Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5054

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
07/00348 tot en met 07/00354
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BL6568, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BL6568
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting en BPM.

Aanslagen voor taxi met kilometertelleronderbreker zijn terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

Nummers 07/00348 tot en met 07/00354

Uitspraakdatum: 18 februari 2009

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 31 mei 2007, nummers AWB 06/2565, 06/2566, 06/2653,06/2655, 06/2656, 06/2657 en 06/2658 in de gedingen tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd over het tijdvak van 13 oktober 1997 tot en met 12 oktober 2000 ten bedrage van € 6.306. Het biljet waarmee deze naheffingsaanslag is kenbaar gemaakt aan belanghebbende vermeldt tevens een beschikking vergrijpboete van € 3.153.

1.2. Belanghebbende heeft zowel tegen de naheffingsaanslag als de boetebeschikking bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de opgelegde vergrijpboete verminderd tot € 1.576.

1.3. Daartegen is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij haar uitspraken van 31 mei 2007 het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard, het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 945.

IB/PV, WAZ en ZFW

Het jaar 1998

1.4. Aan belanghebbende zijn een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) en een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) voor het jaar 1998 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.839 en een premie-inkomen WAZ van ƒ 39.046. De biljetten waarmee deze navorderingsaanslagen zijn kenbaar gemaakt aan belanghebbende vermelden tevens beschikkingen vergrijpboete van respectievelijk ƒ 2.220 en ƒ 396.

1.5. Belanghebbende heeft zowel tegen de navorderingsaanslagen als de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen gehandhaafd en de opgelegde vergrijpboetes verminderd tot ƒ 1.110 en ƒ 198.

1.6. Daartegen is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij haar uitspraken van 31 mei 2007 de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ongegrond verklaard, de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen vernietigd en de boetes betreffende de IB/PV en WAZ verminderd tot respectievelijk € 302 (ƒ 666) en € 53 (ƒ 118).

Het jaar 1999

1.7. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag premie WAZ voor het jaar 1999 opgelegd, berekend naar een premie-inkomen WAZ van ƒ 38.620. Het biljet waarmee deze navorderingsaanslag is kenbaar gemaakt aan belanghebbende vermeldt tevens een beschikking vergrijpboete van ƒ 405.

1.8. Belanghebbende heeft zowel tegen de navorderingsaanslag als de boetebeschikking bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd en de opgelegde vergrijpboete verminderd tot ƒ 202.

1.9. Daartegen is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij haar uitspraken van 31 mei 2007 het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond verklaard, het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 55

(ƒ 121).

Het jaar 2000

1.10. Aan belanghebbende zijn een navorderingsaanslag IB/PV, een navorderingsaanslag premie WAZ en een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet (hierna: ZFW) voor het jaar 2000 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 23.645, een premie-inkomen WAZ van ƒ 41.365 en een premie-inkomen ZFW van ƒ 23.645. De biljetten waarmee deze navorderingsaanslagen zijn kenbaar gemaakt aan belanghebbende vermelden tevens beschikkingen vergrijpboete van respectievelijk ƒ 1.834, ƒ 432 en ƒ 397.

1.11. Belanghebbende heeft zowel tegen de navorderingsaanslagen als de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PV en WAZ gehandhaafd en de opgelegde vergrijpboetes verminderd tot ƒ 917 en ƒ 216. Bij afzonderlijke uitspraak op bezwaar van 24 maart 2006 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag ZFW gehandhaafd en de opgelegde vergrijpboete verminderd tot ƒ 198.

1.12. Daartegen is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij haar uitspraken van 31 mei 2007 de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ongegrond verklaard, de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen vernietigd en de boetes betreffende de IB/PV, WAZ en ZFW verminderd tot respectievelijk € 249 (ƒ 550) en € 58 (ƒ 129) en € 53

(ƒ 118).

1.13. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend, de Inspecteur een verweerschrift. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen een nader stuk ingediend, dat de griffier van het Hof over en weer heeft doorgezonden.

