Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1734

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
104.004.298
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BB2041, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inboedelomvang 7:941 lid 5 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.298

arrest van de tweede civiele kamer van 27 januari 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr O. Huisman,

tegen:

de naamloze vennootschap RVS Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde,

advocaat: mr A.T. Bolt.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 25 januari 2006, 25 oktober 2006 en 15 augustus 2007 (gepubliceerd onder LJN: BB2041) die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: RVS) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie heeft gewezen. Van de vonnissen van 25 oktober 2006 en 15 augustus 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] is bij exploot van 31 augustus 2007 van voornoemd vonnis van 15 augustus 2007 in hoger beroep gekomen met oproeping van RVS voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. RVS zal veroordelen [appellant] de schade ad € 9.100,- te voldoen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2005 dan wel een in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

II. zal verklaren voor recht dat de verzekeringsovereenkomst ten onrechte door RVS is beëindigd, althans geroyeerd;

III. RVS zal gebieden binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest de registratie van [appellant]/deze kwestie in het incidentenregister te laten verdwijnen/ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 500,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat RVS in gebreke mocht blijven aan het in dezen te wijzen (naar het hof begrijpt:) arrest te voldoen;

IV. de vordering in reconventie zal afwijzen en

V. RVS zal veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

2.3 RVS heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen en voorts [appellant] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening,

alsmede [appellant] zal veroordelen tot betaling van de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.

2.4 Nadien heeft [appellant] nog een akte genomen, waarover RVS zich bij antwoordakte heeft uitgelaten.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de feiten vast zoals vermeld in voormeld tussenvonnis van 25 oktober 2006 onder 2.

4 De beoordeling van het geschil

4.1 Deze zaak heeft betrekking op een door [appellant] gestelde woninginbraak op 24 december 2004, ten gevolge waarvan hij inboedelschade heeft geleden. In verband daarmee vordert hij (kort gezegd) van de verzekeraar RVS € 9.100,- vermeerderd met wettelijke rente, terwijl RVS in reconventie primair € 9.882,68 vordert en subsidiair € 7.412,01, vermeerderd met rente en kosten. In eerste aanleg heeft de rechtbank Arnhem de vordering van [appellant] afgewezen en de subsidiaire vordering van RVS tot een bedrag van € 7.037,01, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen. [appellant] komt tegen deze beslissing in hoger beroep.

4.2 De grieven strekken ertoe de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.14, 2.15 en 2.17 en 2.19 tot en met 2.22 van het tussen partijen gewezen vonnis van 15 augustus 2007 te bestrijden. Daarbij staat artikel 20 aanhef en sub b van de desbetreffende polisvoorwaarden centraal, waarop RVS zich beroept. Die bepaling luidt: “Aan deze verzekering kunnen geen rechten worden ontleend, indien de verzekerde/verzekeringnemer (...)

b in geval van schade tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven”.

Het nieuwe verzekeringsrecht is op 1 januari 2006 in werking getreden. Op grond van de overgangsrechtelijke hoofdregel van de onmiddellijke werking (artikel 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) is artikel 7:941 lid 5 BW daarvan sinds 1 januari 2006 toepasselijk op de onderhavige zaak. Volgens artikel 7:941 lid 5 BW vervalt het recht op uitkering indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in onder meer lid 2 (om de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen) niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Volgens artikel 7:943 lid 2 BW kan hiervan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.

Het hof leest voormelde polisvoorwaarde van artikel 20, aanhef en onder b conform voormeld artikel 7:941 lid 5 BW.

4.3 Volgens de eerste grief heeft de rechtbank Arnhem in voormeld vonnis ten onrechte overwogen dat [appellant] tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de beweerdelijk gestolen telefoon, Hi-Fi set en sieraden. Met betrekking tot de telefoon - waarvan niet in geschil is dat dit een draadloze Panasonic digitale telefoon, kleur grijs, type KX-TCD715 betreft - stelt deze grief aan de orde dat het serienummer blijkens het proces-verbaal van aangifte bij de politie (productie 3 bij inleidende dagvaarding, bijlage gestolen goederen, eerste blad) [serienummer] is, terwijl het serienummer van de telefoon, die de getuige [getuige] volgens haar getuigenverklaring kort na de inbraak bij [appellant] van [appellant] te leen heeft gekregen, welke telefoon [appellant] volgens [getuige] ook (naar het hof begrijpt:) als gestolen bij de verzekeraar heeft opgegeven, volgens de verklaring van Couzijn [serienummer 2] is (vetgedrukt door Hof). Deze stelling miskent dat Couzijn volgens p. 11 van haar onderzoeksrapportage van 11 juli 2005 (productie 9 bij conclusie na tussenvonnis van RVS) ook nog uitgaat van serienummer [serienummer], terwijl zij in haar aanvullende onderzoeksrapportage van 15 december 2006 (productie 10 bij conclusie na enquête van RVS) op pagina 15 spreekt van serienummer [serienummer 2]); daarbij vermeldt zij dat deze telefoon op 10 mei 2005 (door rapporteurs) is waargenomen en gefotografeerd (vgl. ook aanvullende onderzoeksrapportage van 15 december 2006, p. 12). In haar brief van 22 februari 2007 (productie 11 bij conclusie na enqu?te van RVS) aan mr Van der Kolk vermeldt zij weer dat het serienummer [serienummer] is. Klaarblijkelijk is niet duidelijk te zien of het desbetreffende symbool het cijfer 6 of de letter G is. Voorts vermeldt genoemde aanvullende rapportage op p. 15 dat [getuige] heeft meegedeeld dat [appellant] op 7 juli 2005 om 10.45 uur weer de doos met de telefoon bij [getuige] heeft opgehaald. Daarop stelt [appellant] dat hij inderdaad een telefoon aan [getuige] heeft geleend, maar dat hij deze telefoon met doos voor de inbraak heeft teruggekregen. Deze stelling ontbeert iedere motivering.

