Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0795

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
07-00584
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht.

Verzwaarde bewijs inzake lagere waardering van tot de nalatenschap behorende woning niet geleverd door belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/27.1.4
FutD 2009-0820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 07/00584

uitspraakdatum: 31 maart 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 2 november 2007, nummer AWB 07/1591, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is wegens een in 2000 opgekomen verkrijging krachtens

erfrecht ambtshalve een aanslag in het recht van successie opgelegd (aanslagnummer: 001), berekend naar een verkrijging van ƒ 327.390.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de

Inspecteur bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een aanslag, berekend naar een verkrijging van ƒ 304.629.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de

Rechtbank. Bij uitspraak van 2 november 2007 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. Een naar aanleiding van het verweerschrift namens belanghebbende ingediende brief van 29 februari 2008 is door het Hof als conclusie van repliek aangemerkt. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.5. Het eerste onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 16 juli 2008 te

Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: A als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door B alsmede de Inspecteur.

1.6. Op deze zitting is belanghebbende in de gelegenheid gesteld vóór 1 september 2008

met bewijzen onderbouwd, schriftelijk inlichtingen te verschaffen met betrekking tot de hoogte van de nalatenschap.

1.7. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 28

augustus 2008 met 5 bijlagen. De Inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 15 september 2008.

1.8. Een tweede onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 17 maart

2009 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: B als gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.9. Van het verhandelde ter beide zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt.

Afschriften daarvan zijn aan deze uitspraak gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende voerde sinds 1996 een gemeenschappelijke huishouding met de

erflater, C (hierna: de erflater). Deze is op 00 januari 2000 overleden. De erflater had bij testament van november 1997 zijn gehele nalatenschap tegen inbreng van de waarde aan belanghebbende gelegateerd en belanghebbende alsmede zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd met dien verstande dat de door belanghebbende uit hoofde van het legaat aan de kinderen verschuldigde uitkeringen eerst bij het overlijden van belanghebbende opeisbaar werden gesteld, zulks met een beroep op de verzorgingsverplichting van de erflater jegens haar.

2.2. De beide kinderen van de erflater, D en E, hebben een

beroep gedaan op hun legitieme. Daarover is in 2000 een civiele procedure aanhangig gemaakt. Uiteindelijk hebben belanghebbende en de beide kinderen op 23 juli 2004 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij werd overeengekomen dat de beide kinderen uit de nalatenschap elk een uitkering van € 50.000 zouden verkrijgen.

2.3. Aangezien geen aangifte werd gedaan voor het recht van successie heeft de Inspecteur met dagtekening 18 december 2002 aan belanghebbende ambtshalve een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 327.390. Deze verkrijging was gebaseerd op een opgave door B van een waardering door F makelaars, aangesloten bij de NVM, van de waarde van de auto’s op ƒ 23.500, van de caravan op ƒ 5.000, van de inboedel op ƒ 650 en van het woonhuis op ƒ 675.000 zodat de waarde van deze activa uitkwam op ƒ 704.150. Inclusief een geschat bank/girotegoed is de waarde van de totale activa door de Inspecteur gesteld op ƒ 750.000. De passiva zijn door hem geschat op ƒ 225.000. Daarmee kwam de waarde van de nalatenschap uit op ƒ 525.000. Belanghebbendes verkrijging is vervolgens berekend op basis van een verkrijging van het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en een derde deel van de bloot-eigendom, zulks tot een totaal van ƒ 327.390.

2.4. Na bezwaar door belanghebbende heeft de Inspecteur de verkrijging van belanghebbende uiteindelijk vastgesteld op de waarde van de nalatenschap van ƒ 525.000 verminderd met de uit hoofde van de voormelde vaststellingsovereenkomst aan de kinderen uitbetaalde bedragen van elk € 50.000 (in totaal ƒ 220.371) zodat deze per saldo uitkwam op ƒ 304.629.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende heeft zich in bezwaar en in de procedure voor de Rechtbank op het standpunt gesteld dat niet de nalatenschap doch de verkrijging van belanghebbende met de betalingen aan de beide kinderen dient te worden verminderd. Dat standpunt is zowel door de Inspecteur als door de Rechtbank verworpen.

3.2. In haar beroepschrift in hoger beroep heeft belanghebbende haar standpunt herhaald en getuigenbewijs aangeboden met betrekking tot de vraag of aan de kinderen van de erflater eveneens ambtshalve aanslagen in het recht van successie zijn opgelegd.

3.3. Ter zitting van 16 juli 2008 is evenwel gebleken dat het geschil in feite niet betrekking heeft op de vraag of aan de kinderen van de erflater al dan niet aanslagen in het recht van successie zijn opgelegd doch of de grootte van de nalatenschap door de Inspecteur terecht op ƒ 525.000 is vastgesteld. Vervolgens heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld daaromtrent nadere gegevens te verstrekken met als uitgangspunt dat, bij gebreke van een aangifte, belanghebbende moet doen blijken dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd.

3.4. Tussen partijen is thans nog in geschil of de Inspecteur de grootte van de nalatenschap terecht op ƒ 525.000 heeft berekend, uitgaande van een waarde van het tot de nalatenschap behorende huis van ƒ 675.000. Naar het oordeel van belanghebbende dient de grootte van de nalatenschap te worden gesteld op ƒ 350.000, uitgaande van een waarde van het tot de nalatenschap behorende huis van ƒ 500.000.

3.5. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting nog hebben toegevoegd, wordt verwezen naar de processen-verbaal van de beide zittingen.

3.6. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belaste verkrijging van ƒ 107.019.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Aangezien geen aangifte voor het recht van successie is gedaan, rust ingevolge artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen op belanghebbende de verzwaarde bewijslast om te doen blijken dat de in de nalatenschap begrepen waarde van het huis gesteld dient te worden op een lager bedrag dan de door de Inspecteur gehanteerde ƒ 675.000.

4.2. Niet in geschil is dat het bedrag van ƒ 675.000 is gebaseerd op een taxatie van de waarde van het huis door een NVM-makelaar. Deze taxatie is opgemaakt binnen een jaar na het overlijden van erflater en is in een civiele procedure ingebracht die is gevoerd tussen de erfgenamen met betrekking tot de uitleg van het testament van erflater. In het taxatierapport is niet aangegeven naar welke datum de taxatie is uitgevoerd.

4.3. Met hetgeen door belanghebbende aan stukken is overgelegd, doet zij niet blijken dat de waarde van het huis op de sterfdatum van de erflater lager was dan genoemd bedrag van ƒ 675.000. De gestelde waarde voor de WOZ voor de jaren 2006, 2007 en 2008 en de – niet overgelegde – taxatie van makelaar G in 2008, bieden onvoldoende basis om door terugrekening een waarde per sterfdatum te bepalen.

4.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de waarde van het huis voor de berekening van de grootte van de nalatenschap en het bedrag van de verkrijging door belanghebbende, gelet op de wijze van vaststelling van die waarde en de omstandigheid dat die waarde mede heeft gediend bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst tussen de erfgenamen, in redelijkheid op ƒ 675.000 kunnen stellen.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Zwemmer, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 31 maart 2009 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. J.P.M. Kooijmans.

De griffier, Namens de voorzitter,

(C.E. te Brake) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 maart 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.