Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH7783

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
104.004.471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is [appellante] in het haar door de rechtbank opgedragen bewijs, dat het ongeval is veroorzaakt door het zelfstandig gedrag van het paard, geslaagd.

Getuige [A.] en (partij)getuige [appellante] hebben beiden verklaard dat zij vlak voor het ongeval tussen twee vrachtauto’s reden, op een zodanige afstand dat er voor en achter nog een vrachtauto tussen had gekund.

Getuige [B.] heeft verklaard op 4 maart 2002 in een vrachtauto achter de auto van [appellante] met de trailer te hebben gereden waarbij hij toen het ongeval heeft waargenomen. Door [geïntimeerde] is twijfel geuit over de betrouwbaarheid van de verklaring van [B.], kort gezegd, omdat het handschrift van zijn twee schriftelijke verklaringen niet overeenstemt en omdat hij pas laat door [appellante] is gelocaliseerd. Naar het oordeel van het hof hebben [B.] en [appellante] echter een zodanig plausibele uitleg gegeven, dat het hof geen aanleiding ziet in de door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden minder gewicht toe te kennen aan de getuigenverklaring van [B.].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2009, 57
NJF 2009, 320
VR 2010, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.471

arrest van de derde civiele kamer van 10 maart 2009

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.T. Bolt.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 31 mei 2006 en 4 juli 2007 die de rechtbank Almelo tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van dat die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 2 oktober 2007 [geïntimeerde] aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven tegen het vonnis van 4 juli 2007 aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft – samengevat weergegeven – gevorderd dat het hof het vonnis van 4 juli 2007 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van [appellante] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen van 31 mei 2006 en 4 juli 2007, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnissen van 31 mei 2006 en van 4 juli 2007 telkens onder 2.1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen het tussenvonnis van 31 mei 2006 zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellante] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

4.2 Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om het volgende.

Op 4 maart 2002 is [appellante] een verkeersongeval overkomen. Zij bestuurde die dag een auto waarachter een paardentrailer was gekoppeld. In die trailer bevond zich een paard van [geïntimeerde]. [appellante] vervoerde het paard van de stal van [geïntimeerde] in Nijverdal naar Helicon in Deurne, een centrum voor opleiding in de paardensport. De dochter van [appellante], [A.], vergezelde haar bij het transport. Rijdend over de A50 bij Heteren in de gemeente Overbetuwe is de trailer gaan slingeren. [appellante] verloor de macht over het stuur en de trekkende auto en de trailer kwamen met een harde klap tegen de vangrail terecht.

4.3 [appellante] vordert een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:179 BW als bezitter van het paard aansprakelijk is voor alle door [appellante] ten gevolge van het ongeval geleden en te lijden schade, almede een veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Volgens [appellante] is de trailer uit balans geraakt door onrustige bewegingen van het paard, hetgeen tot het ongeval heeft geleid. De door [appellante] subsidiair aangevoerde grondslag van de vorderingen, artikel 6:181 BW, is in hoger beroep niet meer aan de orde, nu de rechtbank zich daarover niet heeft heeft uitgesproken, zij de vorderingen heeft afgewezen en [appellante] tegen deze afwijzing geen grieven heeft gericht.

4.4 [geïntimeerde] heeft zich primair verweerd met de stelling dat niet hij, maar [appellante], althans haar dochter [A.], als bezitter van het paard, als bedoeld in art. 6:179 BW heeft te gelden nu het paard was uitgeleend aan [A.] voor de duur van een bij Helicon te volgen hippische opleiding, gedurende welke periode het paard te Deurne zou verblijven en aldaar door [A.] zou worden verzorgd. Subsidiair heeft [geïntimeerde] zich erop beroepen dat de schade niet het gevolg is van een zelfstandige gedraging en de eigen energie van het paard. Veeleer zou moeten worden gedacht aan een door [appellante] gemaakte stuurfout, spoorvorming in het wegdek, een te hoge snelheid van de door [appellante] bestuurde auto en/of plotseling remmen. Ook kan het paard als gevolg van ander dan normaal rijgedrag van [appellante] onrustig zijn geworden. In dit verband heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellante] de trailer met het paard heeft getrokken met een relatief lichte auto. Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [appellante].