4.4 Bij deze stand van zaken neemt het hof aan dat het om één en dezelfde telefoon gaat (merk Panasonic, type KX-TCD715). [appellant] zou worden toegelaten tot tegenbewijs, ware het niet dat hij heeft nagelaten bewijs aan te bieden; het hof ziet geen grond [appellant] ambtshalve tot tegenbewijs toe te laten.

4.5 [appellant] betwist het door de rechtbank aangenomen bewijs dat hij met betrekking tot de door hem bij RVS genoemde wijze van aanschaf van deze telefoon, te weten ongeveer één jaar voor de inbraak in het filiaal van BCC aan de Neherkade te Den Haag, niet de waarheid heeft verklaard. Geconfronteerd met de getuigenverklaring van [persoon A], manager interne controledienst BCC (gelezen in samenhang met de aanvullende onderzoeksrapportage van Couzijn van 15 december 2006, p. 4), waaruit volgt dat er in de periode november 2003 – februari 2004 in het door [appellant] genoemde filiaal van BCC slechts één telefoon van het merk Panasonic, type KX-TCD715 is verkocht en wel aan een andere koper dan [appellant], stelt [appellant] nu dat deze laatste koop “waarschijnlijk niet door [appellant] (is) verricht”. Hij weet nu niet exact meer in welke maand hij zijn telefoon heeft gekocht; het kan ook zijn dat hij zijn telefoon “in bijvoorbeeld de maand oktober 2003 of maart 2004 heeft gekocht”. Het hof acht deze stelling te vaag en bovendien ongeloofwaardig, reden waarom het deze passeert. Aldus gaat het hof ervan uit dat [appellant] met betrekking tot de beweerdelijk gestolen telefoon tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.

4.6 Met betrekking tot de beweerdelijk gestolen Hi-Fi set geldt eveneens dat [appellant] tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Vast staat dat [appellant] heeft verklaard dat deze als gestolen opgegeven JVC-set bestaat uit losse componenten, zoals tuner, cd-speler, cassetterecorder en equalizer inclusief twee boxen, en dat die door hem anderhalf jaar voor de inbraak zijn gekocht bij het filiaal van BCC aan de Neherkade te Den Haag. Geconfronteerd met andersluidende verklaringen van de getuige [getuige] en de getuige [persoon A] stelt [appellant] nu slechts een indicatie te hebben gegeven van de periode waarin hij genoemde set heeft gekocht, dan wel zich te hebben vergist. De verklaring van [persoon A], inhoudende dat in voornoemde periode geen JVC-componenten door dit BCC-filiaal zijn verkocht, is gedetailleerd en is niet voldoende gemotiveerd weersproken door [appellant]. Aldus gaat het hof aan de andersluidende stellingen van [appellant] voorbij.

4.7 De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] tegen beter weten in op de hiervoor genoemde punten een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Reeds daarom vervalt krachtens artikel 7:941 lid 5 BW zijn recht op uitkering, aangezien [appellant] een verplichting als bedoeld in lid 2 niet is nagekomen met het opzet RVS te misleiden. [appellant] heeft niet gesteld noch is anderszins gebleken dat deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Derhalve zijn de eerste en tweede grief ongegrond.

4.8 Het geven van voornoemde onjuiste voorstelling van zaken levert een aan [appellant] toerekenbare tekortkoming op ten gevolge waarvan RVS schade heeft geleden. Duidelijk is dat RVS vanwege deze onjuiste voorstelling van zaken aanmerkelijk meer onderzoekskosten heeft moeten maken. Vanwege voormelde onjuiste voorstelling van zaken zijn ook de door Couzijn gemaakte rapportages voor een aanzienlijk deel verricht. Aldus acht het hof de aan RVS toegewezen onderzoeks- en interne kosten (75%) redelijk. Daarmee heeft de rechtbank [appellant] als de grotendeels in reconventie in het ongelijk te stellen partij tevens terecht in de proceskosten in reconventie veroordeeld. Een en ander brengt mee dat ook de derde grief faalt.

4.9 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal [appellant], als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van RVS, met inbegrip van de gevorderde nakosten, zoals door RVS gevorderd welke vordering niet door [appellant] is bestreden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 15 augustus 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het beroep aan de zijde van RVS gevallen en tot op heden begroot op € 948,- voor salaris van de advocaat, € 402,- voor griffierecht en € 131,- voor nakosten zonder betekening, dan wel € 199,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en betekening heeft plaatsgevonden, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het geval voldoening van deze proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs A.W. Steeg, L. Groefsema en H.L. van der Beek en is op de openbare terechtzitting van 27 januari 2009 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.