Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1728

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
200.002.340
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BB8208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 7:940 lid 3, laatste volzin BW staat er niet aan in de weg dat verzekeringsnemer bevoegd is tot opzegging van de verzekeringsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.002.340

arrest van de tweede civiele kamer van 31 maart 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Jongkind,

tegen:

de naamloze vennootschap RVS Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.J. Boom.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 14 november 2007 dat de rechtbank Arnhem tussen principaal appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en principaal geïntimeerde (hierna ook te noemen: RVS) als gedaagde heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht; het is tevens gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BB 8208.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 21 december 2007 RVS aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van RVS voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen, de zaak aan zich zal houden en, recht doende bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest,

- primair: voor recht zal verklaren dat [appellant] de bevoegdheid had om het Paraplupakket, bij brief van 24 februari 2006, tussentijds op te zeggen tegen 1 januari 2007, dat de beperking van de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW niet (mutatis mutandis) voor [appellant] geldt en/of dat voor voornoemde bevoegdheid van [appellant] niet vereist is dat er feiten en omstandigheden moeten bestaan die ernstig genoeg zijn om de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst te rechtvaardigen,

- subsidiair: voor recht zal verklaren dat [appellant] de bevoegdheid had om het Paraplupakket, bij brief van 24 februari 2006, tussentijds op te zeggen tegen 1 januari 2007 omdat voldaan is aan de voorwaarden die krachtens de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW voor een opzegging door [appellant] gelden, althans er feiten en omstandigheden bestaan die ernstig genoeg zijn om de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst te rechtvaardigen,

telkens met veroordeling van RVS in de kosten van het geding, te vermeerderen met een bedrag voor nakosten ad € 131,00, dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen acht dagen na betekening van het arrest daaraan wordt voldaan.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft RVS de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft RVS incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, heeft zij daartegen één grief aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden. RVS heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [appellant] alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in zijn subsidiaire vordering, althans hem deze zal ontzeggen zonder dat enig getuigenverhoor wordt bevolen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant]

verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof RVS niet ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel appel, althans haar vordering zal afwijzen, met veroordeling van RVS, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de door de rechtbank vastgestelde feiten vast. Deze feiten zullen voor het gemak hierna worden weergegeven.

3.2 [appellant] heeft bij RVS, onder polisnummer [polisnummer], een “Paraplupakket” afgesloten bestaande uit een woonhuisverzekering, een inboedelverzekering, een glasverzekering, een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren en een rechtsbijstandverzekering voor particulieren. In de met ingang van 1 mei 2006 geldende premie van EUR 58,14 per maand is een korting van 8% verwerkt in verband met de samenstelling van het verzekeringspakket en een korting van 5% in verband met de contractsduur voor vijf jaar. De premie is verschuldigd op de eerste dag van iedere maand. De verzekering is aangegaan tot 1 januari 2009.

3.3 Bij brief van 24 februari 2006 heeft Assurantiekantoor Relou, namens [appellant], RVS verzocht de verzekering met ingang van de eerstvolgende premievervaldag, te weten

1 januari 2007, te beëindigen, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2 sub b van de polisvoorwaarden en het nieuwe verzekeringsrecht.

3.4 Artikel 2 van de polisvoorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De verzekering eindigt

a. per het einde van de op het polisblad genoemde verzekeringstermijn, indien RVS ten minste 2 maanden van tevoren een schriftelijke opzegging van de verzekering heeft ontvangen (…).

b. op de eerstvolgende premievervaldatum, indien RVS ten minste 2 maanden van tevoren een schriftelijke opzegging aan de verzekeringnemer heeft verzonden

c. na een schriftelijke opzegging door RVS, indien die opzegging plaatsvindt na een schademelding (…).

d. na een schriftelijke opzegging door RVS, indien de premie niet binnen 3 maanden nadat deze verschuldigd is geworden door RVS is ontvangen

e. op de door RVS vastgestelde wijzigingsdatum, indien de verzekeringnemer een in artikel 6 van de algemene polisvoorwaarden omschreven wijziging weigert

f. zodra de verzekeringnemer ophoudt zijn/haar woonplaats in Nederland te hebben

g. indien de verzekeringnemer binnen 14 dagen na ontvangst van de polis, de overeenkomst schriftelijk aan RVS opzegt, waarna de overeenkomst geacht wordt niet tot stand te zijn gekomen (dit geldt uitsluitend bij ingang van de verzekering)”.

