Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH7777

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
200.004.141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van het hof wordt voorts niet anders door de verklaringen van de getuigen [appellant], [F.] en [G.]. [appellant] zelf heeft verklaard dat zij vóór haar val geen viezigheid op de vloer van de afdeling AGF had opgemerkt, maar dat zij na haar val merkte dat haar broek ter hoogte van haar rechterbovenbeen nat was en voorts dat zij toen onder de groententafel op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter een opengevallen plastic bakje druiven heeft zien liggen, waarvan de meeste druiven buiten de verpakking lagen. [G.], haar zoon, heeft verklaard dat hij na de val van zijn moeder had gezien dat naar schatting zes tot zeven druiven op de grond onder de groentetafel lagen en dat het ene deel van het druivenbakje vóór de groententafel op de grond lag en het andere deel van dit bakje daaronder en voorts dat de vloer waarop zijn moeder lag, nat en glibberig was. Ten slotte heeft [F.], de echtgenoot van [appellant], verklaard dat hij, nadat zijn vrouw was gevallen, onder de groentetafel een plastic druivenbakje, druiven en nattigheid heeft zien liggen, dat het plastic bakje half onder de groentetafel lag, dat twee of drie hele druiven vóór deze tafel lagen, dat één druif kapot was en onder de schoen van zijn vrouw zat en dat de vloer voor de tafel erg nat en glad was.

Ook indien ervan wordt uitgegaan dat hetgeen [appellant], [F.] en [G.] hebben verklaard juist is, betekent dit nog niet dat Albert Heijn is tekortgeschoten in het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF en/of in het hierop uit te oefenen toezicht. Weliswaar staat vast dat de op de afdeling werkzame medewerker van Albert Heijn op het moment van de val van [appellant] afwezig was. Naar echter hiervoor onder 4.13 is overwogen, is een korte afwezigheid van een dergelijke medewerker, om welke reden dan ook, op een rustige avond als – naar [E.] heeft verklaard – de onderhavige avond, acceptabel te achten, mits deze medewerker direct voorafgaande aan zijn vertrek de vloer van de afdeling nog heeft gecontroleerd op de aanwezigheid van verontreinigingen die voor de veiligheid van het winkelend publiek een gevaar kunnen vormen. Naar volgt uit de verklaring van [E.], was hij op het moment dat [appellant] viel pas vijf minuten met pauze en had hij vlak voordat hij met pauze ging, de vloer van de afdeling AGF nog helemaal geveegd en geconstateerd dat daarop niets lag, waaruit het hof afleidt dat hierop toen ook geen nattigheid lag. Dat in die vijf minuten, door welke oorzaak dan ook, een bakje druiven op de vloer van de afdeling AGF kapot is gevallen en dat dit, alle voorzorgen ten spijt, in dat korte tijdsbestek – overigens ook door [appellant] zelf – onopgemerkt is gebleven, kan Albert Heijn niet worden verweten.

Dit betekent dat Albert Heijn niet aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden, indien mocht komen vast te staan dat zij over een of meer druiven uit dat bakje is uitgegleden. Naar reeds hiervoor onder 4.9 is overwogen, kan van Albert Heijn niet worden verlangd dat zij zodanige maatregelen neemt dat ieder risico op het plaatsvinden van een val als gevolg van op de vloer van de afdeling AGF terecht gekomen (restanten van) groente of fruit wordt uitgesloten.

Bij het voorgaande weegt nog mee dat uit de verklaringen van de getuigen [C.] en [D.], die vrijwel direct na de val van [appellant] ter plaatse waren, volgt dat zij toen geen rommel of andere ongerechtigheden op de vloer van de afdeling AGF hebben waargenomen, waaruit moet worden afgeleid dat deze vloer in ieder geval voor het overige een opgeruimde indruk maakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.004.141

arrest van de derde civiele kamer van 10 maart 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Albert Heijn B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.J. Boom.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 december 2006, 16 mei 2007 en 9 januari 2008 die de rechtbank Almelo tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Albert Heijn) als gedaagde heeft gewezen. Van deze vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 25 maart 2008 Albert Heijn aangezegd van het vonnis van 9 januari 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Albert Heijn voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] achttien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, Albert Heijn alsnog zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Albert Heijn in de kosten van de beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Albert Heijn de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 14 januari 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. D.F. Briedé, advocaat te Enschede, en Albert Heijn door mr. J.V. Markus, advocaat te Rotterdam, beiden overeenkomstig de daarbij overgelegde pleitnotities.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 6 december 2006 onder 1.a tot en met 1.l feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak – samengevat – om het volgende. Op 6 juli 2005, omstreeks 20.20 uur, is [appellant], toen zij als klant samen met haar echtgenoot en zoon het supermarktfiliaal van Albert Heijn aan de Noord Esmarkerrondweg te Enschede (hierna: het supermarktfiliaal) bezocht, ten val gekomen op de afdeling aardappelen, groente en fruit (hierna: de afdeling AGF). Op de vloer van deze afdeling bevond zich ten tijde van haar val ten minste één druif. Als gevolg van de val heeft [appellant] een zogenoemde distale fibulafractuur aan haar rechterbeen opgelopen, waarvoor zij op 12 juli 2005 een operatie heeft ondergaan.

4.2 In eerste aanleg heeft [appellant] – kort gezegd – gevorderd te verklaren voor recht dat Albert Heijn aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de val op 6 juli 2005 in het supermarktfiliaal en Albert Heijn te veroordelen tot vergoeding aan haar van deze schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente en proceskosten. [appellant] heeft hiertoe, samengevat, gesteld dat Albert Heijn onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ten tijde van haar val op 6 juli 2005 bij het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF niet die extra oplettendheid in acht te nemen en daarop dat extra toezicht uit te oefenen die van haar in de gegeven omstandigheden mochten worden verlangd, met als gevolg dat zij is uitgegleden over een of meer druiven en/of vocht dat zich toen op die vloer bevond en letsel aan haar rechterbeen heeft opgelopen.

4.3 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 16 mei 2007 Albert Heijn had toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij ten aanzien van de winkelvloer van de afdeling AGF extra oplettendheid betracht en extra toezicht houdt op de naleving van instructies en vervolgens bewijslevering had plaatsgevonden, heeft de rechtbank de vordering van [appellant] bij eindvonnis van 9 januari 2008 (hierna ook: het eindvonnis) afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.4 Het hof stelt voorop dat geen grieven zijn aangevoerd tegen de bewijslastverdeling waarvan de rechtbank is uitgegaan, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

4.5 In de grieven kan geen klacht worden gelezen tegen de inhoud van de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht.

[appellant] stelt weliswaar in haar toelichting op grief 1 dat de bewijsopdracht “in retrospectief” bezien onjuist was, maar zij doelt hierbij – naar het hof haar stelling begrijpt – niet zozeer op de (inhoud van de) bewijsopdracht zelf, als wel op de uitleg en de invulling die de rechtbank in het eindvonnis bij de beoordeling van de bewijslevering volgens haar hieraan heeft gegeven. Volgens [appellant] heeft de rechtbank in haar eindvonnis, bij de beoordeling van de vraag of Albert Heijn heeft voldaan aan de haar bij tussenvonnis van 16 mei 2007 verstrekte bewijsopdracht, dit oordeel ten onrechte niet toegespitst op de op de situatie ten tijde van de val van [appellant], maar in plaats daarvan beoordeeld of Albert Heijn in het algemeen is tekortgeschoten in de van haar te verwachten extra oplettendheid bij het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF en in het van haar te vergen extra toezicht daarop.

Naar beide partijen terecht stellen, dient bij de beantwoording van de vraag of Albert Heijn onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door bij het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF niet de van haar te verlangen extra oplettendheid in acht te nemen en niet het van haar te vergen extra toezicht uit te oefenen, tot uitgangspunt te worden genomen de situatie ten tijde van de val van [appellant]. In zoverre is deze hiervoor genoemde stelling van [appellant] dus juist.

Voor het overige zal hierna in de rechtsoverwegingen 4.19 nader op deze stelling worden ingaan.

4.6 Dit alles betekent dat het hof bij de verdere beoordeling ervan zal uitgaan dat Albert Heijn bewijs dient te leveren van haar stelling dat zij ten tijde van de val van [appellant] ten aanzien van de winkelvloer van de afdeling AGF extra oplettendheid heeft betracht en extra toezicht heeft gehouden op de naleving van instructies.

4.7 Grief 2 (gedeeltelijk) en de grieven 3 tot en met 16 richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 7 van haar eindvonnis dat Albert Heijn is geslaagd in het leveren van het van haar verlangde bewijs en de aan dit oordeel in de rechtsoverwegingen 6.2 tot en met 6.4 ten grondslag gelegde redengeving. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.

4.8 Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat van een supermarkt als Albert Heijn mag worden verlangd dat zij bij het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF meer zorg betracht en op dit schoonhouden meer toezicht uitoefent, dan met betrekking tot de vloer van de meeste andere afdelingen van haar kan worden gevergd. Dit extra onderhoud en het extra toezicht daarop hangt samen met de wijze van inrichting van de afdeling AGF en de aard van de op deze afdeling verkochte levensmiddelen. Deze inrichting en aard brengen immers mee dat de vloer van deze afdeling relatief snel vervuild raakt met (om welke reden dan ook) daarop terecht gekomen (restanten van) groente of fruit, met het – in verhouding tot de vloer van de meeste andere afdelingen – grotere risico op uitglijden op die vloer.

Indien Albert Heijn heeft voldaan aan de hiervoor genoemde verplichting tot extra onderhoud van de afdeling AGF en het extra toezicht op dat onderhoud en zij ook het onderhoud van de vloer van de andere afdelingen van haar supermarktfiliaal, om haar moverende redenen, op hetzelfde niveau van (extra) onderhoud en (extra) toezicht heeft gebracht, betekent dit nog niet dat van haar kan worden verlangd dat zij het onderhoud van de vloer van de afdeling AGF en het toezicht op dit onderhoud op een nóg hoger niveau brengt. Voor zover in de grieven moet worden gelezen dat dit wel van haar kan worden verlangd, is dit standpunt van [appellant] dus onjuist.

4.9 Voor de vraag welke mate van extra onderhoud van de vloer van de afdeling AGF en welke mate van extra toezicht op dit onderhoud van Albert Heijn konden worden verlangd, wordt voorop gesteld dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dit gedrag onrechtmatig doet zijn. Gevaarscheppend gedrag is alleen onrechtmatig, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval – in dit geval het uitglijden van [appellant] op deze vloer – als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat Albert Heijn naar maatstaven van zorgvuldigheid maatregelen had behoren te treffen ter voorkoming van een dergelijk ongeval.

Welke maatregelen van haar konden worden verlangd, kan alleen worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid dat het winkelend publiek bij het betreden van de winkelvloer niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (vergelijk ook HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 en HR 9 december 1994, NJ 1996, 403).

Dit alles betekent dat van Albert Heijn niet kan worden gevergd dat zij zodanige maatregelen neemt dat ieder risico op het plaatsvinden van een val als gevolg van op de vloer van de afdeling AGF terecht gekomen (restanten van) groente of fruit wordt uitgesloten.

4.10 In het navolgende zal allereerst worden onderzocht of uit de beschikbare bewijsmiddelen kan worden afgeleid of Albert Heijn in het algemeen toereikende maatregelen heeft genomen om het risico van een val als gevolg van op de vloer van de afdeling AGF terecht gekomen (restanten van) groente of fruit zoveel mogelijk te beperken en, zo ja, welke maatregelen dit zijn geweest en of deze maatregelen in de gegeven omstandigheden voldoende zijn te achten (zie hierna onder 4.11-4.13). Vervolgens zal worden onderzocht of Albert Heijn ten tijde van de val van [appellant] voldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van een dergelijke val (zie hierna onder 4.14-4.17).

4.11 Met betrekking tot de door Albert Heijn in het algemeen genomen maatregelen ter voorkoming van een val als gevolg van op de vloer van de afdeling AGF terecht gekomen (restanten van) groente of fruit, hebben de hierna te melden getuigen het volgende verklaard, voor zover van belang.

De getuige [A.], ten tijde van de val van [appellant] als supermarktmanager werkzaam in het supermarktfiliaal, heeft het volgende verklaard, voor zover van belang:

In ieder geval waren de HACCP-lijsten in juli 2005 nog leidend. […] De spelregels AGF gelden niet alleen voor nieuwe medewerkers AGF, maar ook voor de medewerkers AGF die bijgeschoold worden. […] Ik loop minimaal 6 keer tot 20 keer per dag door de winkel om te kijken of alles in orde is in de winkel. Als ik op welk tijdstip dan ook over de afdeling AGF loop en er ligt iets op de grond dan zeg ik daar iets van. De werkschema's worden door mij niet actief gebruikt, om te controleren of de daarop verrichtte werkzaamheden zijn verricht. Ik weet welke werkzaamheden er verricht moeten worden. […] De gehele winkelvloer wordt elke ochtend geschobd. […] De checklist winkelbeeld […] is een hulpmiddel voor mij en de assistent-managers om te controleren of het totale winkelbeeld juist is. Als iets niet goed is, dan wordt dat op de checklist vermeld en wordt direct een actie afgesproken om dit gebrek te verhelpen. Ik loop 4 tot 7 keer per week die lijst langs. Medewerkers van de afdeling AGF weten dat zij minimaal 4 keer per dag tijd moeten inruimen om de vloer van de afdeling AGF te inspecteren. […] De werknemers weten dat de specifieke tijdstippen er zijn, zij weten ook dat de vloer de hele dag door schoon moet zijn. […] Ten aanzien van het schoonmaken van de vloer van de afdeling AGF, geldt dat de afdeling AGF het meest kwetsbaar is. Deze afdeling krijgt meer aandacht van mij en de medewerkers dan de overige afdelingen. Dit blijkt niet uit een of ander stuk. Ik nuanceer dit in die zin dat de groenteafdeling veel meer tijd beschikbaar heeft voor het schoonhouden van de vloer dan bijvoorbeeld de kassagroep. De afdeling AGF heeft misschien wel de helft van het totale aantal schoonmaakuren tot haar beschikking. Dus in die zin blijkt wel dat het schoonmaken op de afdeling AGF meer aandacht krijgt.

De controle of de afdeling AGF ook daadwerkelijk meer tijd besteed aan het schoonmaken vindt plaats door middel van visuele inspectie. Dat doe ik zo vaak op een dag, ik schat ongeveer 20 keer. […] Ook op een rustige avond is er altijd iemand op de afdeling AGF tenzij hij even naar het toilet moet.

Verder heeft de getuige [B.], ten tijde van de val van [appellant] als assistent-supermarktmanager werkzaam in het supermarktfiliaal, het volgende verklaard, voor zover van belang:

Het is in ieder geval zo dat er altijd een assistent-manager of de manager aanwezig is. […] In de periode juli 2005 waren de schoonmaakinstructies als volgt: Voor 08.00 uur wordt de gehele winkelvloer geveegd en gedweild. Hiervoor waren 2 personen verantwoordelijk […]. Als deze dames naar huis gaan neemt de afdeling het hier over, die er verantwoordelijk voor is dat de winkelvloer schoon blijft. Vóór sluitingstijd rond 21.00 uur, maken de afdelingen hun eigen stukje schoon. In die zin dat de eigen afdeling veegschoon moet zijn. […] De verschillende afdelingen hebben elk hun eigen werkschema dat voor elke afdeling specifiek gemaakt is. Dit betekent dat er een verschil in frequentie van het schoonmaken van de vloer voor de verschillende afdelingen bestaat. Dit is opgenomen in de werkschema's. De groenteafdeling valt weliswaar niet onder mijn verantwoordelijkheid maar ik weet wel wat het schoonmaakbeleid is op de groenteafdeling, ik moet dit immers controleren. […] Na 17.00 uur is er een parttimer die niet op elk moment aanwezig hoeft te zijn. […] het werkschema voor de afdeling AGF […] hangt aan de buitenkant van de koelcel van de groente. Op het werkschema van de afdeling AGF komt het schoonmaken van de vloer veel vaker voor dan op het werkschema van bijvoorbeeld de afdeling houdbaar. […] Als we het werkschema nalopen dan wordt het schrobben en vegen om 07.00 uur door de door mij genoemde schoonmaaksters gedaan. Dit is een intensieve schoonmaakbeurt. Om 10.00 uur, 13.00 uur/13.30 uur, 14.00 uur en 21.30 uur worden de schoonmaak van de vloer door de afdeling zelf gedaan[…] Ik denk dat het schoonmaakschema dient te gelden als een minimum. Daarna houd je bij of er extra schoonmaakwerkzaamheden nodig zijn. […] Bij de controle kijk ik of de werkschema's van de afdelingen en de HACCP-lijsten worden afgetekend.

De getuige [C.], ten tijde van de val van [appellant] als leidinggevende van de kassagroep werkzaam in het supermarktfiliaal, heeft voorts het volgende verklaard, voor zover van belang:

Ik ben uit hoofde van mijn functie als leidinggevende van de kassagroep globaal op de hoogte van de schoonmaakinstructies van de gehele winkel en derhalve ook van de afdeling AGF. De afdeling AGF wordt geveegd en gedweild voor openingstijd. […] Overdag wordt er geregeld geveegd, dat is een paar keer per dag. In ieder geval gebeurt dat nadat de afdeling is bijgevuld. Als de vloer vies is wordt er nog extra geveegd. De vloer van de afdeling AGF wordt vaker schoongemaakt dan de rest van de winkel. Vanuit het management wordt dat ook aangegeven dat dat vaker moet gebeuren en alle medewerkers weten dat.

