Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1605

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
104.004.406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:376

Paardenpesion ingebed in overige bedrijfsvoering van pachter. Gebruik ter uitoefening van de landbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.406

arrest van de pachtkamer van 17 maart 2009

inzake

1.[appellant sub1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

gevestigd te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. P.C.M. Heinen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 maart en 27 september 2007, die de pachtkamer van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 27 september 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 23 oktober 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van

27 september 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden, en hebben zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en (zo zal zijn bedoeld:) opnieuw recht doende hun vorderingen alsnog zal toewijzen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en verweer gevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof de grieven ongegrond zal verklaren en het bestreden vonnis zal bevestigen, zo nodig met verbetering van gronden, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

2.4 Ter zitting van 10 november 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten [appellanten] door mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde] door mr. M.A. de Oude, advocaat te Zoetermeer; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting aan de wederpartij en aan het hof nieuwe producties gezonden. Desgevraagd hebben partijen ter zitting meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de door de wederpartij overgelegde producties, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof. Vervolgens is aan elk van partijen akte verleend van het in het geding brengen van bedoelde producties.

2.5 Ter gelegenheid van de pleidooizitting hebben partijen aanhouding van de zaak verzocht in verband met schikkingsonderhandelingen.

2.6 Op de rol van 13 januari 2009 hebben partijen alsnog de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 De vader van [geïntimeerde] heeft op 8 december 1993 aan de rechtsvoorganger van appellante sub 2 verkocht een boerderij met woonhuis, opslag, hooizolder, dorsvloer, zadelkamer, erf met buitenbak en enige andere opstallen en aangrenzend weiland, gelegen [...].

3.3 [appellant sub 1] is directeur-grootaandeelhouder van appellante sub 2. Omstreeks 1993 is de eigendom van het weiland overgegaan van appellante sub 2 op appellant sub 1.

3.4 [geïntimeerde] exploiteert een agrarisch bedrijf verdeeld over verschillende locaties.

3.5 Op het moment van verkoop hield de vader van [geïntimeerde] aan de [adres] een paar koeien en schapen, alsmede paarden van derden en werd het weiland gebruikt om vee te weiden.

3.6 [geïntimeerde] werkte tot de verkoop samen met zijn vader in diens agrarisch bedrijf. Daarnaast was en is hij in loondienst werkzaam.

3.7 [geïntimeerde] heeft met toestemming van [appellanten] twee zeecontainers op het erf geplaatst voor de stalling van paarden van derden en een open schuur gebouwd voor de opslag van werktuigen en machines als vervanging van een schuur die ten behoeve van de nieuwe eigenaar is afgebroken.

3.8 Bij vonnis van 15 april 2005 heeft de pachtkamer van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, op vordering van [geïntimeerde] schriftelijk vastgelegd:

“een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] als pachter en [appellant sub 1] als verpachter terzake van het perceel weiland kadastraal bekend [...], ter grootte van 3.89.81 ha, aangegaan in mei 1993 met onmiddellijke ingang tegen een jaarlijkse pachtprijs van fl. 7.500,— (€ 3.403,35) per jaar, te betalen voor 1 januari van ieder jaar, zulks onverminderd de werking van artikel 9, lid 1 van de Pachtwet en mogelijke toepassing van het tweede lid van dit wetsartikel en een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] als pachter en de BV als verpachter terzake van het hoofdgebouw, met uitzondering van de woning, het erf met de opstallen, behoudens een aan een derde verhuurde schuur en de paardenbak, gelegen aan de [adres] nabij [...], aangegaan in mei 1993 met onmiddellijke ingang tegen een jaarlijkse pachtprijs van

fl. 1250,— (€ 567,23) per jaar, te betalen voor 1 januari van ieder jaar, zulks onverminderd de werking van artikel 9 lid 1 van de Pachtwet en mogelijke toepasselijkheid van het tweede lid van dit wetsartikel.”

3.9 Bij arrest van 28 augustus 2007 heeft deze kamer van het hof het vonnis van voormelde pachtkamer bekrachtigd behoudens voor zover daarin werd vastgelegd de pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] en de BV. Opnieuw rechtdoende heeft het hof schriftelijk vastgelegd:

“Een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde] als pachter en [appellanten] als verpachter terzake van het hoofdgebouw, met uitzondering van de woning en met uitzondering van de grote stal met het aangrenzend schuurtje, het erf met de opstallen, behoudens een aan een derde verhuurde schuur, en de paardenbak, gelegen aan de [adres] nabij [...], aangegaan in mei 1993 met onmiddellijke ingang tegen een jaarlijkse pachtprijs van fl. 1250,— (€ 567,23) per jaar, te betalen voor 1 januari van ieder jaar, zulks onverminderd de werking van artikel 9 lid 1 van de Pachtwet en mogelijke toepasselijkheid van het tweede lid van dit wetsartikel.”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In dit geding vorderen [appellanten] ontbinding van de tussen partijen bestaande pachtovereenkomsten, met nevenvorderingen. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg de vorderingen van [appellanten] afgewezen, met hun veroordeling in de proceskosten. Daartegen richten zich de grieven.