3.5 Met ingang van 24 februari 2006 heeft [appellant] een Combipolis Particulieren afgesloten bij verzekeringsmaatschappij N.V. Noordhollandse van 1816 bestaande uit een gezinsongevallenverzekering en - in co-assurantie - een opstalverzekering.

3.6 Bij brief van 8 maart 2006 heeft RVS geweigerd de onder 3.2 vermelde verzekering tussentijds, met ingang van 1 januari 2007, te beëindigen.

4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

[appellant] is ontvankelijk in zijn tussentijds hoger beroep nu de rechtbank dit heeft opengesteld.

5. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Het geschil tussen partijen betreft de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW. Deze bepaling luidt als volgt:

“Indien de verzekeraar de bevoegdheid heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te zeggen, komt de verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. Tenzij jegens hem is gehandeld met het opzet tot misleiding neemt de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer daarbij een termijn van twee maanden in acht. Indien een verzekering dekking biedt tegen schade veroorzaakt door risico's als bedoeld in artikel 3:38 van de Wet op het financieel toezicht, kan, bij de verwezenlijking van een dergelijk risico of bij een dreiging van het ophanden zijn daarvan, de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer in afwijking van deze termijn van twee maanden, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van zeven dagen opzeggen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd.”

5.2 [appellant] stelt zich op het standpunt dat, nu de polisvoorwaarden bepalen dat de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst mag opzeggen tegen een premievervaldatum, dit op grond van artikel 7:940 lid 3 eerste volzin BW ook voor hem als verzekeringnemer geldt en dat daarbij niet het vereiste van de laatste volzin van dat artikellid geldt dat hij slechts kan opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van hem kan worden gevergd.

5.3 RVS stelt zich daartegenover op het standpunt dat dit laatste vereiste ook voor [appellant] als verzekeringnemer geldt, nu de strekking van artikel 7:940 lid 3 BW is om gelijke opzeggingsmogelijkheden te scheppen voor verzekeraar en verzekeringnemer, hetgeen slechts wordt bereikt indien bedoeld vereiste ook voor de verzekeringnemer geldt.

5.4 De rechtbank heeft RVS in het gelijk gesteld. De rechtbank heeft dit oordeel gemotiveerd met de overweging dat een zo vergaande verruiming van de bevoegdheden van de verzekeringnemer, dat deze tussentijds zonder grond zou kunnen opzeggen, zolang hij zich maar aan de opzegtermijn houdt, niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. De bedoeling van de wetgever was immers het in het leven roepen van evenwichtige opzegtermijnen voor beide partijen bij de verzekeringsovereenkomst, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank volgt ook niet uit de wetsgeschiedenis dat een zo vergaand gevolg aan artikel 7:940 lid 3 BW verbonden zou zijn.

5.5 Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de beperking die in artikel 7:940 lid 3 laatste volzin BW is opgenomen niet voor de verzekeringnemer geldt.

5.6 In de eerste plaats volgt dit uit de tekst van de bepaling. Deze spreekt immers van de verzekeraar en niet van de verzekeraar en de verzekeringnemer of van partijen of iets dergelijks. Ook blijkt uit de tekst van de eerste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW dat de daar in het leven geroepen gelijke opzeggingsbevoegdheid slechts ziet op een door de verzekeraar “bedongen” opzeggingsbevoegdheid, en dus niet op een wettelijke bepaling ten aanzien van het gebruik van een bedongen opzeggingsbevoegdheid.

5.7 In de tweede plaats blijkt niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de desbetreffende bepaling ook voor de verzekeringnemer te laten gelden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de bepaling de bescherming van de verzekeringnemer ten doel heeft, zodat ook niet voor de hand ligt dat de wetgever die bescherming een “boemerang- effect” zou hebben willen geven door de in die bepaling voor de verzekeraar opgenomen beperking in de opzeggingsmogelijkheden ook voor de verzekeringnemer te laten gelden. Weliswaar heeft de wetgever evenwichtige opzeggingsmogelijkheden voor verzekeraar en verzekeringnemer beoogd, maar het hof is met [appellant] van oordeel dat dit niet zonder meer betekent: gelijke opzeggingsmogelijkheden. Bij contracten tussen een sterkere partij aan de ene kant en een zwakkere partij aan de andere kant kan evenwicht in opzeggingsmogelijkheden juist betekenen dat deze mogelijkheden niet voor beide partijen gelijk zijn. Een opzegging door een verzekeraar heeft in het algemeen voor een verzekeringnemer verstrekkender gevolgen dan een opzegging door een verzekeringnemer voor de verzekeraar. Een verzekeringnemer heeft dan ook meer behoefte aan bescherming tegen opzegging door de verzekeraar dan andersom.

