Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1358

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
24-002996-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002996-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-400100-07

Arrest van 16 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.T.C Jordaans, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, de vordering van de benadeelde partij ad € 6.255,= zal toewijzen tot een bedrag van € 2.255,= en ter zake van dat bedrag tevens een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de benadeelde partij voor het overige gevorderde niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegde, dat:

hij op of omstreeks 13 januari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk één of meermalen (krachtig) met een (gummi)knuppel, althans een hard voorwerp, tegen/op het hoofd te slaan;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 januari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meermalen (krachtig) met een (gummi)knuppel, althans een hard voorwerp, tegen/op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 januari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), één of meermalen (krachtig) met een (gummi)knuppel tegen/op het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande, dat:

hij op 13 januari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen krachtig met een hard voorwerp tegen/op het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair:

zware mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 13 januari 2007 [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, door hem met een hard voorwerp tweemaal tegen/op het hoofd te slaan. Hierdoor heeft [benadeelde] onder meer een fractuur van de schedel en een hersenbeschadiging opgelopen. De hersenbeschadiging heeft geleid tot mogelijk blijvend verlies van reuk en smaak. [benadeelde] heeft twee weken niet kunnen werken en heeft geen examen kunnen doen voor zijn opleiding tandtechniek. Hij is maanden onder behandeling geweest bij medici. Door het plegen van dit feit heeft verdachte de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [benadeelde] ernstig geschonden.

Uit het schadeonderbouwingsformulier, gevoegd bij het voegingsformulier van [benadeelde] blijkt, dat hij van het handelen van verdachte erg is geschrokken en dat hij erg veel moeite heeft met het feit, dat hij niet meer kan genieten van voedsel, aangezien hij niets proeft. Hij voelt zich, vooral als hij alleen is, snel onzeker. Door het handelen van verdachte wordt hij dagelijks geconfronteerd met een beperking van zijn levensvreugde.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting "Art. 302 Sr zware mishandeling" acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel geboden.

Daar staat echter tegenover dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2009 niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Verdachte werkt als heftruckchauffeur, is gehuwd en heeft mede de zorg voor een jong kind.

Op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden van verdachte is het hof van oordeel dat een deel van de - in beginsel onvoorwaardelijk - op te leggen gevangenisstraf vervangen kan worden door een werkstraf. De ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt evenwel niet de oplegging van uitsluitend een werkstraf. Een dergelijke strafoplegging - zoals deze door de advocaat-generaal is gevorderd - doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Daarom zal naast de werkstraf van maximale duur tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Met die voorwaardelijke straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan een (soortgelijk) strafbaar feit schuldig te maken.

Al het vorenstaande leidt ertoe dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, zal worden opgelegd.

Benadeelde partij [benadeelde]

Gebleken is, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vaststaat dat door het bewezen verklaarde feit door de benadeelde partij rechtstreeks schade is geleden, voor welke schade verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor immateriële schade tot een bedrag van € 6.000,= en voor materiële schade een bedrag van € 255,=. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van het hof dient de immateriële schade te worden begroot op in ieder geval een bedrag van € 2.000,= en is de materiële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 255,=. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijsbaar tot een bedrag van

€ 2.255,=. Het komt het hof gewenst voor om dit bedrag tevens toe te wijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan

aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 36f (oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweeduizend tweehonderdvijfenvijftig euro, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, te rekenen vanaf dag waarop de schade is ontstaan;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizend tweehonderdvijfenvijftig euro, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, te rekenen vanaf dag waarop de schade is ontstaan, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tweeëndertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Koolschijn, voorzitter, mr. Anjewierden en mr. Rietveld, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier.