Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI2072

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
24-002203-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeelde is door de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straffen. Gelet op het SFO is aannemelijk dat veroordeelde uit andere strafbare feiten op enigerlei wijze wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 108.633,- en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van dit bedrag ter ontneming van dat voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest van 23 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 september 2007, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 108.633,- en veroordeelde de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.

Gebruik van het rechtsmiddel

De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op € 108.633,- en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat, ter ontneming van dat voordeel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad [parketnummer] ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, veroordeeld tot straffen.

Gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek is aannemelijk dat de betrokkene, die is veroordeeld wegens misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, uit andere strafbare feiten op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Aan de inhoud van een wettig bewijsmiddel, te weten het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het proces-verbaal), nummer [nummer], d.d. 13 april 2006 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant], inspecteur van regiopolitie [regio], en [verbalisant], brigadier van regiopolitie [regio], ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 108.633,-.

Verweren

De raadsman van veroordeelde heeft ter terechtzitting van het hof verscheidene verweren gevoerd ten aanzien van de in het proces-verbaal opgenomen berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze verweren zullen in het navolgende worden besproken.

Periode

Volgens de raadsman dienen de jaren 2000 en 2001 geen rol te spelen in de berekening van het voordeel, nu dit tijdvak zowel voor justitie als voor veroordeelde "te lang geleden is om iets zinnigs over te zeggen".

Gelet op het proces-verbaal is het voor de financiële recherche geen probleem gebleken om relevante gegevens over de jaren 2000 en 2001 te verkrijgen. De raadsman heeft onvoldoende beargumenteerd waarom dit voor veroordeelde anders zou zijn. Het hof verwerpt het verweer.

Inkomen

De raadsman heeft aangevoerd dat er in de kasopstelling rekening dient te worden gehouden met het reguliere inkomen van veroordeelde alsmede met het geld dat veroordeeldes echtgenote heeft ontvangen ter zake van de voorlopige teruggaaf. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het geld dat veroordeelde heeft verdiend door middel van bijklussen dient te worden meegenomen in de berekening. Tot slot dient de zoon van veroordeelde volgens de raadsman vanaf 2003 als zelfvoorzienend te worden beschouwd, omdat hij vanaf dat jaar studiefinanciering ontvangt.

Ten aanzien van het reguliere inkomen van verdachte en het geld van de voorlopige teruggaaf overweegt het hof het volgende. De raadsman gaat eraan voorbij dat bij een kasopstelling als de onderhavige alle contante financiële transacties van een persoon in kaart worden gebracht. Nu het reguliere inkomen van veroordeelde en het geld van de voorlopige teruggaaf geen contante inkomsten betreffen, zijn deze bedragen terecht niet meegenomen in de kasopstelling.

Ten aanzien van het geld dat veroordeelde zou hebben verdiend door middel van bij-klussen, overweegt het hof dat de raadsman enkel heeft gesteld dat veroordeelde dit geld heeft verdiend, zonder dat hij deze stelling heeft onderbouwd. Het hof acht derhalve niet aannemelijk geworden dat veroordeelde dit geld daadwerkelijk heeft verdiend.

Ten aanzien van de zoon van veroordeelde overweegt het hof het volgende. In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 27 december 2006 wordt gerelateerd dat de zoon van veroordeelde bij zijn ouders woont, geen kostgeld betaalt en op kosten van zijn ouders leeft. Deze omstandigheden - die door de verdediging niet zijn betwist - leiden naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat de zoon van veroordeelde niet zelfvoorzienend was vanaf 2003. Het enkele feit dat de zoon van veroordeelde vanaf 2003 studiefinanciering ontving, maakt dit niet anders.

Stortingen / contante betalingen

Volgens de raadsman betreffen de door veroordeelde gedane stortingen geen uitgaven en leidt de in het proces-verbaal gehanteerde systematiek tot dubbeltellingen. Voorts dienen de contante betalingen niet te worden meegerekend nu deze bedragen bij de bank zijn opgenomen.

[verbalisant] omschrijft de methode van het berekenen van wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling in zijn proces-verbaal van

27 december 2006 als volgt: "Er wordt dus eigenlijk gekeken in de portemonnee van een persoon. Om contant geld uit te geven, zal dit eerst in die portemonnee moeten komen. Ook is het onmogelijk om meer contant geld uit te geven dan in die portemonnee is gestopt. Wanneer er geld wordt opgenomen van de bank of (het hof begrijpt: contant) geld van iemand wordt geleend, dan zijn dit inkomsten in die portemonnee. Wanneer er iets contant betaald wordt, maar ook als er geld wordt gestort bij de bank of een lening (het hof begrijpt: contant) wordt terugbetaald, dan zijn dit uitgaven uit die portemonnee. Indien er geld wordt opgenomen bij een bank en datzelfde geld wordt later weer gestort bij de bank, dan leidt dat niet tot dubbeltelling maar heft elkaar op en verloopt neutraal." Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.

