbreken van dringende reden. Geen ruimte in het kort geding voor bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.004.305

arrest van de vijfde civiele kamer van 31 maart 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Maars Projecten B.V.,

gevestigd te Harderwijk,

appellante,

advocaat: mr. N.C.E.Scheltinga,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.D. Kalmijn.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het in kort geding gewezen vonnis van 28 februari 2008 van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) tussen appellante (hierna ook te noemen: Maars) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Maars heeft bij exploot van 27 maart 2008 (hersteld bij exploot van 3 april 2008) [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Hierbij heeft Maars vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest Maars niet-ontvankelijk zal verklaren, danwel haar grieven zal afwijzen danwel zonodig opnieuw rechtdoende – zonodig onder aanvulling of verbetering van gronden – de vorderingen van [geïntimeerde] opnieuw zal toewijzen met veroordeling van Maars in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.3 Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte verzocht en nadien heeft Maars een antwoordakte verzocht. Laatstgenoemde akte ontbreekt in het procesdossier van Maars. De akten zijn verleend.

2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. De daarna tussen partijen gevoerde schikkingsonderhandelingen hebben geen resultaat gehad, zodat het hof arrest heeft bepaald.

3. De grieven

Maars heeft de volgende grieven aangevoerd. De in de grieven opgenomen citaten uit het bestreden vonnis bevatten onjuistheden. Het hof heeft de desbetreffende citaten hieronder aangepast.

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen: “Naar dezerzijds voorlopig oordeel heeft Maars onvoldoende zorgvuldigheid betracht waar het betreft het ten processe bedoelde ontslag op staande voet. Maars heeft op het punt van haar besluitvorming in deze gemeend te kunnen afgaan op de verklaringen van een aantal medewerkers, zonder onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte daarvan (…).”

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen: “Naar dezerzijds voorlopig oordeel heeft Maars onvoldoende zorgvuldigheid betracht waar het betreft het ten processe bedoelde ontslag op staande voet … en zonder [geïntimeerde] überhaupt maar in staat te stellen zijn visie daartegenover te stellen.”

Grief 3

Ten onrechte heeft de kantonrechter voorts het volgende aan zijn voorlopig oordeel ten grondslag gelegd: “Tenslotte heeft Maars geen enkele poging gedaan een loyaal medewerker van wie zij zelf zegt dat hij door zijn mensen op handen wordt gedragen, binnen boord te houden.”

Grief 4

Ten onrechte heeft de kantonrechter geconcludeerd dat het [geïntimeerde] verleende ontslag de vereiste rechtsgeldigheid ontbeert.

Grief 5

Ten onrechte heeft de kantonrechter Maars Projecten veroordeeld tot betaling van het salaris vanaf 8 december 2007 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd met de wettelijke rente daarover.

4. De vaststaande feiten

4.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

4.2 [geïntimeerde], geboren op 21 september 1965, is op 1 februari 2001 bij Maars in dienst getreden. Hij heeft achtereenvolgend de volgende functies vervuld: Sales Engineer, Algemeen Directeur Maars Projecten en (vanaf 18 april 2007) Business Unit Manager Projects.

4.3 Zijn laatstgenoten bruto maandsalaris bedroeg € 7.508,70 exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een bonus.

4.4 Op 7 december 2007 is [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In de brief van Maars Holding B.V. van gelijke datum aan [geïntimeerde] staat onder meer:

“Hierbij bevestig ik het vandaag gegeven ontslag op staande voet. Wij hebben u vanmorgen geconfronteerd met verklaringen van medewerkers van Maars. Uit die verklaringen blijkt dat u medewerkers heeft opgezet tegen de heer [persoon A], directeur Maars Holding. U heeft aangegeven dat hij zijn werk niet goed zou doen, u op zijn plaats zou moeten zitten en heeft aangegeven dat het door hem gevoerde beleid verkeerd is. Verder heeft u de indruk gewekt dat de heer [persoon A] vriendjespolitiek zou bedrijven en belangen van familie voor laat gaan boven zakelijke belangen. U heeft daarnaast aangegeven dat de heer [persoon A] bezig zou zijn de commissaris, de heer [persoon B], de deur uit te werken. Deze kritiek is steeds buiten de directeur om geuit met het kennelijke doel diens positie te verzwakken en diens integriteit aan te tasten. Al deze uitingen op zich en in ieder geval in onderling verband gezien leveren een dringende reden op voor ontslag op staande voet dat u vandaag is gegeven. Tijdens het gesprek dat u vandaag met de heren [persoon A] en [persoon B] voerde ontkende u dit soort uitlatingen te hebben gedaan en gaf u aan dat de verklaringen onjuist zijn. Wij hechten echter geen geloof aan deze ontkenning, nu medewerkers onafhankelijk van elkaar hetzelfde hebben verklaard.”

4.5 Bij brief van 11 december 2007 van (de gemachtigde van) [geïntimeerde] aan Maars Holding BV. heeft [geïntimeerde] de beschuldingen en derhalve de dringende reden bestreden, is de vernietiging van het ontslag ingeroepen en heeft hij zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van werk.

4.6 Bij beschikking van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 28 februari 2008 is de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en Maars Projecten B.V., voor zover vereist, ontbonden met ingang van 1 april 2008, onder toekenning van een vergoeding aan [geïntimeerde] van € 175.000,- bruto.

5. De motivering van de beslissing in kort geding in hoger beroep

5.1 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] Maars Holding B.V. in kort geding gedaagd. Het bestreden vonnis is evenwel gewezen ten name van Maars Projecten B.V. Uit het bestreden vonnis blijkt niet wat de reden hiervan is. Laatstgenoemde vennootschap heeft hoger beroep ingesteld. Nu tegen de tenaamstelling geen grief is gericht noch bezwaar is gemaakt, dient het hof ervan uit gegaan dat Maars Projecten B.V. procespartij is (geworden).

5.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – samengevat weergegeven – gevorderd dat Maars hem weder te werk stelt op straffe van een dwangsom, zijn loon doorbetaalt en in de kosten wordt veroordeeld. Maars is in het bestreden vonnis veroordeeld tot loondoorbetaling. Ook is zij in de proceskosten veroordeeld. De overige vorderingen zijn afgewezen.

5.3 De eerste vraag die voorligt is of thans nog sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [geïntimeerde]. Vast staat dat hij gedurende de periode van 7 december 2007 tot 1 april 2008 geen loon heeft ontvangen. Nu loon dient ten einde in het levensonderhoud te voorzien, ligt het spoedeisend belang van [geïntimeerde] in zijn vordering besloten.

5.4 In het kader van onderhavige kort-gedingprocedure dient verder beoordeeld te worden of voorshands oordelend voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [geïntimeerde] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Achtergrond bij de beoordeling is, dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij Maars gehouden is [geïntimeerde] het hem toekomende salaris te betalen. Maars stelt evenwel dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, nu sprake is van een dringende reden hiertoe, zodat zij niet meer haar betalingsverplichting jegens [geïntimeerde] hoeft na te komen.

5.5 Allereerst dient daarom beoordeeld te worden of voorshands voldoende aannemelijk is dat het ontslag op staande voet zal standhouden. Als uitgangspunt voor de beoordeling van het bovenstaande dienen de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet en die zijn opgenomen in de brief van Maars Holding B.V. van 7 december 2007 als deels geciteerd in rechtsoverweging 4.4 te worden beoordeeld. Het betreft, samengevat weergegeven, het door verschillende uitlatingen van [geïntimeerde] in diskrediet brengen van de heer [persoon A]. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] – afgezien van onderhavige problematiek – zich in de loop van zijn dienstverband als een goed werknemer heeft gedragen.

5.6 Maars heeft zich bij het nemen van het besluit tot ontslag gebaseerd op twee (toentertijd) mondelinge verklaringen, te weten van de heer [persoon C] en de heer [persoon D], en een nadien door de commissaris de heer [persoon B] gevoerd onderzoek. De heer [persoon C] heeft – volgens zijn nadien op schrift gestelde verklaring – daarbij wel aangegeven, dat [geïntimeerde] en hij in die tijd al enige weken niet met elkaar communiceerden. Uit dat onderzoek is, aldus Maars, ook gebleken dat [geïntimeerde] kwalijke uitspraken heeft gedaan tegenover de heer [persoon E] (CFO a.i.) en mevrouw [persoon F], directiesecretaresse.

5.7 [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij - kort gezegd - het gestelde gezagsondermijnend gedrag heeft vertoond en heeft de juistheid van de door Maars in het geding gebrachte verklaringen uitdrukkelijk betwist. Hij heeft ter onderbouwing van zijn betwisting een veelheid aan verklaringen in het geding gebracht, ook van zijn directe medewerkers, waaruit het beeld naar voren komt dat [geïntimeerde] een integere en loyale werknemer van Maars is.

5.8 Nu de aan het ontslag op staande voet gestelde reden gemotiveerd wordt betwist, ligt bewijslevering van de reden voor de hand. Hiervoor is in het kader van een kort-gedingprocedure evenwel geen plaats. Als gevolg hiervan oordeelt het hof dat de kantonrechter Maars – bij wijze van voorlopige voorziening – terecht heeft veroordeeld het loon door te betalen gedurende het dienstverband van [geïntimeerde].

5.9 Gezien het voorgaande behoeven de grieven – alhoewel deels terecht voorgesteld – geen nadere behandeling. Maars zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 28 februari 2008;

veroordeelt Maars in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, R. Prakke-Nieuwenhuizen en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009.