De getuige [D.], ten tijde van de val van [appellant] als vulploegleider werkzaam in het supermarktfiliaal, heeft ten slotte het volgende verklaard, voor zover van belang

Ik weet dat er voor elke afdeling een HACCP-lijst is en een checklist waarop de werkzaamheden vermeld staan die degene die dienst doet moet uitvoeren. Deze checklist wordt ook afgevinkt. De HACCP-lijst is de lijst die U mij toont en die gehecht is aan het proces-verbaal van de comparitie. Met de checklist bedoel ik een werkschema […]. De HACCP-lijst wordt geparafeerd en op de checklist wordt een naam ingevuld op zodanige wijze dat hieruit blijkt wie welke werkzaamheid heeft uitgevoerd. […] De ingevulde checklisten worden gecontroleerd door de op dat moment hoogst leidinggevende. […] Bij de controle wordt nagegaan of de aangegeven werkzaamheid ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Als de afgevinkte werkzaamheid niet is uitgevoerd krijg je een standje en moet je het alsnog doen. Er wordt uitgelegd dat je het niet zomaar maar afvinken, doe je dat vervolgens nogmaals dan krijg je een schriftelijke waarschuwing. […] De ingevulde checklist plus de HACCP-lijsten die voor een week gelden worden wekelijks door de supermarktmanager bekeken en vervolgens gearchiveerd. Twee keer per jaar wordt door een extern bureau op een door ons onverwacht moment gecontroleerd of wij werken volgens de HACCP-lijsten. […] Voor de vloer geldt dat als de vloer vervuild is de viezigheid zo snel mogelijk opgeruimd moet worden. […] Ik weet dat er een werkschema is voor de afdeling AGF […]. Ik heb het schema vaker zien hangen.

4.12 Uit de verklaringen van de getuigen [A.], [B.], [C.] en [D.], in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt met betrekking tot het onderhoud van de vloer van de afdeling AGF het volgende. De vloer van deze afdeling werd medio 2005 iedere ochtend vóór 8.00 uur geveegd en gedweild en vervolgens om 10.00 uur, 13.00 uur/13.30 uur, 14.00 uur en 21.30 uur veegschoon gemaakt door medewerkers van deze afdeling. De voor deze afdeling geldende schoonmaakwerkzaamheden werden afgevinkt op een werkschema dat op de buitenkant van de koelcel was opgehangen. Als de vloer tussendoor vervuild was geraakt, werd de viezigheid zo snel mogelijk opgeruimd. Voorts gold voor iedere afdeling een HACCP-lijst (Hazard Analysis Critical Control Points), die ten doel had te voorkomen dat voedsel ongezond en onveilig werd en waarvan een deugdelijk schoonmaakplan deel uitmaakte. Ook op een rustige avond was altijd een personeelslid op de afdeling AGF aanwezig, behoudens een korte afwezigheid wegens bijvoorbeeld toiletbezoek of een korte pauze.

De controle door het management – waarvan altijd iemand aanwezig was – op de hiervoor vermelde regels hield in de eerste plaats in dat de afdeling AGF 6 tot 20 keer per dag visueel werd geïnspecteerd op de aanwezigheid van vervuiling. Verder vond dagelijks controle plaats aan de hand van HACCP-lijsten en door de assistent-manager bovendien nog aan de hand van de afgevinkte werkschema’s. Het management sprak voorts medewerkers die zich niet aan deze regels hielden, hierop aan. Wanneer werd ontdekt dat een medewerker een afgevinkte werkzaamheid in werkelijkheid niet had uitgevoerd, kreeg hij daarvoor de eerste keer een standje en de tweede keer een schriftelijke waarschuwing.

4.13 Het hof is van oordeel dat het hiervoor onder 4.12, eerste alinea, omschreven samenstel van maatregelen en de controle op naleving van deze maatregelen door het management, zoals vermeld in de tweede alinea van 4.12, in de gegeven omstandigheden voldoende moeten worden geacht om een val op de vloer van de afdeling AGF als gevolg van daarop terecht gekomen (restanten van) groente of fruit binnen redelijke grenzen te voorkomen, zodat in zoverre niet kan worden geoordeeld dat Albert Heijn de van haar te vergen zorgvuldigheid heeft veronachtzaamd.

Een korte afwezigheid van de op deze afdeling werkzame medewerker, om welke reden dan ook, moet daarbij acceptabel worden geacht, mits deze medewerker direct voorafgaande aan zijn vertrek de vloer van de afdeling nog heeft gecontroleerd op de aanwezigheid van verontreinigingen die voor de veiligheid van het winkelend publiek een gevaar kunnen vormen.

Anders dan [appellant] meent, is het naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk dat ook het gedeelte onder de verkooptafels waar niet wordt gelopen, werd schoongehouden met dezelfde urgentie en frequentie als de rest van de vloer. Zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, valt immers niet in te zien dat de enkele aanwezigheid van (restanten van) groente of fruit die zich bevinden op dat gedeelte van de winkelvloer waarop niet wordt gelopen, niettemin een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van het winkelend publiek.

4.14 Met betrekking tot het antwoord op de vraag of Albert Heijn ten tijde van de val van [appellant] de hiervoor onder 4.12 genoemde maatregelen ter voorkoming van een dergelijke val heeft nageleefd en voldoende controle op de naleving daarvan heeft uitgeoefend, hebben de hierna te melden getuigen verklaard, voor zover van belang.

De getuige [E.], destijds medewerker op de versafdelingen van het supermarktfiliaal, heeft het volgende verklaard:

Ik denk dat ik die dag van 6 juli 2005 rond 16.00 uur begonnen ben. Ik loste mijn voorganger af en ben begonnen met het vullen van de groenteafdeling. Hierna heb ik geveegd. Vanaf 16.00 uur is er op woensdag maar 1 groenteman aanwezig omdat de woensdag een rustige avond is. De groenteafdeling is de eerste afdeling die men betreedt als men de winkel binnenkomt zodat deze afdeling altijd netjes moet zijn. Na het vullen en vegen van de afdeling AGF heb ik een kwartier pauze […] Tijdens deze pauze van een kwartier is er niemand op de afdeling AGF. In deze pauze, nadat ik hooguit 5 minuten weg was, is mevr. [appellant] ten val gekomen. Vanaf 16.00 uur tot de pauze ben ik de hele tijd op de afdeling AGF geweest. Ik had de afdeling AGF net geveegd voordat ik met pauze ging, er lag dus helemaal niets toen ik de afdeling verliet. […] Ik veeg tot de poten van de tafel en kon dus wel onder de oversteek van de groentetafel. Daar waar ik met de bezem niet bij kon komen kan ook niet gelopen worden. […] Dweilen doe ik 's avonds niet. Dat gebeurt alleen 's ochtends en verder als het nodig is. Voor de afdeling AGF […] gelden geen andere schoonmaakinstructies, ook niet ten aanzien van het schoonhouden van de vloer, maar er wordt wel meer aandacht gegeven aan het schoonhouden van de vloer. De groenteafdeling wordt elk uur nagekeken, dat is niet neergelegd in een schema maar dat doe je gewoon. De controle op het schoonmaken van de vloer gebeurt door de bedrijfsleider of de assistent-manager. Die avond was dat mevr. [B.]. Zij heeft mij ook gecontroleerd, maar mij niet ergens op aangesproken. De controle kan elk uur zijn maar ook elk half uur, dat is willekeurig. Het werkschema […] hangt op de deur van de koelcel. Ik houd mij niet aan de volgorde van het werkschema maar zorg er wel voor dat alles is gedaan. […] Als ik een werkzaamheid van het schema had uitgevoerd, vinkte ik dat af op het schema. Ik weet niet of de bedrijfsleider of de assistent controleerde of het werk dat ik had afgevinkt, ook uitgevoerd was. […] Ik weet zeker dat ik nog geen 5 minuten pauze had toen mevr. [appellant] viel omdat ik als ik ga pauzeren de dozen naar het magazijn breng om te worden vermalen en aansluitend een kop koffie pak en ik zat net toen mevr. [appellant] is gevallen.

De getuige [B.] heeft hierover het volgende verklaard:

Ik kan mij die woensdag 6 juli 2005 nog min of meer herinneren. Ik heb gewerkt van 13.00 uur tot 22.00 uur in een voor mij vast schema. Ik was toen de enige assistent manager die aanwezig was. […] Ik was op 6 juli 2005 verantwoordelijk voor het controleren of volgens het werkschema is gewerkt, het gold voor de gehele winkel. Bij mijn controle van de winkel heb ik de checklist winkelbeeld voor ogen waarin allerlei controlepunten staan opgenomen. Dit gaat veel verder dan alleen het controleren of volgens het werkschema is gewerkt. Bij de controle kijk ik of de werkschema's van de afdelingen en de HACCP-lijsten worden afgetekend. […] Het hygiëneborgingsformulier is gelijk aan de HACCP-lijst, wordt door de afdeling zelf afgetekend. […] Ik kijk of de lijst is afgetekend en ik kijk ook of dat wat is afgetekend dat daadwerkelijk gedaan is. Ik praat met het personeel van de afdeling en vraag of ze aan alles toe zijn gekomen en check of dat zo is. Ik controleer ook of het werkschema is ingevuld (een paraaf gezet is door de betreffende medewerker) en uitgevoerd. [… ] De groenteman die op 6 juli 2005 overdag werkzaam was […] had altijd alles perfect voor elkaar. Na 17.00 uur zijn de taken door [E.] overgenomen. Ik controleer de uitvoering van de werkzaamheden op het werkschema allemaal even intensief. […] Met de hygiëne op de afdeling AGF was het op en rond 6 juli 2005 goed gesteld. Dit leid ik af uit de omstandigheid dat niet gebleken is dat op die checklist winkelbeeld een opmerking geplaatst is. Ik heb van de manager dan wel assistent-manager die voordien aanwezig is geweest niet te horen gekregen dat ik nog op een bepaald punt van de checklist winkelbeeld moest letten. Dit betekent dat er geen actiepunten openstonden. […] De specifieke checklist winkelbeeld van 6 juli 2005 kan ik mij niet herinneren, ik leid een en ander af uit de omstandigheid dat bij de overdracht van taken aan mij geen opmerkingen gemaakt zijn.