4.5 In haar tussenvonnis van 31 mei 2006 heeft de rechtbank het primaire verweer van [geïntimeerde] verworpen en [appellante] toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat een zelfstandige gedraging of de eigen energie van het paard de oorzaak is geweest van het ongeval. Voorts heeft de rechtbank [appellante] en [geïntimeerde] verzocht gegevens te verstrekken over het maximale aanhangergewicht van de door haar bestuurde auto respectievelijk het gewicht van het vervoerde paard.

Na getuigenverhoren heeft de rechtbank, bij eindvonnis van 4 juli 2007, geoordeeld dat [appellante] niet is geslaagd in het opgedragen bewijs en de vorderingen van [appellante] afgewezen.

4.6 De grieven leggen aan het hof de vraag voor of [appellante] is geslaagd in het door de rechtbank opgedragen bewijs. De bewijsopdracht zelf is in hoger beroep niet bestreden.

4.7 In eerste aanleg zijn aan de zijde van [appellante] vier getuigen gehoord.

Getuige [B.] heeft over het ongeval verklaard:

“Al weer een hele tijd geleden, het zal best 4 maart 2002 geweest zijn, ben ik getuige geweest van een verkeersongeval in de buurt van Heeteren op de A50. Ik reed toen als chauffeur van een autotransporter van het bedrijf Transjour in Apeldoorn achter een personenauto met een paardentrailer eraan. Ik reed er op een redelijke afstand achter, zodanig dat er tussen mij en de paardentrailer nog een vrachtauto kon invoegen. Vanuit mijn cabine zag ik op een gegeven moment dat het paard in de trailer ging bokken. Ik zag zijn voorkant omhoog komen en vervolgens zijn achterkant en ik trok daaruit de conclusie dat hij met de voorbenen en met de achterbenen van de vloer kwam. Ik kon dat zien want er zat geen zeiltje die de opening tussen het dak van de trailer en de laadklep van de trailer afsloot. Het paard bokte een paar keer achter elkaar en ik zag aankomen dat het verkeerd zou gaan. Door het deinen van de trailer raakte die van de koppeling van de trekauto los. De trailer ging naar links de vangrail in en de personenauto naar rechts ook de vangrail in. De trailer kantelde. Ik ben toen gestopt en heb met mijn mobiel de politie gebeld. De dochter was nogal overstuur en ik heb geprobeerd haar rustig te krijgen. Toen de politie er was heb ik mijn gegevens aan de politie opgegeven. Daarna ben ik doorgereden (…). [appellante] reed destijds met een snelheid van pakweg 75 kilometer per uur. Ik vond dat ze te langzaam reed voor mij en wilde haar gaan inhalen, wat ik niet meer heb gedaan in verband met het ongeluk.”

Getuige [A.] heeft verklaard:

“Alweer wat langer geleden heb ik een ongeval meegemaakt met een door mijn moeder bestuurde personenauto met daarachter een paardentrailer. (…) Dat zal ongetwijfeld 4 maart 2002 geweest kunnen zijn. (…) Mijn moeder heeft de trailer aan de auto gekoppeld. Ik weet niet of iemand haar daarbij geholpen heeft. Ik heb het paard reisklaar gemaakt en in de trailer gebracht. Daar heb ik het paard vastgezet op de voorgeschreven manier met halster aan de voorkant en stang aan de achterkant. Daarna zijn wij gaan rijden. Dat ging vlot er was niets aan de hand. Ik herinner mij geen onrust van het paard vlak voor of enige tijd na ons vertrek. Onderweg zijn we nog een keer gestopt om te controleren of het paard goed vast stond. Naar de koppeling heb ik niet gekeken. Toen we in de buurt van Heeteren waren riep mijn moeder uit: “het gaat niet goed” of iets dergelijks. Ik keek toen in de spiegel en zag de trailer achter ons heen en weer gaan. Hoe dat kwam kan ik niet zeggen. Ik heb niets gehoord van bonken of stampen door het paard. Als je rond 80 kilometer per uur rijdt hoor je niet veel van geluiden in de trailer. We reden tussen de vrachtauto’s met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur. Niet ver voor ons reed een vrachtauto en niet ver achter ons reed er een. Nadat mijn moeder geroepen had “dat gaat niet goed” verloor zij de macht over het stuur en kwamen auto en trailer in de vangrail terecht. De trailer is losgesloten van de trekauto. Ik ben meteen naar de trailer gerend om te kijken hoe het met het paard was. Wat er na het ongeval aan directe hulp gebeurd en geboden is heb ik niet meegekregen. Mijn zorg ging voornamelijk uit naar het paard. Ik heb direct na het ongeval ook niet met mensen gesproken. (…) Ook niet met een vrachtwagenchauffeur. (…)

