Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BI0280

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
107.002.079/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP9042, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad door bestuurder van bemiddelaar?

Onvoldoende gesteld voor causaal verband.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2009, 468
JIN 2009/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 maart 2009

Zaaknummer 107.002.079/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H. van Ravenhorst, kantoorhoudende te Arnhem,

tegen

Maatschap [persoonsnaam geïntimeerde 1 en 2],

gevestigd te Eenum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.J. Boom, kantoorhoudende te Arnhem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 april door de rechtbank Groningen en, na verwijzing op 31 augustus 2005 en 5 juli 2006 en 15 augustus 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 5 juli 2006 en 15 augustus 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 25 september 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Dat het Uw Hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de vonnissen van 5 juli 2006 en 15 augustus 2007, door de rechtbank Zwolle-Lelystad met zaaknummer 109634 en rolnummer HA ZA 05-721, gewezen tussen appellant als gedaagde en [geïntimeerde] als eisers en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Dat het Uw Hof behage, bij arrest, appellant niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle/Lelystad van 5 juli 2006 en het beroep tegen het eindvonnis van 15 augustus 2007 van deze rechtbank ongegrond te verklaren en deze beide vonnissen te bevestigen onder veroordeling van appellant in de kosten van het geding."

Voorts heeft appellant een akte genomen en heeft geintimeerde een antwoord-akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen (grief III ontbreekt).

De beoordeling

Ontvankelijkheid

1. Het hof merkt op dat geen grieven zijn aangevoerd tegen het tussenvonnis van 5 juli 2006, zodat [appellant] in het hoger beroep van dat vonnis niet kan worden ontvangen.

De vaststaande feiten

2. De rechtbank heeft in het vonnis van 5 juli 2006 onder 2 (2.1 tot en met 2.5) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het volgende staat vast.

2.1 [geïntimeerde] exploiteert een akkerbouwbedrijf. Hij heeft in 2003 onder meer winterpeen veldgewas geteeld.

2.2 Voor de verkoop van de door hem geteelde winterpeen maakt [geïntimeerde] gebruik van de bemiddelingsdiensten van Eurowortelen Holland B.V.

De bestuurders van Eurowortelen B.V. zijn [persoonsnaam directeur] Holding B.V. en [appellant] Holding B.V.

2.3 De heer [directeur] is directeur van [persoonsnaam directeur] Holding B.V. [appellant] is directeur van [appellant] Holding B.V.

2.4 Op 9 september 2003 heeft [geïntimeerde] aan de vennootschap onder Belgisch recht [persoonsnaam betrokkene] & Zn. N.V. (hierna: [vof]) 250 kisten winterpeen verkocht voor een prijs van € 0,26 per kilogram, met als leveringsdatum vóór 1 mei 2004.

Het geschil

3. [geïntimeerde] stelt op de hieronder te bespreken gronden dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden van (in hoofdsom) € 102.023,-. De rechtbank heeft [geïntimeerde] bewijs opgedragen en na getuigen verhoren geoordeeld dat [geïntimeerde] in het opgedragen bewijs is geslaagd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen (met uitzondering van de mede gevorderde buitengerechtelijke kosten) en heeft [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.

De bespreking van de grieven

4. Het hof ziet aanleiding eerst grief V te bespreken. Deze grief houdt in dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.12, 2.13 en 2.14 van het eindvonnis ten onrechte heeft overwogen dat niet geheel duidelijk is welke rol [appellant] heeft gespeeld maar dat hij, door te handelen zoals hij heeft gedaan, in ieder geval jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat hij aansprakelijk is voor de door de daaruit voor [geïntimeerde] ontstane schade en dat deze schade als niet bestreden moet worden begroot op € 102.023,-, vermeerderd met rente en kosten.

5. Het hof overweegt dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 juli 2006 [geïntimeerde] heeft opgedragen te bewijzen dat [appellant] namens [vof] met de levering van nog eens 750 kisten op dezelfde condities heeft ingestemd. De rechtbank heeft bij eindvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] in het opgedragen bewijs is geslaagd en concludeert vervolgens dat, hoewel niet geheel duidelijk is welke rol [appellant] heeft gespeeld, hij door te handelen zoals hij heeft gedaan in ieder geval jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat hij aansprakelijk is voor de door de daaruit voor [geïntimeerde] ontstane schade. Met [appellant] is het hof van oordeel dat deze overwegingen onvoldoende inzicht geven in de gedachtegang van de rechtbank en derhalve als motivering tekortschieten. In zoverre slaagt de grief.

6. Het hof zal als uitvloeisel van het slagen van de grief thans beoordelen of voldoende is gesteld om tot toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] te kunnen geraken.

