Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0794

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
07/00519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Internetbetalingsopdracht van griffierecht op laatste dag van de termijn leidt tot een te late betaling van het griffierecht en tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0823
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak op verzet

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer: 07/00519

uitspraakdatum: 31 maart 2009

uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het verzet van

X, woonachtig te Z (hierna: belanghebbende)

1. De uitspraak waarvan verzet

Het verzetschrift van belanghebbende is ter griffie van het Hof ontvangen op 20 juni 2008. Het richt zich tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 16 mei 2008 op het hoger beroep van belanghebbende. Een kopie van die uitspraak, waarbij belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is aan deze uitspraak gehecht.

2. Behandeling van het verzet

2.1. Tot de stukken waarop het Hof bij de beoordeling van het verzet acht slaat behoren het hogerberoepschrift en verzetschrift van belanghebbende, alsmede de schriftelijke reactie op het verzet van de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur), alsmede de stukken inzake de betaling van het griffierecht.

2.2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

3. De vaststaande feiten en de gronden van het verzet

3.1. Belanghebbendes hogerberoepschrift is op 13 november 2007 ontvangen ter griffie van het Hof.

3.2. Bij aangetekende brief van 22 januari 2008, gericht aan het door belanghebbende in haar hogerberoepschrift opgegeven adres heeft de griffier van dit Hof belanghebbende erop gewezen dat deze ter zake van het instellen van het hoger beroep een griffierecht van € 106 is verschuldigd.

3.3. In deze brief is vermeld:

“Hierbij breng ik u mijn brief van 13 december 2007 in herinnering. Zover ik kan nagaan is tot op heden het verschuldigde griffierecht van € 106 niet contant betaald of op bovenvermelde bankrekening bijgeschreven. Ik verzoek u dit bedrag – bij voorkeur door gebruikmaking van bijgevoegde acceptgiro – over te maken op bovenvermelde bankrekening. Indien u gebruik maakt van internetbankieren verzoek ik u het kenmerknummer zoals vermeld op de acceptgiro bij de betaling te vermelden.

Het bedrag dient uiterlijk 19 februari 2008 te zijn bijgeschreven op onze bankrekening, ofwel contant te zijn betaald op bovenvermeld bezoekadres. Als dit niet is gebeurd kan het beroep niet ontvankelijk worden verklaard. Het Gerechtshof zal het beroep dan niet in behandeling nemen.

Ik wijs u erop dat het overmaken van gelden aanzienlijke tijd vergt. Bied uw betalingsopdracht daarom ruim voor de genoemde datum aan uw bank aan. Voor de vraag of het griffierecht tijdig is betaald, wordt alleen gelet op de datum waarop het bedrag contant is betaald of op de bovenvermelde bankrekening is bijgeschreven. De datum van afschrijving van uw bankrekening is daarbij niet van belang.”

3.4. Het verschuldigde griffierecht is op 20 februari 2008 op de bankrekening van het Hof bijgeschreven.

3.5. Bij de in verzet bestreden uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof is belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.6. De gronden waarop belanghebbende haar verzet baseert zijn vermeld in het verzetschrift alsmede in de ter zitting overgelegde pleitnotitie.

4. Beoordeling van het verzet

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 27l, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het verschuldigde griffierecht, binnen vier weken nadat de griffier van het Hof de indiener van het hogerberoepschrift op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen, te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.2. De termijn voor het betalen van het griffierecht eindigde in dit geval op 19 februari 2008. Uit een onderzoek dat het Hof heeft ingesteld bij de centrale boekhouding van de gerechten in het arrondissement Arnhem is gebleken dat het verschuldigde griffierecht op 20 februari 2008 op de rekening van de gerechten is bijgeschreven. Het griffierecht is derhalve niet tijdig betaald. Niet-ontvankelijk verklaring blijft uitsluitend achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.3. Belanghebbende heeft in verzet aangevoerd dat een stichting het bedrag in haar naam op 19 februari 2008 – de laatste dag van de termijn – met gebruikmaking van internetbankieren heeft overgeboekt van haar girorekening naar de bankrekening van het Hof. Internetbankieren is – aldus belanghebbende – een kwestie van seconden. Dat het bedrag niet op diezelfde datum op de rekening van het Hof is bijgeschreven kan haar niet worden verweten.

4.4. Naar het oordeel van het Hof maken de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Met het geven van de elektronische betalingsopdracht is gewacht tot de laatste dag van de termijn. Enige marge voor een niet prompte verwerking van de betalingsopdracht is daarbij niet in acht genomen. Op het risico van een eventuele geringe hapering in de verwerking, bijvoorbeeld door een in de praktijk nu eenmaal voorkomend verschil tussen de debitering van de rekening van de betalende partij en de creditering van de rekening van de ontvangende partij, is derhalve niet geanticipeerd. Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende de zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar kan worden gevraagd om te bewerkstelligen dat het verschuldigde griffierecht tijdig op de rekening van het Hof zou zijn bijgeschreven.

4.5. Dat een stichting het bedrag namens belanghebbende heeft overgemaakt maakt dit oordeel niet anders, nu het redelijkerwijs op de weg van belanghebbende ligt om – indien zij een derde verzoekt het verschuldigde griffierecht te betalen – ervoor te waken dat dit tijdig gebeurt.

4.6. Ook belanghebbendes stelling dat zij het bedrag van de stichting moest lenen is onvoldoende in het licht van het feit dat belanghebbende reeds op 13 november 2007 – op het moment waarop het hoger beroep werd ingesteld – ervan op de hoogte was dan wel had kunnen zijn dat zij binnen afzienbare termijn griffierechten verschuldigd zou worden.

4.7. Andere feiten of omstandigheden die de conclusie zouden rechtvaardigen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest zijn niet gesteld of aannemelijk geworden.

4.8. Het verzet van belanghebbende is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. R. den Ouden, raadsheer, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer in aanwezigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2009.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(S. Darwinkel) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 maart 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.