Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0619

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
104.001.150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 31 pachtwet (oud), artikel 7:350 BW

Vervolg van LJN BG7055. Hof blijft bij eerdere schatting en wijst eindarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 maart 2009

pachtkamer

zaaknummer 104.001.150

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. F.J. Boom,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan de tussenarresten van 19 september 2006, 17 april 2007 en

2 december 2008 verwijst het hof naar die arresten.

1.2 Naar aanleiding van het arrest van 2 december 2008 hebben partijen zich nader bij akte over de zaak uitgelaten, eerst [geïntimeerden] en vervolgens [appellant].

1.3 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 Voortgezette beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Bij het arrest van 2 december 2008 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de voorlopige schatting door het hof van de bouwkosten van de zeugenstal op ƒ 225.000,—, als onder 2.10 van dat arrest vermeld. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. [geïntimeerden] betogen dat de bouwkosten hoger moeten worden geschat dan ƒ 225.000,— en [appellant] heeft aangegeven zich met de schatting van het hof te kunnen verenigen.

2.2 Het hof blijft bij zijn schatting. Uit de door [geïntimeerden] genoemde gegevens is de hoogte van de daadwerkelijk gemaakte bouwkosten niet met enige zekerheid af te leiden, terwijl [geïntimeerden] zelf (blijkens het niet betwiste citaat door de deskundigen in hoger beroep uit de beschikking van de Centrale Grondkamer van 27 september 1977) in 1977, dus één jaar voor de bouw, de kosten geschat hebben op niet meer dan ƒ 150.000,—.

2.3 [geïntimeerden] hebben de gelegenheid aangegrepen om op twee andere punten op het arrest van

2 december 2008 in te gaan, namelijk wat betreft het bouwjaar van de gebouwen A en B en wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. In hetgeen zij in dit verband aanvoeren, ziet het hof geen aanleiding om van zijn eerdere beslissingen terug te komen. Anders dan [geïntimeerden] doet voorkomen, lag het wel degelijk op hun weg om bij hun memorie na deskundigenbericht van 12 februari 2008 in te gaan op de uitdrukkelijke stelling van [appellant] in diens memorie na deskundigenbericht van 18 december 2007

(p. 4 tweede alinea) dat de gebouwen 2A en 2B verschillende bouwjaren hebben. [geïntimeerden] hebben hun huidige standpunt, volgens welke de gebouwen 2A en 2B in hetzelfde jaar zijn gebouwd, niet met bescheiden onderbouwd, zodat reeds daarom niet zonder nadere instructie zou kunnen worden vastgesteld dat de bindende eindbeslissing van het hof met betrekking tot de vergoedingsplicht wat betreft gebouw 2A, onjuist is. Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten merkt het hof op dat het voor de hand ligt dat de omstandigheid dat [geïntimeerden] in het buitengerechtelijke gerechtelijke traject een veelvoud hebben gevraagd van het bedrag waarop zij recht hadden, van invloed is geweest op de bereidheid van [appellant] om de zaak buiten rechte te regelen. In het licht daarvan was geen sprake van redelij-ke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a Burgerlijk Wetboek.

Slotsom

2.4 De grieven in het principaal beroep slagen deels. Het hof zal het vonnis van 20 april 2005, voor zover in conventie gewezen, vernietigen. De pachtkamer van de rechtbank heeft in conventie toegewezen een bedrag van in totaal € 184.638,63, te vermeerderen met wettelijke rente. In plaats daarvan is toewijsbaar:

I. de helft van de door de rechtbank berekende 40% van 487 eenheden varkens-recht à € 326,13, is

€ 31.765,06 (tussenarrest van 19 september 2006 onder 4.5-4.15);

II. een aanvullend bedrag van € 26.948,15 (arrest van 2 december 2008 onder 2.2);

III. een bedrag van € 53.033,52 voor pachtersinvesteringen (arrest van 2 december 2008 onder 2.13).

In totaal is dus toewijsbaar een bedrag van € 111.746,73. De wettelijke rente is toe-wijsbaar vanaf 7 maart 2001 over een bedrag van € 84.798,58 en vanaf medio mei 2007 (te stellen op 15 mei 2007) over een bedrag van € 26.948,15.

2.5 Op de grond dat partijen over en weer deel in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten compenseren wat betreft de eerste aanleg en het principaal beroep, de (door elk van partijen voor de helft voorgeschoten) kosten van de beide deskundigenberichten daaronder begrepen. Als de in het ongelijk gestelde partij, dienen [geïntimeerden] de kosten van het incidenteel beroep te dragen.

3 Beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo, van 20 april 2005, voor zover in conventie gewezen, en doet opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden] te betalen € 111.746,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

7 maart 2001 over een bedrag van € 84.798,58 en vanaf 15 mei 2007 over een bedrag van € 26.948,15;

compenseert de kosten van het principaal beroep en van het geding in eerste aanleg aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, de kosten van de deskundigenberichten daaronder begrepen;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 316,— overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.M. Olthof en J.K.B. van Daalen en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H. Duenk, en is in te-genwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2009.