Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH9065

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
104.003.773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 6:80; 7:358

Het uitgangspunt van de vaste rechtspraak van het hof met betrekking tot het melkquotum is dat met de totale in 1984 gepachte grond melkquotum is gaan samenhangen. Indien de pacht wordt beëindigd, ontstaat volgens dezelfde rechtspraak op het moment van die beëindiging een aanspraak van de verpachter op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijk gepachte samenhangende quotum, waartegenover de pachter aanspraak kan maken op vergoeding van in beginsel de helft van de waarde van dat gedeelte. Indien echter partijen ter vervanging van de beëindigde pachtovereenkomst een nieuwe pachtovereenkomst aangaan, al dan niet met betrekking tot dezelfde grond, zullen zij in het algemeen de bedoeling hebben hun aanspraken met betrekking tot bedoeld gedeelte van het quotum “door te schuiven” tot het moment dat de nieuwe pachtovereenkomst zal eindigen. De pachter heeft er immers een voor de verpachter kenbaar belang bij om zijn bedrijfsvoering op dezelfde voet – en dus met behoud van het gebruik van het quotum en zonder extra financieringslasten – voort te zetten. De bedoeling om de aanspraken met betrekking tot het melkquotum door te schuiven ligt dan ook zozeer voor de hand, dat partijen over en weer elkaar in die zin hebben moeten begrijpen, ook zonder dat de kwestie van het melkquotum met zoveel woorden tussen hen aan de orde is geweest. Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 16 december 2008 inzake .../Gemeente Zwolle, LJN BG7437, onder 4.13 en 4.14. Een en ander geldt evenzeer in het onderhavige geval, waarin de aanleiding voor het aangaan van de nieuwe pachtovereenkomst een ruilverkaveling is.

Indien een pachter – zonder toestemming van de verpachter – tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst het met het gepachte samenhangende quotum geheel of gedeeltelijk verkoopt, kan de verpachter de gevolgen van niet-nakoming op de voet van het eerste lid onder a van art. 6:80 BW reeds op het moment van verkoop doen intreden en aanspraak maken op de helft van de waarde van het quotum op dat moment. Die waarde zal weliswaar veelal kunnen worden begroot op de helft van de verkoopopbrengst, maar indien sprake is van omstandigheden die tot een lagere verkoopopbrengst leiden en de pachter persoonlijk aangaan, bestaat daartoe geen aanleiding en dienen die omstandigheden te worden weggedacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Vastgoed en wonen 2009/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.003.773

arrest van de pachtkamer van 31 maart 2009

inzake

[appellant],

wonende te [adres]

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. W.D. Huizinga,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [adres],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. P.J.W.M. Theunissen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 maart 2006, 15 november 2006 en 11 april 2007, die de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, tussen appellant in het principaal beroep tevens geïntimeerde in het incidenteel beroep (hierna ook te noemen: [appellant]) als een van de gedaagden en geïntimeerde in het principaal beroep tevens appellant in het incidenteel beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van de vonnissen van 15 november 2006 en 11 april 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 11 mei 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 11 april 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tien grieven tegen de vonnissen van 15 november 2006 en 11 april 2007 aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen aan hem zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instantiën, alsmede voorwaardelijke veroordeling van [geïntimeerde] in de nakosten.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij zijn eis vermeerderd, heeft hij zijnerzijds in incidenteel beroep één grief tegen het vonnis van 11 april 2007 opgeworpen en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het principaal beroep: [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans (zo begrijpt het hof:) de grieven zal verwerpen;

in het incidenteel beroep: het bestreden vonnis zal vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het gevorderde met betrekking tot het suikerbietenquotum, akte zal verlenen wat betreft de eiswijziging en opnieuw recht doende:

a. [appellant] zal veroordelen om aan [geïntimeerde] te vergoeden de wettelijke rente over de vastgestelde schadevergoeding van € 18.218,58 vanaf 1 februari 2005, althans vanaf 18 augustus 2005, althans vanaf 1 december 2006, althans vanaf 11 april 2007 tot de dag der algehele voldoening;

