Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5762

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
VI 03/07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling.

Het hof is van oordeel dat thans voldoende is komen vast te staan dat verdachte zich aan de strafbare feiten, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, heeft schuldig gemaakt en dat die feiten zeer ernstige misdragingen vormen in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is van oordeel, dat de aard van de feiten rechtvaardigt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde voor een deel achterwege blijft. Het hof zal daarom de vordering van de officier van justitie deels toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VI-nummer: 03/07

Uitspraak: 11 maart 2009

Gerechtshof te Arnhem

Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.

Het hof heeft te beslissen op de op 15 mei 2007 ingekomen vordering van de officier van justitie te ‘s-Hertogenbosch van 4 mei 2007, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:

[VEROORDEELDE],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 25 februari 2009 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr H.H.M. van Dijk advocaat te Den Bosch, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling geheel toe te wijzen.

Overwegingen

De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 9 mei 2003 en 27 oktober 2004 van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk drie en acht jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.

Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht en wel door zich wederom schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten, welke delicten zijn aan te merken als zeer ernstige misdragingen. Veroordeelde werd er van verdacht zich na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straffen schuldig te hebben gemaakt aan het uitlokken van wederrechtelijke vrijheidsberoving, zware mishandeling, mishandeling, afpersing en bedreiging.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.

Veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 23 december 2008 veroordeeld voor poging tot afpersing, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd, bedreiging met zware mishandeling, mishandeling en mishandeling tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van veroordeelde heeft primair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden tot het cassatieberoep bij de Hoge Raad is behandeld. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat eerder niet onherroepelijk vaststaat dat zijn cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige misdragingen als in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair heeft de raadsman van veroordeelde aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie tot het geheel achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling dient te worden afgewezen, omdat het juridische debat over het feit dat er al dan niet sprake is van nieuwe strafbare feiten nog niet is afgelopen.

Het hof is van oordeel dat thans voldoende is komen vast te staan dat verdachte zich aan de voornoemde feiten, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, heeft schuldig gemaakt en dat die feiten zeer ernstige misdragingen vormen in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is voorts van oordeel, dat de aard van de feiten rechtvaardigt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde voor een deel achterwege blijft. Het hof zal daarom de vordering van de officier van justitie deels toewijzen.

Het hof heeft voorts, bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting.

Toegepaste wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

- wijst af het verzoek van de raadsman van veroordeelde tot schorsing van de behandeling van de zaak;

- wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde zal worden uitgesteld, in dier voege dat de vervroegde invrijheidstelling pas zal plaatsvinden twee jaren na het tijdstip waarop die ten vroegste zou kunnen worden bevolen.

Aldus gewezen door:

mr H.G.W. Stikkelbroeck, voorzitter

mrs F.J.H. van der Loeff en P.H.A.J. Cremers, raadsheren

in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen, griffier

en op 11 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Rutgers van der Loeff is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.