Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1356

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
24-000027-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat verdachte in voorwaardelijke vorm opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Verdachte wordt ter zake van poging tot doodslag - gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000027-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-607268-06

Arrest van 16 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Polat, advocaat te Lelystad.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, heeft maatregelen opgelegd en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij ad € 1.245,80 zal toewijzen en ter zake van dat bedrag tevens een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Met betrekking tot de in beslag genomen niet teruggegeven voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vlindermes zal worden onttrokken aan het verkeer en dat het shirt zal worden teruggegeven aan [slachtoffer].

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 juni 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een (vlinder)mes, in ieder geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in ieder geval in het lichaam, heeft gestoken/gesneden/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juni 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een (vlinder)mes, in ieder geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in ieder geval in het lichaam, heeft gestoken/gesneden/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juni 2006 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een (vlinder)mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in ieder geval in het lichaam, heeft gestoken/gesneden/geprikt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Door het handelen van verdachte is volgens de raadsman geen aanmerkelijke kans geweest op de dood van [slachtoffer].

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het navolgende gebleken.

Verdachte is na het uitgaan, onder invloed van alcoholhoudende drank, achter het slachtoffer aangerend en heeft hem zonder enige aanleiding ongecontroleerd met een mes in de rug gestoken. Door aldus te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer om het leven zou kunnen komen. Immers, hij had het slachtoffer in vitale lichaamsdelen kunnen raken en het is een feit van algemene bekendheid dat in zo'n geval de kans op het intreden van de dood als aanmerkelijk is aan te merken.

Verdachte heeft zich ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer] dan ook schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande, dat:

hij op 18 juni 2006 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een vlindermes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte zijn door dr. F. Koenraadt, psycholoog NIP, en O.F. Schroth, psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige, op 16 oktober 2006 respectievelijk een psychologisch- en een psychiatrisch rapport uitgebracht. Die rapporten houden als conclusie in - zakelijk weergegeven -, dat het ten laste gelegde verdachte respectievelijk in enigszins en in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die tot de zijne.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 18 juni 2006 onder invloed van alcoholhoudende drank gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een vlindermes in de rug te steken. Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] aangetast.

Poging tot doodslag is een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van in beginsel aanzienlijke duur passend en geboden.

Hier staat echter het volgende tegenover.

Verdachte heeft zich inmiddels voor zijn alcoholgebruik laten behandelen bij De Waag en heeft de Training Alcohol Delinquentie (TAD) gevolgd. Door die behandeling en training heeft hij zijn alcoholgebruik onder controle gekregen. Het feit dat verdachte die behandeling en training met goed gevolg heeft afgerond duidt op een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d.

17 februari 2009 blijkt, dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts blijkt uit dat uittreksel, dat verdachte na het plegen van het bewezen verklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op verdachtes strafblad en houding na het delict lijkt het optreden van verdachte een incident te zijn geweest.

Het bewezen verklaarde feit kan verdachte in enigszins/licht verminderde mate worden toegerekend.

Op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden van verdachte en mede in aanmerking nemende het lange tijdsverloop (anders dan in de zin van "undue delay") sedert het plegen van het feit, is het hof van oordeel, dat in dit geval een passende bestraffing gevonden kan worden in de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De aard en de ernst van het gepleegde feit rechtvaardigen evenwel niet de oplegging van uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een dergelijke strafoplegging is te licht. Daarom zal tevens een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd en wel voor de maximale duur van 240 uren. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde werkstraf van 200 uren, welke werkstraf eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd, in onvoldoende mate recht doen aan de aard en de ernst van het gepleegde feit.

Met de voorwaardelijke straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan een (soortgelijk) strafbaar feit schuldig te maken.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [slachtoffer] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vaststaat dat door het bewezen verklaarde feit door de benadeelde partij schade is geleden, voor welke schade verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist. De vordering van de benadeelde partij ad € 1.245,80 is dan ook toewijsbaar.

Het komt het hof gepast voor om dit bedrag tevens toe te wijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren vlindermes is daarvoor vatbaar. Immers, met behulp van dat voorwerp is het bewezen verklaarde feit begaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat het toebehoort aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 33, 33a, 36f (oud), 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart verbeurd:

een vlindermes, kleur zilver, houten handvat (kleur bruin);

gelast de teruggave aan [slachtoffer] van:

een shirt, kleur blauw;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizendtweehonderdvijfenveertig euro en tachtig cent, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de schade is ontstaan;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend tweehonderdvijfenveertig euro en tachtig cent, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de schade is ontstaan, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tweeëntwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Rietveld, voorzitter, mr. Koolschijn en mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van Wilkens als griffier.