b. [appellant] zal veroordelen om binnen vier weken na betekening van ’s hofs arrest dan wel binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, aan [geïntimeerde] ter hand te stellen alle noodzakelijke gegevens benodigd voor het kunnen vaststellen van de aanspraak van [geïntimeerde] op het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum, waaronder in elk geval een overzicht suikerbietenareaal van het Landbouw Economisch Instituut over de jaren vanaf de eerste toewijzing tot en met het lopende jaar, met bepaling van een dwangsom van € 500,— per dag dat [appellant] in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen;

c. [appellant] zal veroordelen tot het (doen) overschrijven van het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum ten gunste van [geïntimeerde], onder diens verplichting van vergoeding van de helft van de daarmee samenhangende waarde, dan wel indien overschrijving op naam van [geïntimeerde] niet meer mogelijk mocht zijn, [appellant] zal veroordelen om aan hem te vergoeden de schade, welke schade bestaat uit de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum, te berekenen volgens vaste jurisprudentie van de pachtkamer van dit hof, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. [appellant] zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] ter zake van het vanaf

1 december 2006, subsidiair vanaf 11 april 2007 voortgezet gebruik van het suikerbietenquotum, zulks door het hof in goede justitie te bepalen, althans op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

e. met bekrachtiging van het bestreden vonnis voor het overige;

zowel in principaal als in incidenteel beroep: met veroordeling van [appellant] in de kosten van het beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft [appellant] de grief in het incidenteel beroep en de vermeerderde eis bestreden, heeft hij twee nieuwe producties overgelegd, heeft hij bewijs aangeboden en heeft hij in incidenteel beroep geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen aan hem zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel beroep, alsmede voorwaardelijke veroordeling van [geïntimeerde] in de nakosten.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Op 10 november 1969 hebben[de gravin] en de gebroeders een pachtovereenkomst gesloten betreffende de percelen kadastraal bekend [...].

3.3 Medio 1998 is [geïntimeerde] [de gravin] opgevolgd in de eigendom van voormelde percelen.

3.4 Op 15 augustus 2000 is in verband met de ruilverkaveling [...] tussen [geïntimeerde] en [de gebroeders] ingaande 1 december 2000 een nieuwe pachtovereenkomst gesloten betreffende het perceel grasland [...] (hierna: het gepachte). Die pachtovereenkomst eindigde op 1 december 2006.

3.5 Op 10 januari 2005 heeft ten kantore van Aelmans Agrarische Advisering een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en zijn moeder en J. Horsmans als gemachtigde van [de gebroeders]. Tijdens dat gesprek heeft Horsmans namens [de gebroeders] aan [geïntimeerde] voorgesteld de pachtovereenkomst te beëindigen onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] zou afzien van diens aanspraken op productierechten.

3.6 Op 14 januari 2005 hebben [de gebroeders] het melkquotum verkocht.

3.7 Op 20 februari 2005 is [de broer van appellant] overleden.

3.8 Hierna zijn door [geïntimeerde] en door [appellant] over en weer voorstellen gedaan om tot beëindiging van de pachtovereenkomst te komen met betaling door [appellant] van de helft van de opbrengst van het melkquotum aan [geïntimeerde], maar partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

3.9 Nadat [geïntimeerde] aan [appellant] en aan de erven van [de broer van appelant] had meegedeeld geen verlenging van de pachtovereenkomst te wensen, heeft [appellant] de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, verzocht de pachtovereenkomst te verlengen. Bij beschikking van 11 april 2007 is dat verzoek afgewezen. Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft dit hof de beschikking van de pachtkamer in eerste aanleg bevestigd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De graaf heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd ontbinding van de pachtovereenkomst, betaling van schadevergoeding ter zake van het melkquotum, terhandstelling van gegevens met betrekking tot het suikerbietenquotum en overschrijving van het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum tegen vergoeding van de helft van de waarde. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg de pachtovereenkomst ontbonden en ook de vordering tot schadevergoeding ter zake van het melkquotum toegewezen. De vorderingen met betrekking tot het suikerbietenquotum heeft de pachtkamer in eerste aanleg afge-wezen. De grieven in het principaal en het incidenteel beroep stellen genoemde vorderingen opnieuw aan de orde. De graaf heeft bovendien zijn eis vermeerderd met wettelijke rente over de schadevergoeding ter zake van het melkquotum.

