Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI1243

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
21-004290-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 3 maart 2009 ter zake van belastingfraude en het bedrijfsmatig overtreden van de Auteurswet 1912 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof gaat in op de betekenis van het strekkingsvereiste van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004290-06

Uitspraak d.d.: 3 maart 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

10 oktober 2006 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

volgens eigen zeggen wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 oktober 2008 en 17 februari 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr dr D.J.P.M. Vermunt, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is kennelijk niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastgelegde opzettelijk niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van de bij de belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak augustus 2003.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover het aan zijn oordeel is onderworpen, vernietigen om technische redenen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg ten aanzien van feit 4, tenlastegelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 1 april 2001 tot en met 3 augustus 2005 in de

gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten de aangifte(n) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de

ja(a)r(en) 2000 en/of 2001 en/of 2002 en/of 2003 en/of 2004,

niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan en of heeft

laten doen, aan de Inspecteur der Belastingen van eenheid

Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven;

2.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf A] in of

omstreeks de periode 23 mei 2000 tot en met 24 december 2002 in de gemeente

Winterswijk en/of Heerlen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte

omzetbelasting als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten een of meer na te noemen aangifte(n) omzetbelasting,

onjuist of onvolledig heeft gedaan en of heeft laten doen, aan de Inspecteur

der Belastingen van eenheid Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven, immers heeft hij (telkens) opzettelijk op de/het bij de belastingdienst te Winterswijk ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over de

aangiftetijdvak(ken), 1e kwartaal 2000 en/of 2e kwartaal 2000 en/of 3e kwartaal 2000 en/of 3e kwartaal 2002 en/of november 2002 (telkens) (een) onjuist bedrag(en) aan omzet en/of terug te vorderen/te betalen omzetbelasting vermeld en/of doen vermelden;

3.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf A] in of

omstreeks de periode 31 januari 2001 tot en met 31 januari 2005 in de gemeente

Winterswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte

omzetbelasting, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten een of meer na te noemen aangifte(n) omzetbelasting over de

aangiftetijdvak(ken), 4e kwartaal 2000 en/of mei 2001 en/of 1e kwartaal 2002 en/of 2e kwartaal 2002 en/of mei 2003 en/of juli 2003 en/of september 2003 en/of oktober 2003 en/of november 2003 en/of december 2003 en/of januari 2004 en/of

februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004

en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004

en/of november 2004 en/of december 2004, niet en/of niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft gedaan en of heeft laten doen, aan de Inspecteur der Belastingen van eenheid

Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2005

in de gemeente Groenlo en/of (elders) in Nederland

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk één of meer voorwerpen, te weten om en nabij 15.000

muziekwerken, alhans een grote hoeveelheid muziekwerken, waarvan een gedeelte

is vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijst,

waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht, immers het auteursrecht

berustte niet bij verdachte,

(een) werk(en), te weten muziekwerken met of zonder woorden, was/waren vervat,

openlijk ter verspreiding heeft aangeboden en/of heeft doen aanbieden, en/of

ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft gehad, en/of

voorhanden heeft doen hebben, en/of heeft ingevoerd en/of heeft doen

invoeren, en/of heeft doorgevoerd en/of heeft doen doorvoeren, en/of heeft

uitgevoerd en/of heeft doen uitvoeren, en/of heeft bewaard uit winstbejag

en/of heeft doen bewaren uit winstbejag,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van de misdrijven, zoals

hierboven vermeld, zijn beroep heeft gemaakt en/of het plegen van deze

misdrijven als bedrijf heeft uitgeoefend;

(Zie voor de inhoud van de aan de dagvaarding gehechte lijst bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Volgens de raadsman biedt het dossier geen deugdelijke onderbouwing voor de juistheid van het verwijt dat telkens te weinig belasting werd geheven. Hiertoe heeft de raadsman op grond van in zijn pleitnota genoemde redenen aangevoerd dat de “Ambtsedige verklaring inzake nadeel” d.d. 22 februari 2006 van [B] (boete- en fraudecoördinator van de Belastingdienst) ondeugdelijk is.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder wordt daartoe het volgende overwogen.

Onder 1, 2 en 3 is telkens tenlastegelegd “terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven”. Met deze zinsnede is beoogd het niet of niet tijdig dan wel het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte als misdrijf strafbaar te stellen indien door die gedraging de te geringe heffing naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk is. De strekking van de gedraging kan worden aangenomen op grond van ervaringsgegevens die tot het oordeel leiden dat dergelijke gedragingen, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt zijn om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven.

Het niet doen van aangifte, zoals onder 1 en 3 tenlastegelegd, is een gedraging die in het algemeen beschouwd het risico in zich bergt en derhalve de strekking heeft, dat geen of te weinig belasting wordt geheven. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, behoeft - anders dan de raadsman heeft betoogd - derhalve niet te worden vastgesteld hoeveel belasting verdachte bij een correcte aangifte verschuldigd zou zijn geweest. In dit kader treft het verweer dat de ambtsedige verklaring van [B] (boete- en fraudecoördinator van de Belastingdienst) ondeugdelijk is, dan ook geen doel.

Onder 2 is tenlastegelegd het onjuist of onvolledig doen van aangiften ter zake van omzetbelasting. Aan het strekkingsvereiste is reeds voldaan, indien vaststaat dat delen van gerealiseerde omzet niet zijn aangegeven of voorbelasting te hoog is aangegeven. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat achteraf het eindresultaat over een bepaalde periode kan zijn dat er niet te weinig belasting is geheven. Op grond van het verhandelde ter zitting, in het bijzonder gelet op de verklaring van getuige [C] (accountant van verdachte), is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat bepaalde posten op de in de bewezenverklaring genoemde aangiften onjuist (te laag) zijn opgegeven. Ook in dit kader treft het verweer van de raadsman derhalve geen doel.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode 1 april 2001 tot en met 3 augustus 2005 in de

gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als

bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de

jaren 2000 en 2001 en 2002 en 2003 en 2004,

niet heeft gedaan aan de Inspecteur der Belastingen van eenheid

Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl die feiten er telkens toe hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven;

2.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf A], in de periode 23 mei 2000 tot en met 24 december 2002 in de gemeente

Winterswijk en/of elders in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte

omzetbelasting als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten na te noemen aangiften omzetbelasting,

onjuist of onvolledig heeft gedaan aan de Inspecteur

der Belastingen van eenheid Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl die feiten er (telkens) toe hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven, immers heeft hij telkens opzettelijk op de bij de belastingdienst te Winterswijk ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over de

aangiftetijdvakken, 1e kwartaal 2000 en 2e kwartaal 2000 en 3e kwartaal 2000 en 3e kwartaal 2002 en november 2002 telkens onjuist bedragen aan omzet en/of terug te vorderen/te betalen omzetbelasting vermeld;

3.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf A] in de periode 31 januari 2001 tot en met 31 januari 2005 in de gemeente

Winterswijk en/of elders in Nederland telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte

omzetbelasting, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen,

te weten na te noemen aangiften omzetbelasting over de

aangiftetijdvakken, 4e kwartaal 2000 en mei 2001 en 1e kwartaal 2002 en 2e kwartaal 2002 en mei 2003 en juli 2003 en september 2003 en oktober 2003 en november 2003 en december 2003 en januari 2004 en

februari 2004 en maart 2004 en april 2004 en mei 2004 en juni 2004

en juli 2004 en augustus 2004 en september 2004 en oktober 2004

en november 2004 en december 2004, niet heeft gedaan aan de Inspecteur der Belastingen van eenheid

Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk,

terwijl die feiten er telkens toe hebben gestrekt dat er te

weinig belasting werd geheven;

4.

hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2005

in de gemeente Groenlo en/of elders in Nederland

meermalen,

telkens opzettelijk voorwerpen,

waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht, immers het auteursrecht

berustte niet bij verdachte,

werken, te weten muziekwerken met of zonder woorden, waren vervat,

openlijk ter verspreiding heeft aangeboden en

ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft gehad en/of heeft bewaard uit winstbejag

terwijl hij, verdachte, het plegen van deze

misdrijven als bedrijf heeft uitgeoefend;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

telkens:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Het als bedrijf uitoefenen van het plegen van de misdrijven, als bedoeld in artikel 31a van de Auteurswet 1912.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De raadsman heeft (indien het hof tot een veroordeling zou komen) verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte reeds veel is kwijtgeraakt, omdat ter inning van belastingaanslagen bezittingen van verdachte zijn geveild, de nadeelberekening van [B] (boete- en fraudecoördinator van de Belastingdienst) niet kan worden gevolgd omdat het door verdachte veroorzaakte nadeel aanmerkelijk minder is, en verdachte is belast met de zorg voor vier kinderen.

Het hof ziet in het door de verdediging aangevoerde geen redenen om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. In de onderhavige zaak is de hoogte van het benadelingsbedrag niet exact vast te stellen. Dit is aan verdachte te wijten, omdat verdachte een volstrekt ondeugdelijke administratie voerde. Uit het verhandelde ter zitting is wel gebleken dat verdachte structureel en op grove wijze zijn fiscale verplichtingen niet is nagekomen. Op basis van hetgeen [B] (boete- en fraudecoördinator van de Belastingdienst) heeft vastgesteld, gaat het hof ervan uit dat het nadeel in elk geval omvangrijk was. Dit geldt ook indien rekening wordt gehouden met de door de verdediging aangevoerde aftrekposten, voor zover deze al voor verrekening in aanmerking zouden komen. En overigens ziet het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van [B] (boete- en fraudecoördinator van de Belastingdienst).

Voorts heeft verdachte bedrijfsmatig gedurende een lange periode de Auteurswet 1912 overtreden. Aannemelijk is geworden dat verdachte na de ontbinding van de zogeheten overeenkomst achtergrondmuziek is doorgegaan met het ongeautoriseerd leveren van

[repertoire] aan horecaondernemingen en dat verdachte vervolgens ook zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2009 is verdachte reeds tweemaal veroordeeld wegens overtreding van artikel 31b van de Auteurswet 1912. Ook heeft verdachte ter zake van het onderhavige feitencomplex reeds diverse civiele procedures verloren. Kennelijk heeft verdachte deze illegale maar lucratieve activiteit hardnekkig ondanks dit soort waarschuwingen voortgezet. Het hof is er dan ook niet gerust op dat met deze strafzaak een einde komt aan het illegale handelen van verdachte mede nu verdachte ter zitting heeft verklaard nog steeds in dezelfde branche werkzaam te zijn. Voor de ernst van het onder 4 bewezenverklaarde is tekenend dat getuige-deskundige [D] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in de 24 jaar dat hij bij de stichting Stemra werkzaam was, niet anderszins heeft meegemaakt dat er door iemand gedurende zo’n lange periode zoveel inbreuken op eens anders auteursrecht werden gemaakt. Deze zaak was wel “het hoogtepunt”.

Gezien het bovenstaande acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden in beginsel gerechtvaardigd. In de omstandigheden dat de behandeling van de strafzaak lang heeft geduurd en dat het oude feiten betreft, ziet het hof evenwel aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht het hof passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Het hof zal aldus een zwaardere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is geëist. Aangezien de Wet voorwaardelijke invrijheidstelling inmiddels in werking is getreden, zal het hof aldus (netto) ook een zwaardere straf opleggen dan door de rechtbank is opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 31a en 31b van de Auteurswet 1912, artikel 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastgelegde opzettelijk niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van de bij de belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak augustus 2003.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 3 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.