Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1482

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
24-002522-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtredingen van de Opiumwet. Verdachte heeft hand- en spandiensten verricht voor de cocaïnehandel van zijn oom. Hij heeft gedurende ongeveer acht maanden bestellingen opgenomen en pakketjes cocaïne afgeleverd aan gebruikers. Het hof houdt daarnaast rekening met het feit dat in de woning van verdachtes oom en diens gezin, waar ook verdachte permanent verblijf hield, een hoeveelheid van in totaal ruim 40 gram cocaïne werd aangetroffen. In de belwinkel van verdachte werd voorts een op een vuurwapen gelijkend gasalarmpistool aangetroffen. Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op alsmede een werkstraf van de maximale duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest van 17 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], van [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft verklaard geen hoger beroep te hebben willen instellen tegen de vrijspraak ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten, in die zin dat verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover vatbaar voor hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks 1 april 2006 tot en met 24 april 2008 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [afnemer 1] en/of [afnemer 2] en/of [afnemer 3] en/of [afnemer 4] en/of [afnemer 5] en/of [afnemer 6] en/of [afnemer 7] en/of [afnemer 8] en/of [afnemer 9] en/of [afnemer 10] en/of [afnemer 11] en/of [afnemer 12] en/of [afnemer 13] en/of [afnemer 14] en/of een of meer ander(en), dealers- en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2008 in de gemeente [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk in de [adres] aanwezig heeft gehad ongeveer 40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 24 april 2008 in de gemeente [gemeente 1] een of meer wapens van categorie III, althans categorie I sub 7, te weten een gasalarmpistool (8 mm, merk Bruni) voorhanden heeft gehad.

In de hiervoor weergegeven tenlastelegging heeft het hof de door de eerste rechter toegelaten wijzigingen opgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2007 tot en met 24 april 2008 in de gemeenten [gemeente 1] en [gemeente 2] en [gemeente 3] en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd en verkocht en afgeleverd en verstrekt aan [afnemer 1] en/of [afnemer 2] en/of [afnemer 3] en/of [afnemer 4] en/of [afnemer 5] en/of [afnemer 6] en/of [afnemer 7] en/of [afnemer 8] en/of [afnemer 9] en/of [afnemer 10] en/of [afnemer 11] en/of [afnemer 12] en/of [afnemer 13] en/of [afnemer 14] gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 24 april 2008 in de gemeente [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk in de [adres] aanwezig heeft gehad ongeveer 40 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 24 april 2008 in de gemeente [gemeente 1] een wapen van categorie I sub 7, te weten een gasalarmpistool (8 mm, merk Bruni) voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep opgelegde straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. Het hof acht bewezen dat hij op enige schaal, aanzienlijk groter dan verdachte het hof heeft willen doen voorkomen, hand- en spandiensten heeft verricht voor zijn oom, die zich in [plaats] en omgeving bezighield met handel in cocaïne. Verdachte heeft gedurende ongeveer acht maanden ten behoeve van deze handel bestellingen opgenomen en pakketjes cocaïne afgeleverd aan gebruikers. Hij heeft verklaard dit te hebben gedaan, omdat zijn cultuur voorschrijft dat men (oudere) familieleden helpt, wanneer dat wordt gevraagd en voorts dat hij van zijn oom geen financiële vergoeding voor zijn diensten ontving. Daargelaten de vraag of er al dan niet sprake was van financieel gewin - over die vraag zal het hof zich uitlaten in de eveneens bij het hof aanhangig gemaakte vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - staat vast dat verdachte heeft deelgenomen aan handel in harddrugs, waarvan genoegzaam bekend is dat deze een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en ook overigens overlast en drugsgerelateerde criminaliteit met zich brengt. Voorts wijst het hof het standpunt van verdachte af dat al dan niet cultuurgebonden familieverplichtingen ook gelden, laat staan disculperen, wanneer in strafrechtelijk opzicht grenzen worden overschreden. Het hof houdt daarnaast rekening met het feit dat in de woning van verdachtes oom en diens gezin, waar ook verdachte permanent verblijf hield, een hoeveelheid van in totaal ruim 40 gram cocaïne werd aangetroffen. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie. Verbalisanten hebben in verdachtes belwinkel te [plaats] een gasalarmpistool aangetroffen dat een zodanige gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen dat het voorhanden hebben daarvan - gelet op de bedreiging die ervan uit kan gaan - ingevolge voornoemde wet niet is toegestaan.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 20 januari 2009. Daaruit blijkt dat verdachte recentelijk éénmaal eerder is veroordeeld voor een tweetal economische delicten en - opnieuw - een overtreding van de Wet wapens en munitie. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigt. Gelet echter op het beperkte strafblad van verdachte en de door hem reeds ondervonden nadelige gevolgen van zijn gedragingen - het hof doelt daarmee op de ondergane voorlopige hechtenis en de daarmee samenhangende faillietverklaring van zijn belwinkel - zal het hof deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, zij het dat deze van iets langere duur zal zijn dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte weliswaar zijn spijt heeft betuigd over het bewezen verklaarde, maar tevens zijn aandeel daarin bagatelliseert en enigszins vergoelijkt. Uit het oogpunt van repressie zal het hof daarnaast aan verdachte een werkstraf opleggen van de wettelijk toegestane maximale duur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22c, 22d, 47, 57 (oud), 57, 63 (oud) en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door P.W.J. Sekeris, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.