Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0992

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
24-002038-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken in verband met de door haar genoten uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002038-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-910031-06

Arrest van 14 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 augustus 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. T. H. Meeuwis, advocaat te Dronten.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 september 1999 tot en met 7 oktober 2002 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier van de Sociale Verzekeringsbank (Inkomensformulier in verband met de inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet) waarop (onder meer) opgave moest worden gedaan of er op het adres waar verdachte feitelijk woonde meer personen woonden - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk niet vermeld met [medeverdachte] samen te wonen en/of een gezamenlijke huishouding te voeren en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 oktober 2002 tot 27 april 2006 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 35 van de Algemene Nabestaandenwet, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte (telkens) wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, (telkens) aan de Sociale Verzekeringsbank te [plaats 2] samenwoning/het voeren van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] niet gemeld.

Bewezenverklaring

het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 november 2001 tot en met 7 oktober 2002 in de gemeente [gemeente], meermalen, telkens een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten een formulier van de Sociale Verzekeringsbank (Inkomensformulier in verband met de inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet) waarop opgave moest worden gedaan of er op het adres waar verdachte feitelijk woonde meer personen woonden - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk niet vermeld met [medeverdachte] samen te wonen en telkens dat formulier ondertekend met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

2.

zij in de periode van 8 oktober 2002 tot 27 april 2006 in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 35 van de Algemene Nabestaandenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de Sociale Verzekeringsbank te [plaats 2] samenwoning/het voeren van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] niet gemeld.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2:

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 november 2001 tot 7 oktober 2002 meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Daarnaast heeft verdachte zich in de periode van 8 oktober 2002 tot 27 april 2006 schuldig gemaakt aan het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken in verband met de door haar genoten uitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet. Zij woonde in voornoemde perioden samen met [medeverdachte]. Dit samenwonen meldde zij niet aan de desbetreffende instantie, waardoor zij ten onrechte voornoemde uitkering genoot.

Verdachte heeft door haar handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Zij heeft zich bevoordeeld ten koste van de Nederlandse gemeenschap en heeft het vertrouwen en de solidariteitsgedachte, waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland onder meer is gebaseerd, geschaad. Ook heeft zij, door valsheid in geschrift te plegen, het vertrouwen dat in het algemeen in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in het gebruik van geschriften die tot bewijs dienen, geschaad.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een haar betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 18 augustus 2008 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een werkstraf - zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat generaal gevorderd - van na te melden duur dient te worden opgelegd. Daarnaast legt het hof in verband met de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde een - door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde - voorwaardelijke gevangenisstraf op. Deze straf is mede bedoeld om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14a (oud) 14b, 14b (oud) 14c, 14b, 22c (oud), 22d, 57 (oud), 225 (oud) en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. W. Foppen en

mr. H. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde

mr. Foppen en mr. Elzinga voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.