Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0555

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
24-001958-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, maar gelet op het feit dat verdachte en zijn echtgenote - het slachtoffer van voormeld misdrijf - inmiddels naar eigen zeggen alweer bijna twee jaar een bestendige relatie hebben, volstaat het hof met voormelde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001958-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607045-07

Arrest van 9 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juli 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. G. Öntas, advocaat te Lelystad.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenis-straf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (echtgenote verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of (langere tijd) dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden (zulks terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of

- het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] (vervolgens) aan het hoofd en/of de keel de trap op heeft gesleurd en/of

- (vervolgens) het gezicht, in ieder geval het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen een muur en/of de traptreden en/of de verwarming, in ieder tegen een hard voorwerp heeft geduwd en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (echtgenote verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of (langere tijd) dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden (zulks terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of

- het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] (vervolgens) aan het hoofd en/of de keel de trap op heeft gesleurd en/of

- (vervolgens) het gezicht, in ieder geval het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen een muur en/of de traptreden en/of de verwarming, in ieder tegen een hard voorwerp heeft geduwd en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] (echtgenote verdachte),

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of (langere tijd) dichtgedrukt en/of dichtgeknepen heeft gehouden (zulks terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of

- het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] (vervolgens) aan het hoofd en/of de keel de trap op heeft gesleurd en/of

- (vervolgens) het gezicht, in ieder geval het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen een muur en/of de traptreden en/of de verwarming, in ieder tegen een hard voorwerp heeft geduwd en/of geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] [slachtoffer] tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, te weten wettelijke echtgenote, opzettelijk in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten door die [slachtoffer] alleen in een woning achter te laten, terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn was en/of te vrezen viel voor ernstig lichamelijk letsel, in ieder geval letsel waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk was, waarbij hij, verdachte, wist dat het hoofd van die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval eenmaal, hard tegen de muur en/of de verwarming was geslagen/gekomen en/of dat het hoofd van die [slachtoffer] onder het bloed zat en/of dat die [slachtoffer] stil op de grond lag.

Bewijsoverweging

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 19 januari 2007, omstreeks 18:55 uur, kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opdracht te gaan naar de [adres] in [plaats], alwaar een ruzie gaande zou zijn tussen een man en een vrouw. Ter plaatse gekomen betraden zij de woning. Direct bij binnenkomst zagen zij in de hal van de woning bloedsporen. Er lag bloed op de vloer en er zaten bloedvegen op de verwarming en de deur. Voorts lag er een plas bloed op twee traptreden. In de woning troffen zij een vrouw aan, wier gezicht onder het bloed zat. De vrouw zat op de bank en ademde zwaar. In de woning waren tevens de broer en schoonzus van de vrouw aanwezig. De broer, genaamd [naam], vertelde dat zijn zus [slachtoffer] hem die avond omstreeks 18:40 uur had gebeld en dat ze had gezegd "ik ga dood". Hij was direct naar het huis van zijn zus gegaan en trof haar daar hevig bloedend aan. Zij had hem verteld dat haar man [verdachte] dit had gedaan. Zij had voorts verklaard dat [verdachte] haar keel zo hard had dichtgeknepen dat ze buiten bewustzijn was geraakt. Toen ze weer bij bewustzijn was gekomen, was haar man weg.

[slachtoffer] werd per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar zij in staat was een korte verklaring af te leggen tegenover eerdergenoemde verbalisanten. Zij verklaar-de dat haar echtgenoot [verdachte] die avond erg boos op haar was geworden en dat hij haar bij haar keel had gegrepen en haar keel zo hard had dichtgeknepen dat zij kennelijk buiten bewustzijn was geraakt. Toen zij weer wakker was geworden, had zij haar broer gebeld.