Het aangetroffen geld

De raadsman heeft aangevoerd dat de € 33.800,- die onder de kap van een rolluik is aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van veroordeelde op 19 juli 2004 in eigendom toebehoort aan [naam 1] en derhalve niet meegenomen dient te worden in de kasopstelling.

[naam 1] is op 23 april 2007 gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft daar verklaard dat hij op een zaterdag in 2004 € 34.000,- op zak had, omdat er goederen geleverd zouden worden voor de groothandel die hij net was begonnen. Omdat de twee leveranciers niet op kwamen dagen, had hij dit geld nog steeds op zak toen hij veroordeelde laat in de middag tegenkwam in de kantine van de voetbalclub. Hij kende veroordeelde doordat hij hem eens in de twee of drie weken bij de voetbal zag. Na een paar biertjes te hebben gedronken, zijn ze naar de woning van veroordeelde gegaan om wat te eten. Na het eten wilde [naam 1] de stad in om te gaan stappen. Hij heeft toen aan veroordeelde gevraagd of deze het geld voor hem wilde bewaren, omdat hij het niet mee de stad in wilde nemen. Hij had het geld geleend van zijn toenmalige vriendin,

[naam 2], die het geld had geërfd.

Op 28 april 2007 is [naam 2] gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat zij in 2004 in totaal € 43.000,- aan [naam 1] heeft geleend, welk bedrag zij in twee termijnen contant aan [naam 1] heeft gegeven. De eerste termijn betrof een bedrag van tussen de € 30.000,- en € 35.000,- en was bestemd voor de overname van de growshop [winkelnaam]. Het geld was afkomstig uit een erfenis van haar vader.

Het hof is van oordeel - mede gelet op de zich in het dossier bevindende grootboek-stukken van [winkelnaam] - dat genoegzaam is aangetoond dat [naam 2] een bedrag van € 43.000,- aan [naam 1] heeft geleend. De verklaring van [naam 1] dat hij een bedrag van € 34.000,- in de woning van veroordeelde heeft achtergelaten acht het hof echter niet geloofwaardig. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [naam 1] € 34.000,- in contanten zou achterlaten bij een man die hij alleen maar kende van de voetbalkantine, alwaar hij hem eens in de twee of drie weken zag. Voorts is het niet aannemelijk dat [naam 1] € 34.000,- bij veroordeelde heeft achtergelaten en dit - naar eigen zeggen legaal verkregen - geld vervolgens niet heeft opgeëist toen dit door de politie in beslag was genomen. Daarenboven heeft de verdediging pas in een zeer laat stadium van het geding - tijdens de schriftelijke ronde van het ontnemingsgeding in eerste aanleg - de naam van [naam 1] onthuld. Zowel tijdens de beklagprocedure ex art. 552a Sv in 2005 als tijdens het verhoor van veroordeelde in het kader van het SFO in maart 2006 heeft veroordeelde geweigerd de naam te noemen van de eigenaar van het geld. Indien de door [naam 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring op waarheid zou berusten, zou veroordeelde geen enkele reden hebben gehad de naam van [naam 1] te verzwijgen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de door veroordeelde en [naam 1] afgelegde verklaringen omtrent het aangetroffen geldbedrag niet geloofwaardig. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Woonwagen

De raadsman heeft aangevoerd dat de woonwagen voor de helft is gefinancierd door de [bank 1] en dat veroordeelde de andere helft van het aankoopbedrag heeft geleend in de familiesfeer.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het SFO is gebleken dat veroordeelde de woonwagen op 1 augustus 2000 heeft gekocht voor een bedrag van fl. 8.812,50. Uit het SFO is eveneens gebleken dat veroordeelde in december 1999 een lening heeft afgesloten bij de [bank 1] van fl. 4.000,-, waarbij op het aanvraagformulier bij 'doel van de lening' is ingevuld: ledikant + beddengoed. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de helft van de woonwagen is gefinancierd door de [bank 1] feitelijke grondslag mist. Voorts is de stelling dat de helft van het aankoop-bedrag is geleend in de familiesfeer op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof verwerpt het verweer.

Caravan

Volgens de raadsman heeft veroordeelde de caravan in 2001 aangekocht voor een bedrag van ca. fl. 5.000,-. Dit bedrag zou echter niet meegenomen moeten worden in de kasopstelling, omdat veroordeelde dit bedrag heeft betaald door in de jaren vóór 2001 telkens een caravan te verkopen, waarbij winst werd gemaakt. In 2001 hoefde dus niet of nauwelijks bijbetaald te worden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het SFO is gebleken dat de caravan reeds in 1999 is aangekocht. Omdat de caravan buiten de onderzoeksperiode is gekocht, is het aankoopbedrag niet meegenomen in de kasopstelling. De stelling van de raads-man dat volgens hem het aankoopbedrag van fl. 5.000,- wel degelijk is opgenomen - namelijk in de fl. 6.481,45 voor het jaar 2001 - is op geen enkele wijze onderbouwd en kan in ieder geval niet uit het proces-verbaal blijken.