In dit verband valt ook te wijzen op het vierde en het vijfde lid van artikel 7:940 BW, waarin een opzeggingsmogelijkheid voor de verzekeringnemer is opgenomen die niet tevens geldt voor de verzekeraar, respectievelijk een beperking in de opzeggingsmogelijkheid van de verzekeraar is opgenomen die niet tevens geldt voor de verzekerde.

Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de bedoeling van de wetgever met de eerste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW niet zozeer is geweest het scheppen van gelijke opzeggingsmogelijkheden als wel het voorkomen dat de verzekeraar zich in de polisvoorwaarden ruimere opzeggingsmogelijkheden kan verschaffen dan aan de verzekeringnemer toekomen. In zoverre onderschrijft het hof de slotzin onder 4.3 van het vonnis van de rechtbank, dat het de bedoeling van de wetgever was om de opzegmogelijkheden voor de verzekeringnemer en verzekeraar in zoverre gelijk te doen zijn dat de verzekeraar niet meer mogelijkheden toekwamen dan de verzekeringnemer. Het hof deelt evenwel niet het oordeel van de rechtbank dat de wetgever niet kan hebben gewild dat dit gelijktrekken van de opzeggingsmogelijkheden van de verzekeringnemer met die van de verzekeraar niet tot een vergaande verruiming van de opzeggingsmogelijkheden van de verzekeringnemer zou kunnen leiden als waarvan in het onderhavige geval sprake is. Deze verruiming is immers nu juist de consequentie van de eerste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW in verband met de door RVS in artikel 2 onder b van de polisvoorwaarden bedongen, ruime opzeggingsbevoegdheid.

Daarbij acht het hof nog van belang dat de hier centraal staande bepaling van de laatste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW kan worden gezien als een codificatie van hetgeen reeds voor de verzekeraar gold op grond van ongeschreven recht en rechtspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen (voorheen: de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf). Voor de formulering van deze bepaling is aangesloten bij artikel 6:237 onder d BW inzake opzeggingsbedingen in algemene voorwaarden, welke bepaling een soortgelijke beperking oplegt aan de gebruiker van algemene voorwaarden en niet aan diens wederpartij. Gelet op een en ander ligt niet voor de hand, en de wetgever heeft er ook geen blijk van gegeven dat te beogen, deze regel uit te breiden tot de opzegging door de verzekeringnemer. Te wijzen valt in dit verband op de volgende passage uit de Nadere Memorie van Antwoord (Parlementaire Geschiedenis Boek 7, Titel 17, p. 90/92) aan de Eerste Kamer:

"De leden van de CDA-fractie leiden uit de verwijzing in de memorie van antwoord naar de reflexwerking van de in artikel 6:237 BW opgenomen "grijze lijst" af dat opzegging van een verzekeringsovereenkomst naar mijn oordeel in beginsel alleen aan de orde zou moeten zijn op gronden die van dien aard zijn, dat gebondenheid van de verzekeraar niet meer van deze kan worden gevergd (artikel 6:237, onder d, BW). Mijn betoog uit de memorie van antwoord strekte ertoe duidelijk te maken dat instrumenten uit het algemene vermogensrecht bescherming bieden tegen een al te willekeurige opzegging door de verzekeraar. Zo kan een beding dat opzegging mogelijk maakt vernietigbaar zijn op grond van een wilsgebrek, kan een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of misbruik van bevoegdheid opleveren. Ook kan een zodanig beding onredelijk bezwarend worden geacht, waarbij reflexwerking van artikel 6:237, onder d, BW niet uitgesloten is. Al deze instrumenten hebben gemeen dat zij een correctief vormen op hetgeen in contractuele verhoudingen tussen professionele partijen (tegenover consumenten geldt artikel 6:237, onder d, BW zonder meer) voorop staat: dat het hun vrijstaat bij duurovereenkomsten, zeker als die voor onbepaalde tijd wordt gesloten, een mogelijkheid van tussentijdse opzegging overeen te komen. Naar mijn oordeel is in de praktijk niet gebleken dat de bestaande en genoemde instrumenten in verhoudingen waarbij geen consumenten zijn betrokken, op zichzelf tekort schieten. Intussen past bij de verzekeringsovereenkomst in het algemeen wel dat de verzekeraar in beginsel terughoudend is in het hanteren van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging, zeker als er geen sprake is van kwade trouw bij de verzekeringnemer. Hetgeen men hier veelal ook zou kunnen afleiden uit bepalingen van het algemene vermogensrecht, leent zich ook voor een verzekeringsrechtelijke toespitsing. Men zie voor hetgeen reeds thans voor verzekeringen geldt: Asser-Clausing-Wansink, nr. 150, en de daar genoemde uitspraken van de Raad van Toezicht Verzekeringen. In elk geval zal voldaan moeten zijn aan de in de verzekeringsvoorwaarden gestelde vereisten. Voorts zal de verzekeraar veelal zorgvuldig moeten overwegen of de omstandigheden voldoende ernstig zijn om opzegging te rechtvaardigen en moeten nagaan of in redelijkheid geen minder ingrijpende maatregel kan worden gevonden die evenzeer recht doet aan de belangen van beide partijen. Alvorens tot opzegging over te gaan, kan een waarschuwing op zijn plaats zijn. Ook kan gedacht worden aan het instellen danwel het overeenkomen van een eigen risico per gebeurtenis als voorwaarde voor het voortzetten van de verzekering. In het geval van tussentijdse opzegging zal de verzekeraar steeds gehouden zijn schriftelijk mee te delen welke redenen aan de opzegging ten grondslag liggen, reeds omdat de verzekeringnemer deze informatie bij het sluiten van een nieuwe verzekering nodig heeft. Teneinde aan betrokkenen bij de verzekeringsovereenkomst op dit punt de nodige duidelijkheid te bieden, wordt in het wetsvoorstel voor de invoeringswet voorgesteld aan artikel 7.17.1.13 lid 3 een nadere bepaling toe te voegen, voor de formulering waarvan aansluiting is gezocht bij artikel 6:237, onder d, BW.

(...)"

De wetsgeschiedenis biedt dan ook geen steun voor de door RVS bepleite uitleg.

5.8 In de derde plaats leidt de door het hof aangehouden uitleg niet tot een onredelijk resultaat, nu de verzekeraar het in zijn macht heeft de polisvoorwaarden te formuleren. Te verwijzen valt naar de opmerking in de Nota van Wijziging (Parlementaire Geschiedenis Boek 7, Titel 17, p. 86) dat de mogelijke vrees – met name bij meerjarige contracten tegen een lagere premie - dat door het gelijktrekken van de opzegmogelijkheden de verzekeringnemer onder omstandigheden te gemakkelijk de overeenkomst kan opzeggen, door de verzekeraar kan worden weggenomen door zijn eigen opzegmogelijkheden restrictief te formuleren. Het hof merkt hierbij nog op dat de verzekeraar ook de laatste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW in de polisvoorwaarden kan opnemen.

Het hof wijst er verder nog op dat een opzegging door een verzekeringnemer steeds zal kunnen worden getoetst aan artikel 6:248 lid 2 BW en derhalve een verzekeringnemer niet van een hem toekomende opzeggingsbevoegdheid gebruik zal mogen maken indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit zal overigens naar het oordeel van het hof niet het geval kunnen zijn op de enkele grond dat een verzekerde wenst over te stappen naar een andere verzekeraar wegens een lagere premie, ook niet indien de verzekerde een korting op de premie heeft ontvangen in verband met het aangaan van een verzekeringsovereenkomst voor een bepaalde, langere tijd.

5.9 RVS heeft in hoger beroep haar verweer uitgebreid met de stelling dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] van zijn opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt. [appellant] heeft op dit betoog nog niet gereageerd. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld bij nadere memorie op dat verweer te reageren. Vervolgens zal RVS daarop, eveneens bij nader memorie, mogen antwoorden.

6. Slotsom

De slotsom is dat het primaire verweer van RVS faalt en dat het bepaalde in artikel 7:940 lid 3, laatste volzin BW niet eraan in de weg staat dat [appellant] bevoegd was tot opzegging van de verzekeringsovereenkomst. Op het subsidiaire verweer van RVS zoals hiervoor onder 5.9 weergegeven zal [appellant] bij nadere memorie mogen reageren. RVS zal daarna bij nadere memorie mogen antwoorden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum voor het onder 5.9 vermelde doel;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Groefsema, H.M. Wattendorff en C.J.M. Klaassen, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009.