4.2 Grief I, welke grief het overgangsrecht betreft, treft in ieder geval in zoverre doel, dat het hof de per 1 september 2007 in werking getreden nieuwe regeling van de pacht van artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek zal toepassen, behoudens de eventuele werking van artikel 182 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek. Het nieuwe recht heeft immers volgens artikel 68a van dezelfde wet in beginsel onmiddellijke werking. Bij een onderzoek naar de vraag of ook de pachtkamer in eerste aanleg nieuw recht diende toe te passen, hebben [appellanten] bij deze stand van zaken geen belang.

4.3 Met de inhoud van grief II, die ziet op de feitenvaststelling door de pachtkamer in eerste aanleg, heeft het hof hiervoor onder 3.7 rekening gehouden. Gelet daarop hebben [appellanten] bij een bespreking van die grief geen belang meer.

4.4 Het hof zal de overige grieven gezamenlijk bespreken.

4.5 Volgens [appellanten] is [geïntimeerde] in drie opzichten tekortgeschoten. Volgens hun standpunt:

1. gebruikt [geïntimeerde] het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw, omdat hij het gepachte niet of nauwelijks voor iets anders gebruikt dan de stalling van pensionpaarden van derden;

2. zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde] al het groot onderhoud dient te verrichten en doet [geïntimeerde] dat niet;

3. heeft [geïntimeerde] in 2007 en in 2008 de pachtprijs te laat voldaan.

4.6 [geïntimeerde] heeft de gestelde tekortkomingen grotendeels betwist en heeft zich voorts erop beroepen dat zij van onvoldoende gewicht zijn om ontbinding te kunnen rechtvaardigen.

4.7 Wat betreft het onder 4.5 sub 1 bedoelde verwijt overweegt het hof als volgt. Gelet op hetgeen [geïntimeerde] ter gelegenheid van de pleidooizitting in hoger beroep heeft verklaard, is zijn paardenpension ingebed in zijn landbouwbedrijf. Hij heeft immers verklaard dat de paarden worden gevoerd met van zijn eigen percelen afkomstig hooi of kuilgras en dat ook wat betreft de mest de locatie aan de [adres] in de bedrijfsvoering van zijn totale bedrijf is opgenomen. Een en ander hebben [appellanten] niet betwist en ook niet dat [geïntimeerde] een 42 hectare groot landbouwbedrijf exploiteert, verspreid over diverse locaties. Gelet hierop is niet meer van belang hoe vaak [geïntimeerde] behalve paarden van derden ook eigen schapen en/of koeien op het gepachte weidt, omdat ook indien de stellingen van [appellanten] omtrent het feitelijke gebruik van het gepachte op zichzelf juist zijn, daaruit niet volgt dat [geïntimeerde] het gepachte niet langer voor de uitoefening van de landbouw gebruikt.

4.8 Voor zover [appellanten] zich op het standpunt stellen dat [geïntimeerde] het gepachte niet persoonlijk in gebruik heeft omdat de eigenaren van de pensionpaarden zelf de dieren verzorgen, zien zij eraan voorbij dat die omstandigheid niet eraan afdoet dat [geïntimeerde] het ge-pachte persoonlijk exploiteert. Voor een zodanige exploitatie is het niet noodzakelijk dat [geïntimeerde] zelf de gestalde paarden verzorgt.

4.9 Het onder 4.5 sub 2 bedoelde verwijt kan reeds hierom geen doel treffen, omdat een beding omtrent het groot onderhoud als door [appellanten] bedoeld niet schriftelijk is vastgelegd. De schriftelijke vastlegging door de pachtrechter – die tussen partijen gezag van gewijsde heeft vanaf het moment dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan – verhelpt het ontbreken van een partijakte (onder meer met het oogmerk om mogelijk te maken dat de inhoud van de overeenkomst alsnog door de grondkamer wordt getoetst) en doet niet alleen vaststaan dat partijen het vastgelegde zijn overeengekomen, maar ook dat partijen niet meer zijn overeengekomen dan wat is vastgelegd.

4.10 De onder 4.5 sub 3 bedoelde tekortkomingen zijn door [geïntimeerde] niet gemotiveerd betwist. Wel heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de pachtprijs over 2008 (inmiddels) volledig is voldaan en dat in december 2008 de pachtprijs over 2009 zal worden voldaan. Het hof begrijpt daaruit dat [geïntimeerde] ook wat betreft de te late betaling van de pachtprijs zich erop beroept dat de tekortkoming van onvoldoende gewicht is om de ontbinding van de pachtovereenkomst met haar gevolgen voor zijn bedrijf te kunnen rechtvaardigen. Op die grond zal het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen. In dit verband is met name van belang dat inmiddels geen betalingsachterstand meer bestaat en dat [geïntimeerde] voor de toekomst een tijdige betaling van de pachtprijs heeft toegezegd.

4.11 Het hof passeert het door [appellanten] gedane bewijsaanbod omdat het niet, in ieder geval niet voldoende specifiek, betrekking heeft op feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden dan hiervoor gegeven.

4.12 De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden en dus dat het hof dat vonnis dient te bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, van 27 september 2007;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, D.J. van Dijk en G.P.M. van den Dungen en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2009.