Van links naar rechts is weinig ruimte, van voor en naar achteren ook niet want dan zit het paard tegen de stang aan. De afstand tussen de vrachtauto die voor ons reed was zodanig dat er nog een vrachtauto tussen kon schuiven. Het zal dus meer dan 20 meter geweest zijn. Datzelfde geldt voor de vrachtauto achter ons. Tussen ons en hem kon ook nog wel een vrachtauto tussen schuiven. Anders gezegd: we zaten niet dicht op elkaar en we konden zien wat de ander deed. Ik weet niet meer of het zeil tussen de laadklep en het dak van de trailer open of dicht was. Dat weet ik nu niet meer. Normaal is dat je het zeil dicht doet als je een langere afstand over de snelweg gaat rijden.”

[appellante] heeft zelf als getuige het volgende verklaard:

“Op 4 maart 2002 reed ik als bestuurder met een Mazda personenauto met daarachter gekoppeld een paardentrailer met daarin een paard over de autoweg in de buurt van Heeteren. Bij mij in de auto zat mijn dochter [A.]. (…) Wij reden met een snelheid van ongeveer 80 tot 85 kilometer per uur tussen de vrachtauto’s. Opeens bemerkte ik dat de trailer raar ging doen. Dat bemerkte ik allereerst aan de reacties van het stuur en vervolgens zag ik in de achteruitkijkspiegel dat de trailer als het ware ging stuiteren. Ik voelde dat ik de auto niet meer kon houden, waarschuwde mijn dochter: “zet je schrap”. Daarop reed ik de vangrail in. Ik heb niet gehoord dat het paard stampte of bonkte in de paardentrailer. Dat kun je door het geluid van de trekkende motor en het overige verkeer niet horen. Wel voelde ik dat de trekkende auto wat naar voren werd gedrukt. Het paard was direct na het vertrek vanuit Nijverdal ook al even aan het drukken geweest en onrustig. Achter ons reed een auto transporter waarvan de chauffeur ons eerste hulp verleende. Die chauffeur ving mijn dochter oop en zei dat hij [B.] heette en dat hij de eerste dag na zijn vakantie reed en dat hij voor een bedrijf in de buurt werkte. Op die manier zijn wij achter zijn naam gekomen, ook al via onze relaties in de chauffeurswereld want wij zijn beiden vrachtautochauffeur. Die chauffeur vertelde ons dat hij gezien had dat het paard in eens met zijn kont omhoog kwam en dat hij onrustig was. Hij zei dat de trailer met vier wielen omhoog kwam. Ik heb mij vergist als ik verklaard heb dat de chauffeur ons dat op de snelweg heeft gezegd. Daar is niet over de oorzaak van het ongeval gesproken. Pas later heeft de chauffeur mij verteld wat hij had gezien. (…) Ik weet nu niet meer wie bij vertrek vanuit Nijverdal de aanhangwagen heeft aangekoppeld en wie het paard in de aanhanger heeft gezet. Ik weet nu ook niet meer of het zeiltje tussen de loopplang van de trailer en het dak van de trailer open of dicht was. Normaal gesproken is dat zeiltje dicht zeker als het gaat om lange ritten.”

