Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH7007

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
104.004.132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesteld noch gebleken is dat [appellant] op het moment dat het bedrag op zijn rekening werd gestort reeds te kwader trouw was, zodat de uitzondering van art. 6:207 BW niet van toepassing is.

Art. 6:207 BW verwijst naar de hiervoor besproken periode van art. 6:204 lid 1 BW, zodat ook hier geldt dat [appellant] vanaf het moment dat hij de dag na ontvangst € 40.000,- overboekte op een andere rekening, redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave van het ontvangen geldbedrag rekening moest houden.

Uitsluitend is nog van belang of [appellant] recht heeft op vergoeding van het door hem op 6 juni 2006 uitgegeven bedrag van € 500,-. Het hof is van oordeel dat deze besteding van [appellant] niet leidt tot een binnen de grenzen van de redelijkheid vallend vergoedingsrecht in de zin van art. 6:207 BW. Uit de verklaringen van [appellant] bij de comparities van partijen in eerste aanleg en hoger beroep blijkt dat [appellant] het op 6 juni 2006 opgenomen bedrag diezelfde avond tijdens het uitgaan heeft besteed:

“Ik ben het gaan vieren met wat vrienden.” en “Toen heb ik gefeest in [plaatsnaam].”

Aldus heeft [appellant] dit bedrag van € 500,- volledig ten eigen bate besteed, terwijl anderzijds de betaling door [geïntimeerde] te wijten is aan een vergissing van mr. [B.], als notaris werkzaam bij [geïntimeerde], doordat zij bij de afwikkeling van de openbare verkoop van de woning het rekeningnummer van [appellant] aanzag voor het rekeningnummer van [A.] (verklaring mr. [B.] bij de comparitie van partijen in eerste aanleg). Art. 6:207 BW strekt er niet toe om onder de omstandigheden van dit geval een ontvanger via deze bepaling ten laste van degene die onverschuldigd heeft betaald een ongerechtvaardigd voordeel in de schoot te werpen. Het hof verwijst in dit verband tevens naar hetgeen over deze uitgaven hiervoor is overwogen in 3.12.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.132

rolnummer (oud) 2007/1097

arrest van de derde civiele kamer van 3 maart 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.J. Driessen,

tegen:

de maatschap

[geïntimeerde] Notarissen

(voorheen genaamd [...] Notarissen),

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.J.G.M. Van den Broek.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 25 september 2007. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 29 november 2007 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis van 18 april 2007 aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans zijn vorderingen zal afwijzen en het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van [het hof leest:] het hoger beroep.

1.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 18 april 2007, onder 2.1 tot en met 2.5, feiten vastgesteld. Het hof zal in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Deze zaak betreft het volgende. [geïntimeerde] heeft de openbare verkoop uitgevoerd van de woning van [A.]. [A.] is de vader van [appellant]. Na aflossing van de openstaande schuld, resteerde na de openbare verkoop van de woning een opbrengst van € 54.467,65. Dit bedrag kwam aan [A.] toe.

[geïntimeerde] heeft op 6 juni 2006 voornoemd bedrag overgemaakt op bankrekeningnummer [...] welke rekening echter op naam staat van [appellant].

[A.] heeft op 13 juli 2006 aan [geïntimeerde] bericht dat hij dit bedrag nog niet had ontvangen.

[geïntimeerde] heeft nog diezelfde dag hierover contact opgenomen met [appellant], waarna [appellant] [geïntimeerde] onherroepelijk heeft gemachtigd om het bedrag van € 54.467,65 van zijn bankrekening naar die van zijn vader over te maken. Het saldo van de bankrekening van [appellant] op dat moment liet echter nog slechts overmaking toe van een bedrag van € 23.194,-- aan [A.].

Op 8 november 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de aan [appellant] toebehorende roerende zaken.

3.2 [geïntimeerde] vordert in dit geding, kort gezegd, om [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 31.273,65 (€ 54.467,65 verminderd met reeds betaalde bedrag van € 23.194,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2006, althans vanaf 22 september 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het op 6 juni 2006 aan [appellant] overgemaakte bedrag onverschuldigd aan hem is betaald en dat [appellant] daarom gehouden is tot terugbetaling.

[appellant] heeft als verweer gevoerd dat hij, nadat hem bleek dat een bedrag van € 54.467,65 op zijn bankrekening was gestort, in de veronderstelling verkeerde dat hij een geldprijs in een prijzenfestival had gewonnen waarin hij destijds meespeelde. [appellant] betoogt dat hij in de periode van 6 juni 2006 tot 13 juli 2006 vanuit die veronderstelling een deel van het ontvangen bedrag te goeder trouw heeft uitgegeven en dat daarom niet van hem kan worden gevergd om het nog openstaande bedrag aan [geïntimeerde] terug te betalen.

3.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, veronderstellenderwijs aannemend dat art. 6:204 BW ook ziet op onverschuldigd betaalde geldsommen, beoordeeld of [appellant] in de periode dat hij het bedrag ontving en deels spendeerde, te goeder trouw was. De rechtbank heeft geoordeeld dat nu [appellant] heeft nagelaten enig onderzoek te verrichten, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht, [appellant] niet te goeder trouw was. [appellant] is dan ook gehouden het door [geïntimeerde] onverschuldigd betaalde bedrag, voor zover dat nog niet door [appellant] is terugbetaald, aan [geïntimeerde] te betalen. De rechtbank heeft [appellant], bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 31.273,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2006, en [appellant] veroordeeld in de beslagkosten van € 1.323,39 en de proceskosten.

3.4 [appellant] heeft tegen dit vonnis twee grieven aangevoerd. Met grief 1 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet te goeder trouw is in de zin van art. 6:204 lid 1 BW. Verder heeft de rechtbank ten onrechte zijn bewijsaanbod ten aanzien van zijn goede trouw gepasseerd. [appellant] wil in hoger beroep daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, aldus grief 2 van [appellant].

3.5 Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de door [geïntimeerde] onverschuldigd verrichte prestatie de betaling van een geldsom betreft zoals bedoeld in art. 6:203 lid 2 BW. Hiervoor geldt dat de ontvanger gehouden is tot teruggave van een gelijk bedrag. [geïntimeerde] betoogt in beginsel dan ook terecht dat het uitgeven daarvan door de ontvanger, niet kan afdoen aan zijn verplichting om op grond van art. 6:203 lid 2 BW een zelfde geldsom aan [geïntimeerde] te voldoen. De door [appellant] gestelde goede trouw kan – behoudens hetgeen hierna wordt overwogen – aan de toewijsbaarheid van de vordering op de grondslag van art. 6:203 lid 2 BW niet in de weg staan.

3.6 Het hof verstaat het beroep van [appellant] op zijn goede trouw als een betoog dat hij redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave geen rekening behoefde te houden in de zin van art. 6:204 lid 1 BW. Deze stelling zal het hof in het navolgende beoordelen.

3.7 Art. 6:204 lid 1 BW bepaalt dat indien de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed heeft zorg gedragen, hem dit niet wordt toegerekend. Op grond van art. 6:210 lid 1 BW is deze bepaling ook van toepassing indien de onverschuldigde prestatie bestaat uit de betaling van een geldsom.

3.8 Op 6 juni 2006 heeft [geïntimeerde] per abuis het bedrag overgemaakt op de rekening van [appellant]. [appellant] heeft op de comparitie van partijen in hoger beroep verklaard dat hij destijds bankierde bij de Rabobank en via internet inzage had in zijn rekening. Uit de door [appellant] overgelegde internetuitdraai van zijn bankrekening (productie 9 bij memorie van grieven) blijkt de volgende omschrijving:

“[geïntimeerde]

Spoedopdracht

AFREK. 260755 INZ. [adres] (2006.0321)”

[appellant] heeft hierover bij de comparitie van partijen in hoger beroep het volgende verklaard:

“(…) Op internet stond bij de betaling alleen de naam van een notaris en het bedrag.”

3.9 Uit de uitdraai blijkt verder dat [appellant] nog diezelfde dag om respectievelijk 22.09 uur en 23.37 uur (verwerkingstijdstip) bedragen van telkens € 250,- heeft opgenomen.

[appellant] heeft verklaard dat bij het pinnen van deze bedragen geen omschrijving stond en dat hij dacht dat hij een geldprijs had gewonnen in een prijzenfestival:

“(…) Ik dacht dat het een prijs was, het stond er niet bij, bij het pinnen.” (proces-verbaal comparitie van partijen in hoger beroep, eerste alinea).

Reeds de volgende dag, op 7 juni 2006 om 12.23 uur, heeft [appellant] een bedrag van € 40.000,- naar een andere op zijn naam staande bankrekening overgeboekt, zo blijkt uit de uitdraai.

Ten aanzien van het tijdstip waarop [appellant] bleek dat het bedrag niet een door hem gewonnen geldprijs betrof, heeft [appellant] betoogd dat dit eerst op 13 juli 2006 het geval was, nadat hij door [geïntimeerde] hierover telefonisch was benaderd (processen-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg en hoger beroep en conclusie van antwoord, onder 4). Uit de uitdraai blijkt echter dat voor [appellant] bij het overboeken van het bedrag van € 40.000,- reeds kenbaar was dat de betaling door [geïntimeerde], een dag eerder, betrekking had op de afrekening ter zake van de [adres]. Hierbij is mede van belang dat [appellant] heeft verklaard dat hij ten tijde van de ontvangst van het bedrag van [geïntimeerde] op dat adres woonde (“Ik woonde toen in een soort hok aan het huis van mijn ouders vast.”) en wist van “de dreigende verkoop van het huis” van zijn ouders (proces-verbaal van comparitie van partijen in hoger beroep).

3.10 Uit het vorenstaande blijkt dat [appellant] reeds op 7 juni 2006 wist, dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen (i) dat zijn aanname dat het om een gewonnen geldprijs ging, onjuist was en (ii) dat het bedrag afkomstig was van de executieveiling van het huis van zijn ouders.

3.11 Naar het oordeel van het hof diende [appellant] redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave rekening te houden in de zin van art. 6:204 lid 1 BW. Uit de door [appellant] overgelegde uitdraai kon [appellant] binnen 24 uur na ontvangst van het bedrag van € 54.467,65 (bij zijn overboeking van € 40.000,-) zien en behoorde hij redelijkerwijs te begrijpen dat dit bedrag niet een door hem gewonnen geldprijs betrof, maar verband hield met de opbrengst van de executieveiling van het huis van zijn ouders.

3.12 Ten aanzien van het in de eerste 24 uur na ontvangst door [appellant] bestede bedrag van in totaal € 500,- geldt eveneens dat [appellant] redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave rekening diende te houden. Van [appellant] mocht worden verwacht dat hij – ook al speelde hij destijds mee in een prijzenfestival waarbij geldprijzen al dan niet via een notaris werden uitbetaald – naging of deze veronderstelling juist was, alvorens over te gaan tot besteding van enig bedrag. Zeker nu het ging om de ontvangst van een groot bedrag, hetgeen [appellant] moet hebben begrepen nu hij onverwacht veel kon opnemen. [appellant] had door middel van raadpleging van zijn rekening op internet naar de herkomst van het geldbedrag op zeer eenvoudige wijze onderzoek kunnen doen en dan zou hem aldus onmiddellijk van de onjuistheid van zijn veronderstelling zijn gebleken.

3.13 Een andere vraag is of [appellant] op grond van art. 6:207 BW mogelijk niet is gehouden tot terugbetaling van het gevorderde restantbedrag. Volgens art. 6:207 BW heeft de ontvanger, tenzij hij het goed te kwader trouw heeft aangenomen, binnen de grenzen van de redelijkheid ook recht heeft op vergoeding van onder meer uitgaven in de in art. 6:204 lid 1 BW bedoelde periode die zouden zijn uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen. In de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6, p. 814) is daarover het volgende opgemerkt:

“Op verschillende wijzen kan de ontvanger van een zonder rechtsgrond gegeven goed schade hebben geleden of uitgaven hebben gedaan die in zodanig verband staan met de ontvangst van het goed, dat die schade of die uitgaven zouden zijn uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen. (…) Ook kan het ontvangen van het goed, hetzij dit in een geldsom bestond, dan wel een goed van andere aard was, de ontvanger ertoe hebben gebracht uitgaven te doen die niet op het ontvangen goed zelf betrekking hebben, maar die hij zich toch niet zou hebben gepermitteerd als de ontvangst niet had plaatsgevonden. Het kan billijk zijn dat aan de ontvanger van wie teruggave van het goed wordt gevorderd en die erin slaagt het verband tussen de ontvangst van de betaling en de schade of de uitgaven aan te tonen, een vergoeding voor dergelijke schade en uitgaven wordt toegekend. Voor de vraag of en in hoeverre dit het geval is, kan van belang zijn bij welke van beide partijen de oorzaak van het plaatsvinden van de onverschuldigde betaling is te zoeken en of de ontvanger, toen hij de uitgaven deed, zich van zijn verplichting tot teruggave bewust was of zich althans daarvan bewust had behoren te zijn.”

De in art. 6:204 lid 1 BW bedoelde periode betreft die waarin de ontvanger redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde te houden. Art. 6:207 is ingevolge art. 6:210 lid 1 BW ook van toepassing ingeval het onverschuldigd betaalde bestaat uit een geldsom (vgl. HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 322).

3.14 Gesteld noch gebleken is dat [appellant] op het moment dat het bedrag op zijn rekening werd gestort reeds te kwader trouw was, zodat de uitzondering van art. 6:207 BW niet van toepassing is.

Art. 6:207 BW verwijst naar de hiervoor besproken periode van art. 6:204 lid 1 BW, zodat ook hier geldt dat [appellant] vanaf het moment dat hij de dag na ontvangst € 40.000,- overboekte op een andere rekening, redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave van het ontvangen geldbedrag rekening moest houden.

Uitsluitend is nog van belang of [appellant] recht heeft op vergoeding van het door hem op 6 juni 2006 uitgegeven bedrag van € 500,-. Het hof is van oordeel dat deze besteding van [appellant] niet leidt tot een binnen de grenzen van de redelijkheid vallend vergoedingsrecht in de zin van art. 6:207 BW. Uit de verklaringen van [appellant] bij de comparities van partijen in eerste aanleg en hoger beroep blijkt dat [appellant] het op 6 juni 2006 opgenomen bedrag diezelfde avond tijdens het uitgaan heeft besteed:

“Ik ben het gaan vieren met wat vrienden.” en “Toen heb ik gefeest in [plaatsnaam].”

Aldus heeft [appellant] dit bedrag van € 500,- volledig ten eigen bate besteed, terwijl anderzijds de betaling door [geïntimeerde] te wijten is aan een vergissing van mr. [B.], als notaris werkzaam bij [geïntimeerde], doordat zij bij de afwikkeling van de openbare verkoop van de woning het rekeningnummer van [appellant] aanzag voor het rekeningnummer van [A.] (verklaring mr. [B.] bij de comparitie van partijen in eerste aanleg). Art. 6:207 BW strekt er niet toe om onder de omstandigheden van dit geval een ontvanger via deze bepaling ten laste van degene die onverschuldigd heeft betaald een ongerechtvaardigd voordeel in de schoot te werpen. Het hof verwijst in dit verband tevens naar hetgeen over deze uitgaven hiervoor is overwogen in 3.12.

3.15 [appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij te goeder trouw was, onder meer door het horen van [C.].

Het hof passeert dit bewijsaanbod. Ook indien [appellant] aanvankelijk daadwerkelijk heeft gedacht een prijs te hebben gewonnen, is dat niet van belang. Hij had, zoals hiervoor is overwogen, beter kunnen en moeten weten. [appellant] heeft ook aangeboden bankafschriften over te leggen om zijn bestedingen aan te tonen. Naar het oordeel van het hof is dit niet van belang. Van de opgenomen € 500,- heeft hij gefeest, zoals hijzelf heeft aangegeven, en zijn verdere bestedingen heeft hij gedaan ná raadpleging van zijn bankrekening op internet. In dat licht bezien zijn de bestedingsdoeleinden niet van belang. Bewijslevering kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde].

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 18 april 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.316,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 940,-- voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, R.A. Dozy en R.J.J. van Acht en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2009.