Op zaterdag 20 januari 2007 deed [slachtoffer] op het politiebureau aangifte tegen haar echtgenoot [verdachte] van poging tot doodslag. Zij verklaarde dat haar man haar op 19 januari 2007 in de hal van haar woning met haar hoofd tegen de muur en de traptreden had geslagen. Zij had de indruk dat haar man haar wilde vermoorden. Hij had haar bij haar keel gepakt, waardoor zij geen adem meer kreeg en het gevoel had dat ze zou stikken. Onderaan de trap is zij buiten bewustzijn geraakt. Toen ze weer bijkwam merkte ze dat ze alleen in de woning was. Ze heeft toen direct de politie en haar broer gebeld.

Op 31 januari 2007 heeft [slachtoffer] wederom een verklaring afgelegd op het politiebureau. Zij heeft toen verklaard dat zij ten tijde van haar aangifte delen van het gebeurde kwijt was, maar dat zij inmiddels duidelijk en uitgebreid kon vertellen wat haar op 19 januari 2007 was overkomen. Zij verklaarde dat [verdachte] haar bij haar trui had gepakt en dat hij haar had meegesleurd naar de trap omdat zij mee naar boven moest. Zij wilde niet naar boven en verzette zich. Dit ontaardde in een worsteling, waarbij zij constant op de grond lag. Zij voelde dat [verdachte] zijn vingers om haar luchtpijp deed en met kracht kneep. Hierdoor kon zij niet meer ademen. Zij is blijven worstelen om los te komen en dit is haar ook gelukt. Vervolgens pakte [verdachte] haar vast en sloeg haar hoofd met kracht tegen een voorwerp aan. Zij voelde een stekende pijn in haar neus en hoorde een geluid gelijkend op iets dat brak. Zij voelde en zag dat het bloed uit haar neus spoot. [verdachte] pakte haar weer bij haar keel. Hij deed zijn vingers om haar luchtpijp heen en zette kracht. Zij probeerde zich los te worstelen, maar dit lukte niet. [verdachte] kneep dusdanig hard in haar luchtpijp dat zij geen adem meer kon halen. Het werd zwart voor haar ogen en ze dacht dat ze dood zou gaan. Na enige tijd werd zij weer wakker. Ze heeft het alarmnummer en haar broer gebeld. Tegen haar broer heeft ze gezegd dat hij moest komen omdat ze dood ging. Ze dacht dat ze dood ging omdat ze niet normaal kon ademen. Haar broer en haar schoonzus zijn gekomen. Vervolgens kwamen ook de politie en de ambulance en is ze naar het ziekenhuis vervoerd.

Uit de medische verklaring van 20 januari 2007 en de brief van M.J. Boom, chirurg in het Flevoziekenhuis in Almere, d.d. 1 mei 2007 blijkt dat er bij aangeefster op 19 januari 2007 sprake was van schaafwonden op het hoofd met flinke bloeduit-stortingen ter plaatse van de linker orbita (het hof begrijpt: oogkas) en neus. Tevens was er een wond op het achterhoofd. Ook was er sprake van bloeduitstortingen in het hoornvlies. Op foto 22 in de fotomap behorende bij het proces-verbaal van de technische recherche zijn ook (schaaf)wondjes in de hals van aangeefster te zien.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte erkend dat er op 19 januari 2007 tussen hem en zijn vrouw [slachtoffer] een worsteling heeft plaatsgevonden, waarbij hij zijn vrouw ook bij de keel heeft gepakt. Voorts heeft hij verklaard dat zijn vrouw op een gegeven moment 'rustig' op de grond lag, dat hij haar toen bij haar gezicht heeft gepakt en heeft gezegd "wakker worden, wakker worden" en dat hij vervolgens is weggegaan. In de auto heeft hij een vriend gebeld en hij heeft tegen die vriend gezegd dat er een ambulance gebeld moest worden.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. De brief van aangeefster van 20 april 2007 en haar verklaring ter terechtzitting van het hof maken dit niet anders. Weliswaar heeft aangeefster in haar brief en ook ter terechtzitting van het hof aangegeven dat zij de gebeurtenissen op 19 januari 2007 in haar aangifte enigszins heeft aangedikt, maar gevraagd naar een voorbeeld noemt zij in eerste instantie slechts dat zij bij de politie heeft verklaard dat haar man haar thuis opwachtte en dat zij achteraf heeft vastgesteld dat dit niet waar was. Na doorvragen voegt zij daaraan toe dat haar man haar niet heeft geslagen. In haar brief en ter terechtzitting van het hof heeft aangeefster voorts aangegeven dat ze is uitgegleden in de hal omdat ze op panty's liep. Daarbij is ze met haar hoofd tegen de verwarming gevallen. Haar verklaringen bij de politie omtrent de handelingen van haar echtgenoot heeft zij echter noch in haar brief, noch ter terechtzitting van het hof ingetrokken. Geconfronteerd met haar verklaringen dat haar man haar met haar hoofd tegen de muur en tegen een voorwerp heeft geslagen, stelt zij slechts dat zij het zich niet meer kan herinneren. Al met al doen deze latere verklaringen van aangeefster geen afbreuk aan de overtuiging van het hof dat aangeefster in haar aangifte en haar aanvullende verklaring van 31 januari 2007 de waarheid heeft gesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (echtgenote verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt of dichtgeknepen en (langere tijd) dichtgedrukt of dichtgeknepen heeft gehouden (zulks terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en