Getuige [C.] heeft verklaard:

“In deze procedure is aan de orde geweest de vraag of het zeiltje van de paardentrailer al dan niet gesloten was. Toen ik de vorige keer als publiek hier aanwezig was heb ik naar aanleiding daarvan de opmerking gemaakt: iets wat er niet op zit kan ook niet dicht. Daarmee wil ik zeggen dat ik uit eigen wetenschap weet dat er op de trailer geen zeiltje zat. Ik heb zelf met die trailer gereden omdat mijn dochter [A.] daarmee naar concoursen ging. (…) Toen mijn vrouw het ongeluk gehad had vertelde zij mij dat er een vrachtauto achter haar gereden had en dat de chauffeur daarvan [B.] heette. De vrachtauto was een autotransporter, een blauwe of een rode, aldus mijn vrouw. Ik heb vervolgens bijna een heel jaar lang de namen en de telefoonnummers van autotransportbedrijven genoteerd en die bedrijven opgebeld (…). Zo ben ik bij het autotransportbedrijf Transure in Apeldoorn terecht gekomen.”

4.8 In contra-enquête heeft [geïntimeerde] verklaard:

“(…) Toen mevrouw [appellante] het paard kwam ophalen was ik niet op de manege aanwezig. (…) Op de trailer die door [appellante] is gebruikt, zat een zeiltje, Dat weet ik zeker. Dat zeiltje was er niet af op de dag van het ongeluk. Het zeiltje doe je op een dag als vandaag waarop het koud is dicht, maar in de zomer is het zeiltje open. Je kunt in een paardentrailertrekkende auto horen of een paard al dan niet stampt. Ik heb het regelmatig meegemaakt dat ik paarden in de trailer hoorde stampen. Ik wil dan niet dat ze de vloer van de trailer kapotstampen en rem de auto dan af. (…) Het paard Iris dat in Heeteren in de trailer zat was 12 jaar oud. Het was een ervaren paard waarmee veel gereisd is naar keuringen en concoursen. Het was een rustig paard dat in de trailer heel kalm was.”

4.9 Ing. R.H. Boersma van eQuest (“voor ondernemers in de hippische branche”) heeft in zijn brief van 25 april 2007 aan de advocaat van [appellante] bericht:

“(…) Daarnaast wil ik graag ingaan op de verklaring van de heer [geïntimeerde]. Uit deze verklaring wil ik graag het volgende citeren: “Het paard Iris dat in Heeteren in de trailer zat was 12 jaar oud. Het was een ervaren paard waarmee veel gereisd is naar keuringen en concoursen. Het was een rustig paard dat in de trailer heel kalm was.” Dat wil echter niet zeggen dat een paard niet zo kan reageren zoals dat wel het geval is geweest ten tijde van het ongeluk van 4 maart 2002 op de A50 te Heeteren. Van nature is een paard een vluchtdier, en zal wanneer de situatie hierom vraagt vluchten. Het reageert schrikachtig op alles wat vreemd is. Paarden in de vrije natuur reageren op vijanden door te vluchten. Hoe eerder ze de vijanden zien des te meer overlevingskans ze hebben. Paarden zijn met zeer fijne zintuigen uitgerust. Ze reageren onmiddellijk op elke beweging, vreemde geluiden, vreemde lucht, zaken die voor de mens niet waarneembaar zijn. Van al wat onbekend is, kan een paard schrikken. Zo heb ikzelf meegemaakt dat een rustig paard tijdens transport in een trailer het tussenschot, wat in de trailer zit, door een schrikreactie los heeft gekregen en daardoor onder het paard terechtgekomen is.”

4.10 Naar het oordeel van het hof is [appellante] in het haar door de rechtbank opgedragen bewijs, dat het ongeval is veroorzaakt door het zelfstandig gedrag van het paard, geslaagd.

Getuige [A.] en (partij)getuige [appellante] hebben beiden verklaard dat zij vlak voor het ongeval tussen twee vrachtauto’s reden, op een zodanige afstand dat er voor en achter nog een vrachtauto tussen had gekund.

Getuige [B.] heeft verklaard op 4 maart 2002 in een vrachtauto achter de auto van [appellante] met de trailer te hebben gereden waarbij hij toen het ongeval heeft waargenomen. Door [geïntimeerde] is twijfel geuit over de betrouwbaarheid van de verklaring van [B.], kort gezegd, omdat het handschrift van zijn twee schriftelijke verklaringen niet overeenstemt en omdat hij pas laat door [appellante] is gelocaliseerd. Naar het oordeel van het hof hebben [B.] en [appellante] echter een zodanig plausibele uitleg gegeven, dat het hof geen aanleiding ziet in de door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden minder gewicht toe te kennen aan de getuigenverklaring van [B.].