4.2 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Omdat tus-sen oud en nieuw recht geen voor de onderhavige zaak relevant verschil bestaat, behoeft de vraag welk recht volgens het overgangsrecht van toepassing is, geen bespreking.

4.3 Voor zover [appellant] opkomt tegen de door de pachtkamer in eerste aanleg uitge-sproken ontbinding, heeft hij bij zijn grieven geen belang, omdat inmiddels onherroepelijk vaststaat dat de pachtovereenkomst per 1 december 2006 – dus voorafgaande aan de bij het bestreden vonnis uitgesproken ontbinding – is geëindigd. Het hof verwijst naar de onder 3.5 en 3.10 vastgestelde feiten. Grief VII in het principaal beroep treft dus geen doel.

4.4 Voor zover [appellant] met zijn grieven I tot en met IV opkomt tegen het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg dat met het gepachte melkquotum samenhing, geldt het navolgende.

4.5 Het uitgangspunt van de vaste rechtspraak van dit hof met betrekking tot het melkquotum is dat met de totale in 1984 gepachte grond melkquotum is gaan samenhangen. Indien de pacht wordt beëindigd, ontstaat volgens dezelfde rechtspraak op het moment van die beëindiging een aanspraak van de verpachter op oplevering van een evenredig gedeelte van het met het oorspronkelijk gepachte samenhangende quotum, waartegenover de pachter aan-spraak kan maken op vergoeding van in beginsel de helft van de waarde van dat gedeelte. Indien echter partijen ter vervanging van de beëindigde pachtovereenkomst een nieuwe pachtovereenkomst aangaan, al dan niet met betrekking tot dezelfde grond, zullen zij in het algemeen de bedoeling hebben hun aanspraken met betrekking tot bedoeld gedeelte van het quotum “door te schuiven” tot het moment dat de nieuwe pachtovereenkomst zal eindigen. De pachter heeft er immers een voor de verpachter kenbaar belang bij om zijn bedrijfsvoering op dezelfde voet – en dus met behoud van het gebruik van het quotum en zonder extra financieringslasten – voort te zetten. De bedoeling om de aanspraken met betrekking tot het melkquotum door te schuiven ligt dan ook zozeer voor de hand, dat partijen over en weer elkaar in die zin hebben moeten begrijpen, ook zonder dat de kwestie van het melkquotum met zoveel woorden tussen hen aan de orde is geweest. Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 16 december 2008 inzake [naam]/Gemeente Zwolle, LJN BG7437, onder 4.13 en 4.14.

4.6 Een en ander geldt evenzeer in het onderhavige geval, waarin de aanleiding voor het aangaan van de nieuwe pachtovereenkomst een ruilverkaveling is. Voor een vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen bestond geen aanleiding, omdat [de gebroeders] immers pachters van [geïntimeerde] bleven en de ruilverkaveling in de toewijzing van het quotum geen verandering bracht. Ook de omstandigheid dat de pachtovereenkomst van 15 augustus 2000 vermeldt dat alle tussen partijen eerder aangegane pachtovereenkomsten kwamen te vervallen, leidt niet tot een ander oordeel. Met de door het hof gegeven uitleg is in overeenstemming dat de gebroeders via hun gemachtigde begin 2005 met [geïntimeerde] over de afwikkeling van het melkquotum in onderhandeling zijn getreden. De suggestie van [appellant] dat dit uitsluitend plaatsvond vanwege de jarenlange goede band met de voormalige verpachtster is in strijd met de getuigenverklaring van Horsmans. Uit die verklaring volgt immers dat Horsmans als gemachtigde van [de gebroeders] begin 2005 ervan uitging dat met het gepachte melkquotum samenhing. De omstandigheid dat het quotum op naam van de vader van [appellant] was geregistreerd, zoals [appellant] heeft aangevoerd (memorie van grieven onder 6, 28, 30 en 32) leidt niet tot een andere uitkomst, nu ook volgens de eigen stellingen van [de gebroeders] samen de gezamenlijke erfgenamen van hun vader waren. De grieven I tot en met IV in het principaal beroep falen.