De getuige [C.] heeft verder nog het volgende verklaard:

Ik ben bedrijfshulpverlener en ben na het ongeval bij mevr. [appellant] geroepen. […] Ik heb later nog tegen mijn collega's gezegd dat ik vond dat de afdeling AGF er erg netjes uit zag, verzorgd en de vloer was schoon. Het hoort bij mijn taak als BHV-er om te kijken of er iets op de vloer ligt waarom iemand onderuit kan gaan. Voor zover ik mij herinner heb ik bij mijn visuele inspectie bij de afdeling AGF niets opgemerkt.

Ten slotte heeft de getuige [D.] nog het volgende verklaard:

Op 6 juli 2005, nadat het ongeval met mevr. [appellant] is gebeurd, is mij opgevallen dat de winkelvloer van de afdeling AGF erg schoon was. Ik zag dat. Als er iets gebeurd is, ik had gehoord dat ze over een druif uitgegleden is, kijk je vanzelfsprekend of er rommel op de vloer ligt. Ik zag geen rommel op de vloer van de afdeling AGF.

4.15 Uit de verklaringen van de getuigen [B.], [E.], [C.] en [D.], in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof in de eerste plaats af dat [E.], de medewerker van Albert Heijn die ten tijde van de val van [appellant] was belast met (onder andere) het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF, de hiervoor onder 4.12 genoemde maatregelen ter voorkoming van een val op de vloer van de afdeling AGF als gevolg van daarop terecht gekomen (restanten van) groente of fruit, in voldoende mate in acht heeft genomen en voorts dat het op dat moment aanwezige management, in de persoon van [B.], op de naleving van deze maatregelen voldoende toezicht heeft uitgeoefend.

4.16 Aan dit oordeel doet niet af dat [E.] heeft verklaard dat hij zich niet aan de volgorde van het werkschema had gehouden. Hij heeft immers tevens verklaard dat hij wist dat de afdeling AGF altijd netjes moet zijn en dat hij deze afdeling elk uur heeft nagekeken en ervoor heeft gezorgd dat alles was gedaan. Verder volgt uit de verklaring van de getuige [B.] dat zij de afdeling AGF die avond met grote regelmaat had gecontroleerd.

4.17 Het oordeel van het hof wordt voorts niet anders door de verklaringen van de getuigen [appellant], [F.] en [G.]. [appellant] zelf heeft verklaard dat zij vóór haar val geen viezigheid op de vloer van de afdeling AGF had opgemerkt, maar dat zij na haar val merkte dat haar broek ter hoogte van haar rechterbovenbeen nat was en voorts dat zij toen onder de groententafel op een afstand van ongeveer 30 tot 50 centimeter een opengevallen plastic bakje druiven heeft zien liggen, waarvan de meeste druiven buiten de verpakking lagen. [G.], haar zoon, heeft verklaard dat hij na de val van zijn moeder had gezien dat naar schatting zes tot zeven druiven op de grond onder de groentetafel lagen en dat het ene deel van het druivenbakje vóór de groententafel op de grond lag en het andere deel van dit bakje daaronder en voorts dat de vloer waarop zijn moeder lag, nat en glibberig was. Ten slotte heeft [F.], de echtgenoot van [appellant], verklaard dat hij, nadat zijn vrouw was gevallen, onder de groentetafel een plastic druivenbakje, druiven en nattigheid heeft zien liggen, dat het plastic bakje half onder de groentetafel lag, dat twee of drie hele druiven vóór deze tafel lagen, dat één druif kapot was en onder de schoen van zijn vrouw zat en dat de vloer voor de tafel erg nat en glad was.

Ook indien ervan wordt uitgegaan dat hetgeen [appellant], [F.] en [G.] hebben verklaard juist is, betekent dit nog niet dat Albert Heijn is tekortgeschoten in het schoonhouden van de vloer van de afdeling AGF en/of in het hierop uit te oefenen toezicht. Weliswaar staat vast dat de op de afdeling werkzame medewerker van Albert Heijn op het moment van de val van [appellant] afwezig was. Naar echter hiervoor onder 4.13 is overwogen, is een korte afwezigheid van een dergelijke medewerker, om welke reden dan ook, op een rustige avond als – naar [E.] heeft verklaard – de onderhavige avond, acceptabel te achten, mits deze medewerker direct voorafgaande aan zijn vertrek de vloer van de afdeling nog heeft gecontroleerd op de aanwezigheid van verontreinigingen die voor de veiligheid van het winkelend publiek een gevaar kunnen vormen. Naar volgt uit de verklaring van [E.], was hij op het moment dat [appellant] viel pas vijf minuten met pauze en had hij vlak voordat hij met pauze ging, de vloer van de afdeling AGF nog helemaal geveegd en geconstateerd dat daarop niets lag, waaruit het hof afleidt dat hierop toen ook geen nattigheid lag. Dat in die vijf minuten, door welke oorzaak dan ook, een bakje druiven op de vloer van de afdeling AGF kapot is gevallen en dat dit, alle voorzorgen ten spijt, in dat korte tijdsbestek – overigens ook door [appellant] zelf – onopgemerkt is gebleven, kan Albert Heijn niet worden verweten.

Dit betekent dat Albert Heijn niet aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden, indien mocht komen vast te staan dat zij over een of meer druiven uit dat bakje is uitgegleden. Naar reeds hiervoor onder 4.9 is overwogen, kan van Albert Heijn niet worden verlangd dat zij zodanige maatregelen neemt dat ieder risico op het plaatsvinden van een val als gevolg van op de vloer van de afdeling AGF terecht gekomen (restanten van) groente of fruit wordt uitgesloten.

Bij het voorgaande weegt nog mee dat uit de verklaringen van de getuigen [C.] en [D.], die vrijwel direct na de val van [appellant] ter plaatse waren, volgt dat zij toen geen rommel of andere ongerechtigheden op de vloer van de afdeling AGF hebben waargenomen, waaruit moet worden afgeleid dat deze vloer in ieder geval voor het overige een opgeruimde indruk maakte.

4.18 Uit het voorgaande volgt dat grief 2 in zoverre faalt en dat de grieven 3 tot en met 16 eveneens falen.

4.19 In grief 1 en (gedeeltelijk) in grief 2 klaagt [appellant] erover dat de rechtbank in haar eindvonnis, bij de beoordeling van de vraag of Albert Heijn had voldaan aan de haar bij tussenvonnis van 16 mei 2007 verstrekte bewijsopdracht, deze bewijsopdracht ten onrechte niet heeft toegespitst op de op de situatie ten tijde van de val van [appellant].

Of de rechtbank dit in het tussenvonnis van 16 mei 2007 of in het eindvonnis al dan niet uit het oog heeft verloren, kan in het midden blijven. Naar immers volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van de beoordeling van de grieven 2 tot en met 16, komt de vordering van [appellant], ook bij toepassing van het door haar voorgestane beoordelingscriterium, waarvan ook het hof is uitgegaan, niet voor toewijzing in aanmerking.

Dit betekent dat [appellant] geen belang heeft bij de bespreking van deze grieven.

4.20 Grief 17 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 7 van het eindvonnis, dat de vraag of [appellant] ten val is gekomen als gevolg van het uitglijden over een of meer druiven dan wel nattigheid, niet van belang is. Deze grief behoeft geen bespreking, nu deze, naar volgt uit de toelichting hierop, uitgaat van het – naar uit het voorgaande volgt – zich hier niet voordoende geval dat Albert Heijn niet in het van haar verlangde bewijs is geslaagd.

4.21 Grief 18 heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom evenmin bespreking.

4.22 Mede bezien tegen de achtergrond dat in eerste aanleg reeds getuigen zijn gehoord en niet is toegelicht dat en op welke wijze nader te horen getuigen zouden kunnen bijdragen aan (eventueel) door [appellant] te leveren tegenbewijs, zal het hof het algemene bewijsaanbod van [appellant] als onvoldoende gespecificeerd passeren.

In hoger beroep gaat het, gelet op de aangevoerde grieven, om de beantwoording van de (rechts)vraag of Albert Heijn is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat zij ten tijde van de val van [appellant] ten aanzien van de winkelvloer van de afdeling AGF extra oplettendheid heeft betracht en extra toezicht heeft gehouden op de naleving van instructies.

[appellant] heeft voor de door haar voorgestane beantwoording van deze vraag geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andersluidende beantwoording kunnen leiden dan reeds volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

5. Slotsom

5.1 De grieven 2 tot en met 16 falen, terwijl grief 1, (gedeeltelijk) grief 2 en de grieven 17 en 18 geen bespreking behoeven. Dit betekent dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 9 januari 2008;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Albert Heijn begroot op € 2.682,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 303,00 voor griffierecht;

- verklaart dit arrest wat deze proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, R.J.J. van Acht en S.D. Lindenbergh, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2009.