[B.] heeft verklaard te hebben waargenomen dat de voorkant van het paard omhoog kwam en vervolgens zijn achterkant, dat het paard een paar keer achter elkaar bokte, waarbij hij zag aankomen dat het verkeerd zou gaan, en dat door het deinen van de trailer deze van de koppeling van de trekauto losraakte. [B.] heeft verklaard de bewegingen van het paard te hebben kunnen zien, omdat er geen zeiltje zat die de opening tussen het dak van de trailer en de laadklep van de trailer afsloot.

Of er destijds nu wel of geen zeiltje zat, doet uiteindelijk, naar het oordeel van het hof, niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [B.], nu een zeiltje als hier bedoeld ook open kan zijn en de uit de verklaringen van [A.] en [appellante] blijkt dat in dit geval het zeiltje open heeft kunnen staan.

De door [B.] waargenomen gang van zaken strookt met de verklaring [appellante] dat zij opeens bemerkte dat de trailer “raar ging doen” en dat zij vervolgens in de achteruitkijkspiegel zag dat de trailer “als het ware ging stuiteren”. De verklaring van [appellante] vindt weer bevestiging in de verklaring van [A.] dat, nadat [appellante] “het gaat niet goed” had geroepen, zij de macht over het stuur verloor en de auto en de trailer in de vangrail terechtkwamen.

Uit de verklaringen van [A.] en [appellante] blijkt dat het ongeval zich plotseling en in een korte tijdsspanne heeft voltrokken. Dat [appellante] en [A.], zoals zij hebben verklaard, geen onrustige bewegingen van het paard hebben waargenomen, acht het hof in dit geval dan ook niet van beslissend belang. Hetzelfde geldt voor de stelling van [geïntimeerde] dat het paard als rustig te boek stond. Zoals ook blijkt uit de in 4.9 genoemde brief van Ing. Boersma zijn paarden schrikachtige wezens; dat het paard niet eerder onrustig is geweest in een trailer sluit ook niet uit dat het in dit geval wel een schrikreactie heeft gegeven en heeft gereageerd op de wijze waarover [B.] heeft verklaard.

Voor de door [geïntimeerde] aangevoerde alternatieve verklaringen voor het ongeval zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten te vinden in de getuigenverklaringen, terwijl deze ook overigens onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. Dat een stuurfout of afwijkend rijgedrag de oorzaak van het ongeval is geweest, vindt geen steun in de verklaringen van [B.] en [A.], volgens wie de auto met een constante snelheid tussen twee vrachtwagens reed. [B.] heeft uitdrukkelijk verklaard te hebben gezien dat eerst het paard onrustig bewoog en pas daarna de trailer ontkoppelde, kennelijk als gevolg van het door [A.] en [appellante] waargenomen stuiteren van de trailer. Dat het ongeval te wijten zou zijn aan het door [geïntimeerde] genoemde verschijnsel van de luchtstroming heeft [geïntimeerde] niet nader onderbouwd. Volgens de verklaringen van de genoemde getuigen reed [appellante] voor het ongeval reeds enige tijd tussen de twee vrachtwagens, waardoor ook niet voor de hand ligt dat de oorzaak van het plotseling voltrokken ongeval moet worden gezocht in het onvoldoende afstand houden door [appellante] tot deze vrachtwagens.

Uit de door [appellante] overgelegde gegevens blijkt voorts dat de trailer en het paard tezamen onder het maximaal te trekken gewicht van de desbetreffende auto lag zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het ongeval hieraan moet worden geweten. Hetzelfde geldt voor de door [geïntimeerde] genoemde onbekendheid van [appellante] – vrachtwagenchauffeur van beroep – met de auto en de trailer die volgens [geïntimeerde] hier het ongeval (mede) zou hebben veroorzaakt.

Uit hetgeen [B.] over het ongeval heeft verklaard, zijn hiervoor ook geen aanknopingspunten te vinden.