4.7 De grieven V en VI in het principaal beroep betreffen de vraag of [geïntimeerde] op 10 januari 2005 al dan niet toestemming heeft gegeven voor de verkoop van het melkquotum. Die vraag is in ieder geval niet meer van belang voor de vordering tot ontbinding. Het hof verwijst naar hetgeen onder 4.3 is overwogen.

4.8 De pachtkamer in eerste aanleg heeft bij het vonnis van 15 november 2006 terecht

– want in overeenstemming met artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – aan [appellant] bewijs opgedragen van de door hem gestelde toestemming. Evenzeer terecht heeft de pachtkamer in eerste aanleg bij het vonnis van 11 april 2007 geoordeeld dat [appellant] in het hem opgedragen bewijs niet was geslaagd. Anders dan [appellant] aanvoert kan uit het uitblijven van een reactie van [geïntimeerde] niet worden afgeleid dat deze zijn toestemming gaf, ook niet als het hof zou uitgaan van de juistheid van de verklaring van de getuige Horsmans dat [geïntimeerde] zou hebben toegezegd op korte termijn doch in ieder geval voor 31 januari 2005 op het gesprek terug te komen. Indien [geïntimeerde] die toezegging niet is nagekomen, lag het op de weg van Horsmans of van [appellant] zelf om opnieuw met [geïntimeerde] contact op te nemen. De grieven V en VI falen derhalve.

4.9 In verband met de omstandigheid dat in eerste aanleg reeds bewijslevering heeft plaatsgevonden, is het door [appellant] gedane bewijsaanbod (memorie van grieven p. 10) onvoldoende gespecificeerd. Dat Horsmans zou hebben aangegeven dat zijn getuigenverklaring onvoldoende duidelijk weergeeft “wat en hoe bij bespreking d.d. 10 januari 2005 aan de orde is geweest resp. werd besproken en werd afgesproken”, is onvoldoende. [appellant] had moeten aangeven wat Horsmans meer of anders kan verklaren dan hij reeds heeft gedaan. [appellant] heeft verder aangeboden mr. [...] te horen over telefonisch overleg op 7 januari 2005, maar heeft niet toegelicht hoe een en ander zou kunnen bijdragen aan het bewijs van de toestemming. In dit verband is van belang dat [appellant] zich steeds op het standpunt heeft gesteld óf dat de toestemming op 10 januari 2005 is verleend, óf dat de toestemming volgt uit het uitblijven van een reactie van [geïntimeerde] na het gesprek op 10 januari 2005.

4.10 Grief VIII in het principaal beroep betreft de hoogte van de door [appellant] ter zake van het melkquotum verschuldigde schadevergoeding en ziet op de vraag welke invloed uitgaat van de omstandigheid dat [de gebroeders] het melkquotum structureel hadden verleased.

4.11 Het hof stelt in dit verband voorop dat indien een pachter – zonder toestemming van de verpachter – tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst het met het gepachte samenhangende quotum geheel of gedeeltelijk verkoopt, de verpachter de gevolgen van nietnakoming op de voet van het eerste lid onder a van artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek reeds op het moment van verkoop kan doen intreden en aanspraak kan maken op de helft van de waarde van het quotum op dat moment. Die waarde zal weliswaar veelal kunnen worden begroot op de helft van de verkoopopbrengst, maar indien sprake is van omstandigheden die tot een lagere verkoopopbrengst leiden en de pachter persoonlijk aangaan, bestaat daartoe geen aanleiding en dienen die omstandigheden te worden weggedacht.

4.12 De omstandigheid dat de pachter in het kader van zijn bedrijfsvoering besloten heeft het melkquotum structureel te verleasen, is een omstandigheid die hem persoonlijk aangaat in de zojuist bedoelde zin. Grief VIII in het principaal beroep faalt dus.