1.14. Het onderzoek ter zitting voor het Hof is gehouden te Arnhem op 18 september 2008. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s wordt als hier ingelast aangemerkt. Gelijktijdig met de pleitnota heeft de gemachtigde van belanghebbende, zonder bezwaar van de wederpartij, aan het Hof en de wederpartij bijlagen overgelegd, welke tot de stukken van het geding worden gerekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende was in de jaren 1997, 1998 1999 en 2000 werkzaam als taxichauffeur. Zijn werkzaamheden verrichtte hij in het verband van een vennootschap onder firma, waarvan hij één van de vennoten was. Binnen deze taxionderneming maakte belanghebbende in de tijdvakken van naheffing en navordering gebruik van een personenauto van het merk a en voorzien van het kenteken AA-BB-00 (hierna: het voertuig). Het voertuig werd gebruikt voor het tegen betaling vervoeren van personen als bedoeld in de Wet personenvervoer, en droeg vergunningnummer 01. Belanghebbende was kentekenhouder van dit voertuig.

2.2. Op de voet van artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM is aan belanghebbende, op zijn aanvraag, voor het voertuig een teruggaaf van de BPM verleend.

2.3. In 2003 is bij belanghebbende een controle ingesteld ter beoordeling van onder meer de juistheid van de aan hem voor het voertuig verleende teruggaaf van BPM. Tevens is bij dit onderzoek gekeken naar de directe gevolgen voor de heffing van IB/PV, OB, WAZ en ZFW op het punt van het aan te geven privégebruik auto voor het geval de verzoeken om teruggaven BPM ten onrechte zouden zijn gedaan. Het rapport met daarin de uitkomsten van deze controle behoort tot de stukken van het geding.

2.4. Belanghebbende heeft zijn kilometeradministratie gevoerd op basis van de door hem ingevulde rittenkaarten waarop de omzet en de afstand van de diverse tijdens een dienst verreden ritten is vermeld. De rittenkaarten zijn ingevuld aan de hand van de aanwezige taxameter, die steeds na afloop van de dienst handmatig op nul werd gezet.

2.5. Belanghebbende heeft op 20 juli 1998 het voertuig naar het inbouw-reparatiebedrijf A te Q gebracht, omdat – naar hij ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard – “door een breuk in de kabel het daklicht van zijn taxi kapot was”. Op de overgelegde rittenkaart van die datum zijn na de vermelding “A daklicht kapot (draadbreuk) Service” voor het overige geen ritten vermeld.

2.6. In de door de Inspecteur overgelegde kopieën van op 25 juni 2001 en 29 augustus 2001 opgemaakte processen-verbaal (bijlage 14 bij het in beroep ingediende verweerschrift), waarin diverse verklaringen zijn opgenomen van medewerkers die bij A hebben gewerkt is onder meer verklaard:

“U toont mij thans een in beslag genomen agenda(…). Ik herken deze agenda als zijnde de agenda van de zaak, welke betrekking heeft op het jaar 2000. Deze agenda werd gebruikt om de afspraken voor de inbouw en reparaties te noteren. (…) Om afspraken te noteren voor het inbouwen van een onderbreker werd in het begin gebruik gemaakt van een gele stift, later van de term diversen.”

“U toont mij nu een agenda (…). Ik herken deze agenda als onze agenda van de zaak. Hij heeft betrekking op het jaar 1999. In deze agenda werden de afspraken genoteerd voor de werkplaats, welke betrekking hadden op het inbouwen van allerlei apparatuur in taxi’s. Ook de onderbrekers werden hierin genoteerd”.

“Omdat wij wisten dat het gebruik van kilometeronderbrekers illegaal was, konden we er ook geen factuur voor uitschrijven.”

2.7. Met behulp van een kilometeronderbreker (kto) kunnen aanvankelijk met de kilometerteller van de taxi geregistreerde kilometers achteraf worden verwijderd. Een van de medewerkers die de kto’s inbouwde hield hiervan aantekeningen bij in een schrift. Terzake van deze aantekeningen heeft deze medewerker op 6 december 2000 verklaard:

“De datum is de datum waarop ik de kilometeronderbreker heb ingebouwd. Het drie- of vier-cijferige getal betreft het taxinummer. Vervolgens heb ik het merk of het type auto genoteerd. De aantekening “tijd 2” geeft een bepaalde schakeling aan. Het geeft niets aan omtrent de tijdsduur van het inbouwen. De tijdsduur voor het inbouwen is ongeveer 3 uur, maar dat is per auto toch verschillend.”

2.8. In het schrift van de medewerker van A (bijlage A11 bij het in beroep ingediende verweerschrift) is de volgende aantekening gevonden:

“(…)

20/7/98 01 a tijd 3

(…)”.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur belanghebbende terecht een naheffingsaanslag in de BPM over het tijdvak 13 oktober 1997 tot en met 12 oktober 2000 alsmede een vergrijpboete heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende het voertuig geheel of nagenoeg geheel heeft gebruikt voor taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

Voorts is in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht de onder 1 vermelde navorderingsaanslagen en vergrijpboeten heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende het voertuig in de jaren 1998, 1999 en 2000 minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. De berekening van het nageheven en de nagevorderde bedrag(en) is in zoverre niet in geschil.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur en verzoekt de naheffingsaanslag en de navorderingsaanslagen te vernietigen, alsmede de boetebeschikkingen te vernietigen dan wel verder te verminderen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de naheffingsaanslag BPM

4.1. Volgens de in het onderhavige tijdvak geldende tekst van artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag teruggaaf van belasting verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten. De aanspraak op teruggaaf ontstaat ingevolge het tweede lid van dit artikel telkens voor een derde gedeelte nadat een, twee, en drie jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de personenauto, overeenkomstig de vergunning dan wel het vergunningbewijs, voor openbaar vervoer of taxivervoer in gebruik is genomen. De teruggaaf wordt ingevolge het vierde lid verleend aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

4.2. Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Met geheel of nagenoeg geheel wordt bedoeld 90% of meer.

4.3. Gelet op de systematiek van de wet, waarbij belastbaarheid de hoofdregel is en teruggaaf de uitzondering, rust in dezen op belanghebbende de last aannemelijk te maken dat het voertuig in het tijdvak van naheffing geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor taxivervoer in vorenbedoelde zin (vergelijk Hoge Raad 29 november 2000, nr. 35.862, onder andere gepubliceerd in BNB 2001/40).

4.4. De Inspecteur stelt dat de kilometeradministratie van belanghebbende onder meer door de aanwezigheid van een kto in het voertuig ondeugdelijk en materieel onbetrouwbaar is. De bewijslast van de aanwezigheid van een kto rust op de Inspecteur. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, wordt van de Inspecteur niet verlangd het overtuigende bewijs in strafrechtelijke zin te leveren. Hij kan volstaan met het aannemelijk maken van zijn stelling. Volgens de in het belastingrecht geldende vrije bewijsleer is de Inspecteur voorts vrij in de keuze van zijn bewijsmiddelen.

4.5. Belanghebbende stelt dat garage A op 20 juli 1998 het defecte daklicht van het voertuig heeft gerepareerd. Hij betwist dat A op die datum een kto in het voertuig heeft ingebouwd.

4.6. In dezen staat vast dat:

- A zich bezig hield met de inbouw van zowel taxameters als kto’s;

- een van de medewerkers van A die de kto’s inbouwde hiervan aantekeningen bijhield in een schrift.