Auto's

De raadsman stelt dat de bedragen die voor de [automerk 1] met kenteken [kenteken 1]

en de [automerk 2] met kenteken [kenteken 2] betaald moesten worden (respectievelijk fl. 15.000,- en € 11.400,-) door veroordeelde (deels) zijn voldaan middels bij respectievelijk de [bank 1] en de [bank 2] afgesloten kredieten. Het bedrag dat voor de [automerk 3] met kenteken [kenteken 3] betaald moest worden (€ 16.900,-) heeft veroordeelde geleend van een kennis. Deze lening heeft veroordeelde vervolgens weer grotendeels afgelost door middel van een nieuwe lening bij de heer [naam 3] van € 14.000,-. Veroordeelde heeft zelf derhalve maar € 2.900,- bijbetaald.

Het hof overweegt ten aanzien van de [automerk 1] en de [automerk 2] het volgende. Indien veroordeelde deze auto's heeft gekocht met geld afkomstig van afgesloten kredieten, dan heeft veroordeelde deze bedragen op moeten nemen bij de bank en zijn deze bedragen aldus opgenomen in de kasopstelling.

Ten aanzien van de [automerk 3] overweegt het hof dat uit het SFO is gebleken dat de auto op 4 mei 2002 is gekocht door veroordeelde, maar dat de auto in eerste instantie op naam van [naam 4] is gezet. [naam 4] is op 23 maart 2006 door de politie gehoord en heeft verklaard dat [verdachte] tegen hem had gezegd dat hij een nieuwe auto wilde kopen, maar dat eigenlijk niet kon verantwoorden. [naam 4] heeft toen op verzoek van [verdachte] diens nieuwe auto op zijn naam laten zetten. [naam 4] heeft het geld voor de auto contant aan de garagehouder betaald. Hij had dit geld van [verdachte] ontvangen. Deze gang van zaken leidt tot het ernstige vermoeden dat het geld waarmee de [automerk 3] is betaald uit illegale bron afkomstig is. Dit vermoeden zou weerlegd kunnen worden door een plausibele verklaring omtrent de herkomst van het geld dat aan de garagehouder is betaald. De enkele verklaring dat dit geld van 'een kennis' is geleend en dat deze lening vervolgens weer is afgelost door middel van een nieuwe lening bij [naam 3] is daarvoor niet afdoende.

Boot

De raadsman heeft aangevoerd dat de boot in eigendom toebehoort aan [naam 5] en uitsluitend op naam van de zoon van veroordeelde is gezet opdat deze de boot mee kon nemen op vakantie. Na de vakantie is de boot weer teruggegaan naar [naam 5].

[naam 5] is op 23 april 2007 door de rechter-commissaris gehoord en heeft daar verklaard dat hij in de winter van 2004 een boot heeft gekocht, waarmee hij samen met [verdachte] - de zoon van veroordeelde - op vakantie zou gaan naar Italië. Omdat [naam 5] de vakantie uiteindelijk niet bleek te kunnen betalen, is de boot op naam van [verdachte] gezet, zodat deze de boot alsnog mee kon nemen naar Italië. De boot heeft op naam van [verdachte] gestaan tot de daaropvolgende winter, toen [naam 5] de boot verkocht heeft. Geconfronteerd met het feit dat de boot op 14 juli 2003 van [naam 6] overgeschreven is op naam van [verdachte] en dat uit de stukken blijkt dat de boot nooit op naam van [naam 5] heeft gestaan, heeft [naam 5] verklaard dat hij zeker weet dat de boot op zijn naam heeft gestaan. Hij heeft zelf geen stukken over de boot bewaard.

Aan de pleitnota van de raadsman is een brief gehecht van de RDW gericht aan [naam 5] d.d. 8 september 2003, waarin wordt vermeld: "Bij controle van onze administratie is gebleken dat het registratiebewijs voor uw snelle motorboot niet de juiste gegevens bevat." De raadsman stelt naar aanleiding van deze brief dat de politierechter ten onrechte heeft overwogen dat de boot nooit op naam van [naam 5] heeft gestaan.

Het hof is van oordeel dat voornoemde brief geenszins bewijst dat de boot waarover in het SFO gesproken wordt (met registratienummer [registratienummer]) op naam van [naam 5] heeft gestaan. Er kan uit de brief aan [naam 5] immers niet afgeleid worden om welke boot het gaat. Voor het overige stelt het hof vast dat uit een uitdraai van de historische gegevens van de tenaamstelling van de motorboot met registratienummer [registratienummer] d.d. 22 december 2006 (gehecht aan het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 27 december 2006) blijkt dat de boot vanaf 14 juli 2003 onafgebroken op naam van [verdachte] heeft gestaan. Het hof acht de verklaringen van veroordeelde en [naam 5] omtrent de eigendom van de boot derhalve niet geloofwaardig en verwerpt het verweer.

Betalingsverplichting

Nu alle door de verdediging gevoerde verweren door het hof worden verworpen, zal het hof aan de veroordeelde de verplichting opleggen om € 108.633,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36e en 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [verdachte] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 108.633,-;

legt de veroordeelde [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van honderdachtduizend zeshonderddrieëndertig euro ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. R.E.A. Toeter en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van

mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.