4.13 Met betrekking tot grief VIII in het principaal beroep overweegt het hof ten overvloede dat ook het arrest van deze kamer van 18 mei 2005 inzake [namen partijen], Agrarisch recht 2004, 5234 – op welk arrest [appellant] zich tegenover [geïntimeerde] steeds heeft beroepen – ervan uitgaat dat aan de verpachter de helft van de verkeerswaarde van het melkquotum op het moment van de verkoop toekomt. De graaf heeft daarop bij memorie van antwoord in het principaal beroep (onder 3.7) terecht gewezen.

4.14 Met grief IX in het principaal beroep voert [appellant] aan dat de pachtkamer in eerste aanleg bij de berekening van de schade ter zake van het melkquotum onvoldoende heeft gelet op hetgeen hij bij conclusie van dupliek onder 16 e.v. heeft aangevoerd. De pachtkamer in eerste aanleg is bij haar berekening uitgegaan van een prijs van € 49,— per kg vet. [appellant] betoogt dat die prijs te hoog is en poneert in dit verband dat de prijs van quotum zonder grond lager ligt dan die met grond. Dit laatste heeft hij onvoldoende toegelicht, nog afgezien ervan dat in de agrarische praktijk van algemene bekendheid is dat de prijs van quotum zonder grond niet lager is dan die met grond. [appellant] legt immers zelf een prijsoverzicht over van [een B.V.] dat betrekking zou hebben op prijzen zónder grondaankoop (de grafiek overgelegd als productie 7 bij conclusie van dupliek en – met jaaraanduiding – als productie 2 bij memorie van antwoord in principaal appel) dat anders dan [appellant] suggereert wat betreft medio januari 2005 zowel prijzen boven als onder de € 49,— laat zien. Ook het hof stelt bedoelde prijs schattenderwijs vast op € 49,— per kg vet. Grief IX faalt derhalve.

4.15 Grief X in het principaal beroep, die betrekking heeft op de proceskosten, moet in het lot van de overige grieven delen.

4.16 Thans in hoger beroep vordert [geïntimeerde] vergoeding van wettelijke rente over de verschuldigde vergoeding ter zake van het melkquotum. Primair vordert hij vergoeding vanaf het moment van ontvangst van de koopsom door [appellant]. Daarmee ziet hij er ten onrechte aan voorbij dat volgens het tweede lid van artikel 6:80 Burgerlijk Wetboek het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging, zodat wettelijke rente eerst verschuldigd is vanaf het moment dat de pachtovereenkomst eindigt, dus vanaf

1 december 2006. De wettelijke rente vanaf laatstbedoelde datum is wél toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat [appellant] op 19 juni 2006 een bedrag ad € 15.000,— aan [geïntimeerde] heeft doen overmaken en dat deze dit bedrag heeft teruggestort. Gelet op de bepaling van artikel 6:29 Burgerlijk Wetboek behoefde [geïntimeerde] immers geen genoegen te nemen met gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag, nog daargelaten dat uit de tekst van productie 5 bij conclusie van dupliek volgt dat [appellant] het bedrag ad € 15.000,— niet heeft betaald bij wijze van voorschot op het door hem verschuldigde bedrag, maar in het kader van een aanbod tot regeling van het geschil dat door [geïntimeerde] niet is aanvaard.

4.17 De grief in het incidenteel beroep heeft betrekking op de vraag of met het gepachte ook een suikerbietenquotum samenhangt.

4.18 Wat betreft het suikerbietenquotum heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat [appellant] in zijn verzoekschrift tot verlenging van de pachtovereenkomst onder 7 er zelf melding van heeft gemaakt dat hij suikerbieten teelt binnen het bouwplan van zijn bedrijf en dat hij daar-om behoefte heeft aan voldoende landbouwgrond ten behoeve van de vruchtwisseling. De graaf leidt daaruit af dat het gepachte dienstbaar is geweest aan de suikerproductie. [appellant] heeft een en ander niet, in ieder geval niet gemotiveerd, betwist.

4.19 Voor zover [appellant] voor zijn standpunt dat geen suikerbietenquotum met het gepachte samenhangt zich beroept op dezelfde argumenten als hij met de grieven I tot en met IV in het principaal beroep met betrekking tot het melkquotum doet, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor omtrent die grieven is overwogen. In zoverre faalt derhalve zijn verweer.