- het gezicht, in ieder geval het hoofd van die [slachtoffer] met kracht tegen een muur en de traptreden of een hard voorwerp heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 januari 2007 in de gemeente [gemeente] [slachtoffer] tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij (als echtgenoot van [slachtoffer]) krachtens wet verplicht is, opzettelijk in hulpeloze toestand heeft gelaten door die [slachtoffer] alleen in een woning achter te laten, terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn was en te vrezen viel voor ernstig lichamelijk letsel, in ieder geval letsel waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk was, waarbij hij, verdachte, wist dat het hoofd van die [slachtoffer] hard tegen de muur was geslagen en dat het hoofd van die [slachtoffer] onder het bloed zat en dat die [slachtoffer] stil op de grond lag.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Ontslag van alle rechtsvervolging

Gelet op de plaats van het woord 'opzettelijk' in de delictsomschrijving van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht dient het opzet in deze delictsomschrijving niet alleen gericht te zijn op het 'in hulpeloze toestand brengen of laten van een hulpbehoevende', maar ook op de omstandigheid dat 'krachtens wet of overeenkomst onderhoud,

verpleging of verzorging verplicht is'. Nu in de onderhavige tenlastelegging respectie-velijk bewezenverklaring deze laatste omstandigheid ten onrechte is geobjectiveerd, kan het onder 2 bewezen verklaarde niet worden gekwalificeerd, zodat verdachte ter zake moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft op 19 januari 2007 tijdens een ruzie zijn echtgenote met haar hoofd tegen de muur en de traptreden of een ander hard voorwerp geslagen en haar keel op zodanige wijze dichtgeknepen of dichtgedrukt gehouden dat zij daardoor het bewustzijn heeft verloren. Vervolgens heeft verdachte zijn echtgenote bewusteloos achtergelaten in hun woning. Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Gelet echter op het feit dat verdachte en zijn echtgenote zich kort na het gebeuren weer met elkaar hebben verzoend en inmiddels naar eigen zeggen alweer bijna twee jaar een bestendige relatie hebben, zal het hof volstaan met een werkstraf van maximale omvang en een voorwaardelijke gevangenis-straf van na te melden duur. De voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Hoewel het hof - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel is dat verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, zal het hof dezelfde combinatie van straffen opleggen als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Een mildere afdoening doet geen recht aan de bewezen verklaarde poging tot doodslag.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart het verdachte als voormeld onder 2 ten laste gelegde bewezen, maar ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. R.E.A. Toeter, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. Toeter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.