Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5254

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
24-000799-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de in het voornoemde proces-verbaal geschetste gang van zaken, is het hof van oordeel dat de verbalisanten op onjuiste grond gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid tot aanhouding van verdachte op grond van de Wet op de identificatieplicht door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn identiteitsbewijs uit de woning te halen, welke woning hij op het punt stond te betreden. Nu voorts uit het proces-verbaal niet is gebleken dat de verbalisanten verdachte op heterdaad hadden betrapt op het plegen van enig ander strafbaar feit, kan niet bewezen worden dat de verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zodat verdachte van de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000799-07

Parketnummers eerste aanleg: 07-603326-06, 07-061632-03 (Tul) en 07-602101-06 (Tul)

Arrest van 9 maart 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 februari 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en beslist op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen en de vorderingen tot tenuitvoerlegging van één respectievelijk twee weken gevangenisstraf zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 november 2006 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een (badkamer)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) door en/of tegen genoemde deur te schoppen/trappen en/of te stompen/slaan;

2.

hij op of omstreeks 20 november 2006 in de gemeente [gemeente] opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant], brigadier van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid in (de richting van) het gezicht van die [verbalisant] heeft gespuugd, althans handelingen van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 20 november 2006 in de gemeente [gemeente], toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) vastgegrepen, althans vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde en van de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd onder 2

Uit het proces-verbaal van bevindingen met het nummer [nummer] blijkt dat de verbalisanten op zoek waren naar een 'lastige ex' die voor de deur van de woning aan de [adres] in [plaats] zou staan. De desbetreffende persoon troffen zij niet onmiddellijk aan, maar kort daarop zagen ze een man komen aanlopen die in de richting van de woning liep. De man voldeed in grote lijnen aan het aan de verbalisanten verstrekte signalement. Toen zij de man aanspraken, reageerde de man geïrriteerd. Eén van de verbalisanten vroeg de man naar zijn identiteitsbewijs. De man heeft aangegeven dat dat niet nodig was, omdat hij immers thuis was en de identiteitspapieren in de woning lagen. Daarop vroegen de verbalisanten de man naar zijn naam. De man antwoordde zo snel dat beide verbalisanten hem niet konden verstaan. Daarbij maakte de man ('verdachte' volgens de verbalisanten) aanstalten om het portiek binnen te gaan: zij zagen dat hij de sleutel in het slot stak. Verbalisanten hebben verdachte toen meegedeeld dat hij was aangehouden op grond van de Wet op de Identificatieplicht. Verdachte heeft zich vervolgens verzet tegen zijn aanhouding, hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en heeft één van de verbalisanten kort daarop - toen ze hem in het dienstvoertuig wilden laten plaatsnemen - in zijn gezicht gespuugd, hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd.

Gelet op de in het voornoemde proces-verbaal geschetste gang van zaken, is het hof van oordeel dat de verbalisanten op onjuiste grond gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid tot aanhouding van verdachte op grond van de Wet op de identificatieplicht door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn identiteitsbewijs uit de woning te halen, welke woning hij op het punt stond te betreden. Nu voorts uit het proces-verbaal niet is gebleken dat de verbalisanten verdachte op heterdaad hadden betrapt op het plegen van enig ander strafbaar feit, kan niet bewezen worden dat de verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zodat verdachte van de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid dient te worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande dient verdachte tevens te worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 267, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht, zoals ten laste gelegd onder 2.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 19 november 2006 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een badkamerdeur, toebehorende aan [benadeelde 2], heeft vernield door meermalen tegen genoemde deur te trappen.

2.

op 20 november 2006 in de gemeente [gemeente] opzettelijk beledigend [verbalisant] in het gezicht heeft gespuugd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 2: eenvoudige belediging.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 19 november 2006 te [plaats] schuldig gemaakt aan vernieling van een badkamerdeur in de huurwoning van zijn ex-partner. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de rechthebbende. Daarnaast heeft verdachte zich op 20 november 2006 schuldig gemaakt aan belediging van

[verbalisant] door hem in het gezicht te spugen. Verdachte heeft hierdoor [verbalisant] persoonlijke integriteit aangetast.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 december 2008 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een werkstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals in eerste aanleg is opgelegd. Het hof is echter van oordeel dat - gelet op de ernst van de feiten en de recidive door verdachte - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [verbalisant] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering tot schadevergoeding van € 150,- in eerste aanleg geheel is toegewezen. [verbalisant] heeft in hoger beroep zijn vordering tot schadevergoeding gehandhaafd. De voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding duurt in het geding in hoger beroep voort.

Verdachte heeft de vordering tot schadevergoeding niet betwist. Derhalve kan deze worden toegewezen, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Tevens zal voormeld bedrag worden toegewezen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 07-061632-03 en 07-602101-06)

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 4 juni 2004 (parketnummer 07-061632-03) is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voormeld vonnis is op 7 februari 2006 onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 7 februari 2006. De officier van justitie heeft op 15 januari 2007 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 31 maart 2006 (parketnummer 07-602101-06) is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voormeld vonnis is op 15 april 2006 onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 15 april 2006. De officier van justitie heeft op 15 januari 2007 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Nu de hierboven bewezen verklaarde feiten zijn begaan voor het einde van de proeftijd, zal het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding de opgelegde gevangenisstraffen om te zetten in werkstraffen, zoals door de raadsvrouw is verzocht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f (oud), 57 (oud), 63 (oud), 266 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één week;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [verbalisant], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van honderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 4 juni 2004 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van één week;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 31 maart 2006 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Lolkema voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.