Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5748

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
104.008.050
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 820 lid 1 en lid 2 Rv; art 358 lid 2 Rv; niet verschijnen in eerste aanleg als bedoeld in art 820 lid 1 Rv; berusting in echtscheiding betekent dat die echtscheiding niet langer in geschil is tussen partijen en dit brengt mee dat niet de in art 820 lid 1 Rv bepaalde appeltermijn maar de in art 358 lid 1 Rv bepaalde appeltermijn van toepassing is voor het beroep tegen nevenvoorzieningen in de echtscheidingsbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.008.050

beschikking van de familiekamer van 3 februari 2009

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen "de man”,

advocaat: mr. K. Maathuis te Oosterbeek,

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. S. van Oers te Groesbeek.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2007, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 148940 / ES RK 06-927.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 2007, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw zal betalen € 520,- per maand en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw zal betalen € 370,- per maand, en opnieuw beschikkende de inleidende vorderingen van de vrouw met betrekking tot de uitkering ten behoeve van haar levensonderhoud af te wijzen en de uitkering voor de opvoeding en het levensonderhoud van de minderjarige kinderen van partijen af te wijzen voor zover deze uitkering een bedrag van € 211,- per maand te boven gaat, althans de bijdragen te bepalen die het hof juist acht en voorts tussen de man en de kinderen een omgangsregeling te treffen aldus, dat de kinderen de man eens in de veertien dagen kunnen bezoeken en wel van vrijdagavond tot de daarop volgende zondagavond, en daarbij te bepalen dat de kinderen de helft van alle vakanties bij de man kunnen doorbrengen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 september 2008, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) primair de man in dat verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair die verzoeken af te wijzen met uitzondering van het verzoek tot een omgangsregeling voor zover het de weekenden betreft en de helft van schoolvakanties die minimaal 2 weken duren.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2008 plaatsgevonden. De man, noch de advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 13 september 1996 met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 april 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1997 en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2001,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank voorts voor zover hier van belang bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 520,- per maand en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 370,- per maand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Allereerst is aan de orde de vraag of de man tijdig beroep heeft ingesteld, zoals de man stelt en de vrouw betwist. Artikel 358 lid 2 Rv bepaalt dat hoger beroep door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet worden ingesteld binnen drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak en door de andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 820 lid 1 Rv bepaalt dat in afwijking van artikel 358 lid 2 Rv een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding is toegewezen, hoger beroep kan instellen binnen drie maanden na betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt.

4.2 De vrouw heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep.

4.3 De man heeft zijn beroepschrift aangeduid als een “verzoekschrift ex art. 820 Rv” In zijn beroepschrift stelt de man dat hij in de procedure in eerste aanleg niet is verschenen, alsmede dat de beschikking van de rechtbank van 15 maart 2007 aan hem bij deurwaarders-exploot van 13 september 2007, niet in persoon, is betekend. Kennelijk wil de man betogen dat de beschikking van de rechtbank niet aan hem is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 820 leden 1 en 2 Rv, zodat op 13 december 2007, de datum waarop zijn beroepschrift bij het hof is binnengekomen, de appèltermijn nog niet was verstreken en hij mitsdien in zijn hoger beroep ontvankelijk is.

4.4. De vrouw bestrijdt dat de man in de procedure in eerste aanleg “niet is verschenen” als bedoeld in artikel 820 lid 1 Rv. De vrouw voert aan dat de man zich bij brief van zijn advocaat aan de rechtbank van 17 januari 2007, in welke brief is verzocht om een nadere termijn van vier weken voor het indienen van een verweerschrift en welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd, in de procedure in eerste aanleg heeft gesteld. Gelet op het feit dat de man in eerste aanleg geen verweerschrift heeft ingediend en de man – nu geen mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden – evenmin ter zitting is verschenen, moet naar ’s hofs oordeel worden aangenomen dat de man “niet is verschenen” als bedoeld in vermeld artikellid.

4.5 Voor de verdere beslissing is tevens relevant dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de man op 22 maart 2007 een akte van berusting heeft getekend, waarin onder meer is te lezen a) dat de man verklaart bekend te zijn met en te berusten in de bewuste beschikking van 15 maart 2007, waarbij de rechtbank tussen partijen de echtscheiding heeft uitgesproken, b) dat de verklaring van de man nadrukkelijk is beperkt tot de tussen partijen uitgesproken echtscheiding , en c) dat de advocaat van de man, die de akte van berusting mede heeft ondertekend, daarin verklaart dat de op die verklaring geplaatste handtekening afkomstig is van de man en in zijn aanwezigheid is gezet. Bovendien heeft de advocaat van de vrouw ter mondelinge behandeling bij dit hof onweersproken geciteerd uit een brief van de advocaat van de man van 21 maart 2007, waarin wordt aangegeven dat de man voornemens is hoger beroep in te stellen van de in de bestreden beschikking vastgestelde onderhoudsbijdragen. De man was derhalve in ieder geval op 21/22 maart 2007 bekend met de inhoud van die beschikking.

4.6 Naar ’s hofs oordeel dient artikel 820 lid 1 Rv naar inhoud, strekking en ratio zo te worden verstaan, dat de in dit artikellid, in afwijking van het bepaalde van artikel 358 lid 2 Rv, gegeven bijzondere appèltermijn uitsluitend ziet op de situatie, dat “ een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed” is toegewezen, en dus niet ook op de situatie, zoals in casu, waarin, kort gezegd, de in eerste aanleg uitgesproken echtscheiding in hoger beroep, als gevolg van een uitdrukkelijke berusting van de man in die echtscheiding, niet langer tussen partijen in geschil is. Dit brengt mee dat in dit laatste geval niet artikel 820 lid 1 Rv, maar artikel 358 lid 2 Rv, de toe te passen appèltermijn geeft, te weten in casu drie maanden nadat de beschikking aan de man op andere wijze (dan betekening) bekend is geworden, en dat was in ieder geval op 21/22 maart 2007. Het beroepschrift van de man is op 13 december 2007 bij dit hof binnengekomen, mitsdien niet binnen de appèltermijn, zodat de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, G.J. Rijken en M.J. van Zutphen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 3 februari 2009 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.