Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI2109

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
21-000971-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primair is artikel 6 WVW 1994 tenlastegelegd en subsidiair artikel 5 WVW 1994. Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het ongeval is te wijten aan de schuld van de verdachte, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde feit behoort te worden vrijgesproken. Het subsidiar tenlastegelegde acht het hof wel bewezen. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval leed aan een apneusyndroom waardoor verdachte een microslaapje heeft gehad en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is, bij afwezigheid van alle schuld, niet strafbaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 145
JWR 2009/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000971-08

Uitspraak d.d.: 31 maart 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 22 februari 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 maart 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr A.R.A.L. Norenburg, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 april 2007 in de gemeente [naam gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, zijnde een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de N348, althans enige weg, komende uit de richting van [plaatsnaam A], rijdende in de richting van [plaatsnaam B], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op voornoemde N348, althans enige weg, waar een wettelijke maximale snelheid gold van 80 kilometer per uur, niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of aan het verkeer besteed die van hem, verdachte, werd vereist, immers heeft hij, verdachte, niet, althans onvoldoende, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook gebruik gemaakt en/of niet voldoende rechts gehouden en/of geheel of gedeeltelijk met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig een dubbele doorgetrokken streep -die de rijbaan verdeelde in twee rijstroken- overschreden, en/of is hij, verdachte geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen, terwijl er meerdere voertuigen op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer reden en/of op een moment dat een hem, verdachte,

tegemoetkomende personenauto, bestuurd door [slachtoffer],

(kort) genaderd was, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto, waardoor voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten gekneusde nekspieren en/of een gekneusde borstkas, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van het werk en/of de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 6 april 2007 in de gemeente [naam gemeente] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg de N348, komende uit de richting van [plaatsnaam A] en rijdende in de richting van [plaatsnaam B], althans op enige weg, waarbij hij, verdachte, op voornoemde N348, althans enige weg, waar een wettelijke maximale snelheid gold van 80 kilometer per uur, niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of aan het verkeer heeft besteed die van hem, verdachte, werd vereist, immers heeft hij, verdachte, niet, althans onvoldoende, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook gebruik gemaakt en/of niet voldoende rechts heeft gehouden en/of geheel of gedeeltelijk met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig een dubbele doorgetrokken streep -die de rijbaan verdeelde in twee rijstroken- heeft overschreden, en/of is hij, verdachte, geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen, terwijl er meerdere voertuigen op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer reden en/of op een moment dat een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto, bestuurd door [slachtoffer], (kort) genaderd was, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto, waarbij voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of schade heeft geleden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met name acht het hof niet bewezen dat het verkeersongeval is te wijten aan schuld van de verdachte, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uit het ter plaatse uitgevoerde technisch onderzoek, de verklaring van de bij het ongeval betrokken getuigen en de verklaring van verdachte komt het navolgende naar voren.

Op 6 april 2007 reed verdachte in de door hem bestuurde personenauto, merk Renault, over de N348 komend uit de richting van [plaatsnaam A] en rijdend in de richting van [plaatsnaam B]. Op een gegeven moment overschreed de personenauto van verdachte de middenas van de weg, die was gemarkeerd met een doorgetrokken witte streep, waardoor verdachtes voertuig op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht kwam. Verdachtes voertuig kwam vervolgens frontaal in botsing met de hem tegemoetkomende personenauto, merk Ford. Ten gevolge van de frontale botsing zijn verdachte en de bestuurster van de Ford gewond geraakt.

Het verkeersongeval heeft overdag bij normale weersomstandigheden plaatsgevonden, op een rechte weg waar het uitzicht van verdachte goed was. Uit het technisch onderzoek, zoals neergelegd in het Proces-Verbaal Verkeersongevalsanalyse, is naar voren gekomen dat achter de personenauto van verdachte een vrachtwagen reed. Volgens de registratieschijf uit de tachograaf reed de bestuurder van de vrachtwagen 84 kilometer per uur. Voorts is uit technisch onderzoek gebleken dat de auto van verdachte in een voldoende verkeerstechnische staat van onderhoud verkeerde en geen gebreken vertoonde, die eventueel de oorzaak van, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Er zijn geen sporen aangetroffen die er op duiden dat de verdachte heeft getracht de aanrijding te voorkomen door middel van remmen of sturen. Daaruit leidt het hof af dat verdachte niet heeft geremd alvorens met het slachtoffer in botsing te komen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij met zijn personenauto over de [brug] te [plaatnaam B] reed, maar dat hij zich vanaf dat moment niets meer kan herinneren. Toen hij weer bijkwam, had een aanrijding met een andere personenauto plaatsgevonden. Door verdachte is aangevoerd dat er sprake is geweest van een soort black-out waardoor hij de macht over het stuur heeft verloren en daardoor een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt. Na het ongeval is bij verdachte een apneusyndroom geconstateerd. Hoewel hij ten tijde van het ongeval geen klachten ondervond, vermoedt verdachte dat hij destijds leed aan het apneusyndroom.

Ter terechtzitting van het hof is de getuige-deskundige drs. K.E. Schreuder, forensisch geneeskundige, gehoord. De deskundige heeft verdachte onderzocht. Zijn bevindingen heeft hij in een schriftelijke verklaring van 9 februari 2009 neergelegd. De deskundige heeft zijn schriftelijke verklaring ter terechtzitting bevestigd en toegelicht.

Bij het onderzoek is bij verdachte omstreeks januari 2008 een ernstig obstructief apneusyndroom geconstateerd. Bij een ernstig apneusyndroom is sprake van een verhoogde slaapdruk overdag, waarbij verdachte vooral in monotone situaties ongemerkt microslaapjes kan hebben zonder dat hij dat zelf merkt. De deskundige heeft verklaard dat het syndroom zich gedurende een langere periode opbouwt.

De deskundige acht het derhalve, gegeven de door hem bij onderzoek van verdachte gebleken resultaten, hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte ten tijde van het ongeval géén symptomen zou hebben gehad. Hij acht het zeer aannemelijk dat het apneusyndroom aanwezig was ten tijde van het ongeval.

Op grond van de bevindingen van de deskundige is namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit, aangezien geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval door een apneusyndroom een microslaapje heeft gehad, zonder dat hij het merkte, en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ernstige ongeval heeft plaatsgevonden. Het is voorts aannemelijk geworden dat hij zich de kans op een dergelijk microslaapje in de periode van het ongeval niet bewust was of had moeten zijn. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen dat verdachtes aandacht van het verkeer, op het moment van het ongeval, zou zijn afgeleid omdat hij met iets anders dan het besturen van zijn auto is bezig geweest.

Het hof is aldus van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het ongeval is te wijten aan de schuld van de verdachte, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde feit behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 april 2007 in de gemeente [naam gemeente] als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee heeft gereden op de weg de N348, komende uit de richting van [plaatnaam A] en rijdende in de richting van [plaatsnaam B], waarbij hij, verdachte, op voornoemde N348, waar een wettelijke maximale snelheid

gold van 80 kilometer per uur, niet voortdurend de aandacht aan de weg en aan het verkeer heeft besteed die van hem, verdachte, werd vereist, immers heeft hij, verdachte, niet, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, van de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook gebruik gemaakt en niet voldoende rechts heeft gehouden en geheel met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig een dubbele doorgetrokken streep -die de rijbaan verdeelde in twee rijstroken- heeft overschreden, en is hij, verdachte, geheel op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen, terwijl er meerdere voertuigen op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer reden en op een moment dat een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto, bestuurd door [slachtoffer], (kort) genaderd was, waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto, waarbij voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en schade heeft geleden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is gesteld dat, wanneer het subsidiair tenlastegelegde bewezen wordt verklaard, er sprake is van afwezigheid van alle schuld van verdachte aan het bewezenverklaarde omdat verdachte ten tijde van het ongeval door een apneusyndroom een korte tijd heeft geslapen en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ernstige ongeval heeft plaatsgevonden.

Zoals hiervoor onder “vrijspraak” is vermeld is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval leed aan een apneusyndroom waardoor verdachte een microslaapje heeft gehad en daardoor de macht over het stuur heeft verloren als gevolg waarvan het ernstige ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat verdachte, bij afwezigheid van alle schuld, niet strafbaar is.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr A.G. Coumans en mr E. van der Herberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit, griffier,

en op 31 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.