4.20 [appellant] heeft zich er voorts op beroepen dat hem niets kan worden verweten omdat [geïntimeerde] bij brief van 21 februari 2007 wel een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot toeslagrechten en toen geen aanspraak heeft gemaakt op bietenquotum. Voor zover [appellant] bedoelt zich te beroepen op afstand van recht of rechtsverwerking geldt dat hij daartoe onvoldoende feiten heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] aanvankelijk op bietenquotum geen aanspraak heeft gemaakt, brengt niet mee dat hij dat niet in een later stadium alsnog kan doen.

4.21 In eerste aanleg heeft [appellant] zich er nog op beroepen dat ófwel sprake is van met het gepachte samenhangend melkquotum ófwel van met het gepachte samenhangend bietenquotum (conclusie van dupliek onder 10). Die opvatting is door [appellant] niet be-grijpelijk toegelicht.

4.22 Voor zover [appellant] verwijst naar een wijziging van “de regelgeving van quotering naar toeslagrecht”, heeft hij klaarblijkelijk het oog op de trapsgewijze verlaging van de suikerprijs en compensatie via de bedrijfstoeslagregeling. Die ontwikkeling heeft uiteraard invloed op de waarde van het suikerbietenquotum, maar heeft het quoteringsysteem niet doen verdwijnen. Aan toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] staat bedoelde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.23 Uit het voorgaande volgt dat het verweer van [appellant] tegen de vorderingen met betrekking tot suikerbietenquotum faalt en dat de grief in het incidenteel beroep doel treft.

4.24 De slotsom is als volgt. De grieven in het principaal beroep falen. De grief in het incidenteel beroep slaagt. De vorderingen met betrekking tot het bietenquotum zullen alsnog worden toegewezen, zij het ook dat het hof de gevorderde dwangsom zal modereren. Terzake van het voortgezet gebruik van het suikerbietenquotum vanaf 1 december 2006 (einde van de pacht) bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten voor een begroting van de schade, in verband waarmee het hof naar de schadestaatprocedure zal verwijzen. De vermeerderde eis tot vergoeding van wettelijke rente is toewijsbaar, met dien verstande dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente zal bepalen op 1 december 2006. Het hof zal [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, van 11 april 2007, voor zover bij dat vonnis de vorderingen van [geïntimeerde] met betrekking tot het suikerbietenquotum zijn afgewezen, alsmede met het oog op de in hoger beroep vermeerderde eis, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te vergoeden de wettelijke rente over de vastgestelde schadevergoeding van

€ 18.218,58 vanaf 1 december 2006 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] om binnen vier weken na betekening van dit arrest aan [geïntimeerde] ter hand te stellen alle noodzakelijke gegevens benodigd voor het kunnen vaststellen van de aanspraak van [geïntimeerde] op het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum, waaronder in elk geval een overzicht suikerbietenareaal van het Landbouw Economisch Instituut over de jaren vanaf de eerste toewijzing tot en met het lopende jaar, op straffe van een dwangsom van € 200,— per dag dat [appellant] in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen, tot een maximum van € 20.000,—;

veroordeelt [appellant] tot het (doen) overschrijven van het met het gepachte samenhangende suikerbietenquotum ten gunste van [geïntimeerde], onder diens verplichting van vergoeding van de helft van de daarmee samenhangende waarde, dan wel indien overschrijving op naam van [geïntimeerde] niet meer mogelijk mocht zijn, om aan [geïntimeerde] te vergoeden de schade, welke schade bestaat uit de helft van de waarde van het met het gepachte samenhangende suiker-bietenquotum, te berekenen volgens vaste jurisprudentie van de pachtkamer van dit hof, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] ter zake van het vanaf 1 december 2006 voortgezette gebruik van het suikerbietenquotum, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft het principaal beroep begroot op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 251,— voor griffierecht, en wat betreft het incidenteel beroep beroep begroot op € 447,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en J.K.B. van Daalen, en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegen-woordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009.