De verschillende door [geïntimeerde] geschetste alternatieve oorzaken van het ongeval zijn, kortom, naar het oordeel van het hof onvoldoende gesubstantieerd en vinden geen steun in de getuigenverklaringen, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

4.11 Dit leidt tot de slotsom dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, naar het oordeel van het hof in dit geval de door [appellante] gestelde toedracht van het ongeval bewezen moet worden geacht. Het slagen van de grieven brengt mee dat op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep, de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde overige verweren opnieuw moeten worden beoordeeld.

4.12 [geïntimeerde] heeft zich in eerste aanleg primair verweerd met de stelling dat hij in dit geval niet als bezitter van het paard, als bedoeld in art. 6:179 BW, moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof faalt dit verweer. [geïntimeerde] had, ten tijde van het ongeval het paard aan de dochter van [appellante] ([A.]) uitgeleend. Dat zij dit voor de duur van een door haar te volgen opleiding deed, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat zij het paard voor zichzelf hield mee dat zij als bezitter van het paard in de zin van art. 6:179 jo. 3:107 e.v. BW kan worden aangemerkt. Het hof verenigt zich met het desbetreffende oordeel van de rechtbank (vonnis van 31 mei 2006, rov. 3.1) en maakt dat tot het zijne.

4.13 Daarnaast heeft [geïntimeerde] (meer) subsidiair een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [appellante]. Voorzover hij zich in dat verband heeft beroepen op de onbekendheid van [appellante] met geleende de auto en de geleende trailer, verwijst het hof naar rov. 4.10, waarin is geoordeeld dat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat deze omstandigheden het ongeval (mede) hebben veroorzaakt. Dat [appellante] twee keer is gestopt wegens onrustigheid van het paard en zij desondanks de (snel)weg is opgegaan, maakt dit niet anders, nu hieruit evenzeer de conclusie kan worden getrokken dat zij juist voorzichtig is geweest. [geïntimeerde] heeft, kortom, deze stelling onvoldoende onderbouwd, waarbij het hof ook nog wijst op de door [geïntimeerde] overgelegde brief van [D.] (KNHS) van 30 oktober 2006, waarin is vermeld dat, wanneer een paard onrustig is, het verstandig is om te stoppen, het paard te kalmeren en de oorzaak van de onrust - zo deze te vinden is – weg te nemen. Bovendien heeft [geïntimeerde] niet gesteld in hoeverre [appellante] op dat moment anders had kunnen of moeten handelen dan zij heeft gedaan.

Voorzover [geïntimeerde] – los van het voorgaande – nog heeft aangevoerd dat [appellante] wist of behoorde te weten dat een paard onrustig kan zijn en zij bewust het risico heeft genomen dat een ongeval als dit kon gebeuren, heeft [geïntimeerde] dit verweer onvoldoende feitelijk onderbouwd. Met name heeft hij niet onderbouwd dat [appellante] – ook al was zij bekend met de onberekenbaarheid van paarden – met een ongeval als het onderhavige rekening had moeten houden.

Tenslotte heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellante] is bekeurd wegens het rijden zonder geldig rijbewijs. [appellante] heeft dit, gemotiveerd, betwist. Op deze gemotiveerde betwisting door [appellante] heeft [geïntimeerde] niet meer (voldoende gemotiveerd) gereageerd, zodat het hof aan dit verweer eveneens voorbij zal gaan.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [appellante] toewijsbaar zijn. De wettelijke rente, vanaf de datum van het ongeval, is eveneens toewijsbaar.

5. Slotsom

De grieven slagen. Het bestreden vonnis van 4 juli 2007 zal worden vernietigd en de vorderingen van [appellante] zullen alsnog worden toegewezen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van 31 mei 2006;

- vernietigt het vonnis van die rechtbank van 4 juli 2007 en, opnieuw recht doende:

- verklaart voor recht dat [geïntimeerde] op grond van art. 6:179 BW aansprakelijk is voor alle geleden en te lijden schade van [appellante] als gevolg van het haar op 4 maart 2002 overkomen ongeval;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van alle door [appellante] als gevolg van dat ongeval geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg begroot op € 2.034,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 475,93 voor verschotten en wat betreft het hoger beroep begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 384,31 voor verschotten;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, R.A. Dozy en B.J. Lenselink, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2003.