6.1 De stellingen van [geïntimeerde] komen erop neer dat zij op grond van een mededeling van [appellant] inhoudende dat [vof] instemde met de afname van nog eens 750 kisten er van uitging dat zij een overeenkomst van die strekking had met [vof]. Vervolgens bleek echter dat [vof] die overeenkomst betwistte en weigerde tot nakoming over te gaan. In de inleidende dagvaarding verbond [geïntimeerde] daaraan de gevolgtrekking dat de hiervoor bedoelde mededeling van [appellant] in strijd met de waarheid is geweest (inleidende dagvaarding sub 9). In diezelfde inleidende dagvaarding echter lijkt [geïntimeerde] in punt 11 te stellen dat er twee mogelijkheden zijn: ofwel [appellant] dekt de verklaring van [vof] dat er geen koopovereenkomst is (hof: dit veronderstelt dus dat er wel een koopovereenkomst is), ofwel [appellant] heeft voor zichzelf gehandeld onder het mom dat de winterpeen verkocht was aan [vof].

6.2 Ook in de conclusie van repliek (cvr) hinkt [geïntimeerde] op twee gedachten (zie onder meer cvr 9, waar uit wordt gegaan van koop door [vof] en cvr 17 waarin de mogelijkheid wordt geopperd dat [appellant] voor zichzelf heeft gehandeld).

Op pagina 9 van haar conclusie na enquete formuleert [geïntimeerde] het aldus:

Er zijn dan twee mogelijkheden: ervan uitgaande dat als vaststaand mag worden aangenomen dat [appellant] heeft meegedeeld aan [directeur] dat [vof] kisten extra wenste af te nemen van [geïntimeerde], dan hebben [vof] (" ik heb niet ingestemd met afname van nog eens 750 kisten.") en [appellant] ("ik heb dus niet aan [directeur] gezegd dat [vof] met afname van 1000 kisten akkoord was") gelogen; óf [appellant] heeft geen contact gehad met [vof] en heeft de 750 kisten - zoals aanvankelijk door [geïntimeerde] werd verondersteld - voor eigen rekening en risico willen verkopen (zgn. op naam van [vof]), omdat hij dacht dat hij die "goedkope" wortelen van [geïntimeerde] wel elders voor meer geld zou kunnen afzetten.

6.4 In hoger beroep maakt [geïntimeerde] wel een keuze tussen deze beide mogelijkheden, stellende dat zij dankzij een door [directeur] opgenomen telefoongesprek met [appellant] - waarvan zij een transcriptie overlegt - nu weet hoe het zit. Uit het gestelde in de memorie van antwoord onder 10 leidt het hof af dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat [vof] wel door bemiddeling van [appellant] 1000 kisten van [geïntimeerde] heeft gekocht maar dat [vof] zich aan die overeenkomst heeft onttrokken en dat [appellant] vervolgens [vof] uit de wind heeft gehouden en daartoe een en ander administratief heeft rechtgetrokken door doorverkoopovereenkomsten tussen [vof] en [betrokkene 1 en 2] te veranderen in overeenkomsten tussen [geïntimeerde] en [betrokkene 1 en 2]. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] zich daarbij bediend van vele leugens en heeft hij valsheid in geschrift gepleegd (zie ook de memorie van antwoord op pagina 15).

6.5 Het hof gaat er van uit dat de hierboven als laatste weergegeven stellingen de (uiteindelijke) feitelijke grondslag van de eis vormen.

7. Het hof overweegt dat deze feiten, indien zij zouden vaststaan, op zichzelf voldoende zijn om de conclusie te wettigen dat [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. [appellant] heeft echter het causaal verband tussen zijn vermeende onrechtmatig handelen en de gestelde schade ontkend (memorie van grieven onder 65). Dit verweer slaagt. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat en waarom zij als gevolg van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van [appellant] de schade heeft geleden die zij stelt te hebben geleden, te weten het verschil tussen de contractsprijs en de werkelijke opbrengst (welk verschil overigens, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel door [appellant] is betwist). Het causaal verband is niet vanzelfsprekend, nu immers volgens [geïntimeerde] sprake is van een overeenkomst tussen haar en [vof]. [geïntimeerde] kan in dat geval in beginsel [vof] aanspreken tot nakoming van die overeenkomst of tot betaling van schadevergoeding wegens haar weigering tot afname. Pas wanneer [geïntimeerde] zou hebben gesteld en, in geval van betwisting, bewezen dat zij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellant] [vof] niet (langer) met succes tot nakoming of schadevergoeding kan aanspreken, dan wel dat [vof] als gevolg van bedoeld handelen niet langer (of niet volledig) verhaal biedt voor de nakoming, zou de onderhavige schade in causaal verband staan met het beweerde onrechtmatig handelen van [appellant]. Zulks is evenwel niet (voldoende duidelijk) door [geïntimeerde] aangevoerd.

8. Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de vordering een deugdelijke grondslag ontbeert. De overige grieven behoeven derhalve bij gebrek aan belang geen bespreking. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt als niet ter zake dienende voorbijgegaan. Het eindvonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties (wat betreft geliquideerd salaris: tarief V, in eerste aanleg 5 punten en in hoger beroep 1 1/2 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het vonnis van 5 juli 2006;

vernietigt het vonnis van 15 augustus 2007 waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]

in eerste aanleg op € 1.190,- en € 7.105,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 3.190,85 aan verschotten en € 3.948,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

Gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 maart 2009 in bijzijn van de griffier.