Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5409

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
24-000168-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van mishandeling en bedreiging veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000168-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-600466-07

Arrest van 10 maart 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.A. Wilman, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren voorwaardelijk, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 februari 2007 in de gemeente[gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [verbalisant], adspirant agent van politie), (met kracht) in het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of op/tegen het linkerbeen, in ieder geval op/tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 24 februari 2007 in de gemeente [gemeente] [verbalisant], adspirant agent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte wordt - zakelijk weergegeven - verweten dat hij [verbalisant] heeft mishandeld en bedreigd.

Uit een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door aangever [verbalisant] is gebleken dat verdachte aangever in het gezicht heeft geslagen en tegen zijn bovenbeen heeft getrapt. Voorts is gebleken dat verdachte hem mondeling heeft bedreigd met de dood. Ter zitting van het hof heeft verdachte ontkend dat hij de aangever heeft mishandeld en bedreigd.

Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de verweten gedragingen dronken was. Het hof ziet hierin aanleiding voorbij te gaan aan de ontkenning van verdachte.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 aan verdachte is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 februari 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [verbalisant], adspirant agent van politie), met kracht in het gezicht heeft geslagen en tegen het linkerbeen heeft getrapt waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 24 februari 2007 in de gemeente [gemeente] [verbalisant], adspirant agent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood."

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1: mishandeling;

onder 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 24 februari 2007 schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Op die dag is er een ruzie ontstaan tussen verdachte en een familielid in een perceel gelegen aan de [straat] te [gemeente]. Op dat moment bevond de aangever zich in een belendend perceel. Naar aanleiding van het geschreeuw en gestommel in de aangrenzende woning heeft aangever poolshoogte genomen, met het doel zonodig te bemiddelen in de ruzie. Verdachte heeft echter de goede bedoeling van de aangever op agressieve wijze in de kiem gesmoord door hem te slaan en te trappen, alsmede door hem mondeling met de dood te bedreigen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 25 november 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op het vorengaande, in onderling verband en samenhang bezien, is oplegging van een werkstraf, zoals door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, een passende bestraffing. Mede met het doel om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen, zal het hof een deel van deze werkstraf voorwaardelijk opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 57 (oud), 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Wemes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.