4.7. Gelet op het feit dat belanghebbende op 20 juli 1998 het voertuig naar A heeft gebracht, de onder 2.8. vermelde aantekeningen in het schrift van de medewerker van A ter zake van de aan belanghebbendes voertuig met vergunningnummer 01 verrichte werkzaamheden op 20 juli 1998, alsmede de in 2.6. en 2.7. opgenomen verklaringen, acht het Hof het aannemelijk dat op die datum in het voertuig van belanghebbende een kto is ingebouwd. Belanghebbende stelt dat de afwezigheid van een afspraak met belanghebbende in het afsprakenboek en de verklaring van de in 2.6. bedoelde medewerker dat er in de witte map ook aantekeningen zitten over door hem ingebouwde taxameters, tot gevolg heeft dat niet de conclusie kan worden getrokken dat in casu een kto is ingebouwd. Het Hof verwerpt deze stelling. Onaannemelijk is als de medewerker van A een taxameter zou hebben ingebouwd hij, gezien ook de verklaring zoals opgenomen onder 2.6. en 2.7. een specifiek voor het inbouwen van een kto gebruikte aanduiding zou gebruiken. Het feit dat geen afspraak met belanghebbende in het afsprakenboek is opgenomen, doet aan dit oordeel niet af. Bovendien is deze stelling in strijd met belanghebbendes stelling dat op deze datum slechts het daklicht is gerepareerd. Niet gesteld of gebleken is dat de kto nadien uit de auto is verwijderd. In het midden kan blijven of de kto in het onderhavige tijdvak is gebruikt. De kto bood belanghebbende de mogelijkheid om een deel van de daadwerkelijk met het voertuig gereden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren, zodat aan de registratie door en de tussenstanden van de kilometerteller geen, althans onvoldoende waarde kan worden gehecht als zijnde redelijk objectiveerbare gegevens aan de hand waarvan kan worden bewezen dat het voertuig op jaarbasis inderdaad geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.8. Een onder 2.4 vermelde wijze van administreren aan de hand van een geijkte taxameter is in beginsel voor het terzake van het gebruik als taxi te leveren bewijs aanvaardbaar indien de aldus verreden en op de rittenkaarten genoteerde kilometers aansluiten op de stand van de in de auto aanwezige kilometerteller en voorts deze kilometertellerstand objectief controleerbaar is door aansluiting op door derden vastgelegde kilometerstanden. Nu echter de stand van de aanwezige kilometerteller, zoals hiervoor overwogen, niet, althans onvoldoende betrouwbaar is, kan deze niet dienen ter onderbouwing van de kilometeradministratie. Belanghebbende heeft dan ook met zijn administratie of anderszins geen redelijk objectiveerbare gegevens overgelegd waarmee aannemelijk is gemaakt dat het voertuig op jaarbasis voor tenminste 90% is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PV, WAZ en ZFW

4.9. Ingevolge artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), rust op belanghebbende de bewijslast te doen blijken dat het voertuig in het onderhavige jaar voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

4.10. De Inspecteur stelt dat de kilometeradministratie van belanghebbende onder meer door de aanwezigheid van een kto in het voertuig ondeugdelijk en materieel onbetrouwbaar is. De bewijslast van de aanwezigheid van een kto rust op de Inspecteur.

4.11. Belanghebbende betwist dat een kto in het voertuig is ingebouwd.

4.12. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.4. tot en met 4.8 acht het Hof het aannemelijk dat op 20 juli 1998 in het voertuig van belanghebbende een kto is ingebouwd, als gevolg waarvan de stand van de aanwezige kilometerteller niet, althans onvoldoende betrouwbaar is, zodat deze niet kan dienen ter onderbouwing van de kilometeradministratie. De door belanghebbende gevoerde administratie kan derhalve niet dienen als bewijs dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

Ook anderszins heeft belanghebbende het van hem verlangde bewijs niet geleverd.

4.13. Partijen zijn ter zitting het erover eens geworden dat indien de Inspecteur de naheffingsaanslag in de BPM terecht heeft opgelegd, het bedrag van € 6.306 aan BPM, verspreid over de drie jaren 1998, 1999 en 2000, als kosten in aanmerking kan worden genomen, hetgeen ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PV 1998 en 2000 leidt tot een vermindering van het belastbare inkomen met € 2.102 per jaar. In zoverre zijn die beroepen gegrond.

Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel

4.14. Belanghebbende beroept zich op gevallen waarin de Inspecteur niet beschikte over aanwijzingen, althans over voldoende bewijs dat een kto was ingebouwd. Dat geval doet zich te dezen niet voor. