Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0994

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
24-002039-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002039-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-910032-06

Arrest van 14 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 augustus 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1945] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. H. Meeuwis, advocaat te Dronten.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - zoals ter terechtzitting gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1999 tot 27 april 2006 in de gemeente(s) [gemeente 1] en/of [gemeente 2], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de caravan en/of de woning aan [woonadres] te [gemeente 1] de en/of aan de [adres] te [woonplaats] en/of van de in die caravan en/of woning aanwezige voorzieningen zoals gas en/of water en/of electriciteit en/of opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende, althans terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de huur van die caravan en/of woning en/of die voorzieningen en/of die eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd(e) adres(sen) samenwoonde- door valsheid in geschrifte of door oplichting of door verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2001 tot 27 april 2006 in de gemeente [gemeente 2], (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en/of van de in die woning aanwezige voorzieningen en opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die voorzieningen en/of die eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus telkens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich van 1 november 2001 tot 27 april 2006 schuldig gemaakt aan het opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken. Hij woonde in die periode samen met [medeverdachte] in [woonplaats]. Dit samenwonen meldde [medeverdachte] niet bij de desbetreffende instantie, waardoor zij ten onrechte een uitkering kreeg krachtens de Algemene Nabestaandenwet. Verdachte wist hiervan. [medeverdachte] voldeed hierdoor niet aan de verplichting tijdig de benodigde gegevens te vertrekken én zij pleegde hiermee valsheid in geschrift. Verdachte heeft gebruik gemaakt van de woning, de in de woning aanwezige voorzieningen en eet- en drinkwaren genuttigd die (gedeeltelijk) werden betaald van de uitkering die [medeverdachte] kreeg.

Onder deze omstandigheden heeft verdachte gedurende een lange periode opzettelijk voordeel getrokken uit de opbrengst van de aan [medeverdachte] verstrekte uitkering. Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Hij heeft zich bevoordeeld ten koste van de Nederlandse gemeenschap en heeft het vertrouwen en de solidariteitsgedachte, waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland onder meer is gebaseerd, geschaad.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 18 augustus 2008 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een werkstraf - zoals door de advocaat generaal gevorderd - van na te melden duur dient te worden opgelegd. Deze is lager dan de werkstraf die de rechtbank heeft opgelegd. Het hof komt tot een kortere pleegperiode dan de rechtbank. Dit werkt door in de strafhoogte. Daarnaast legt het hof in verband met de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde een - door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde - voorwaardelijke gevangenisstraf op. Deze straf is mede bedoeld om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14a (oud), 14b, 14b (oud), 14c, 22c (oud), 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. W. Foppen en

mr. H. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde

mr. Foppen en mr. Elzinga voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.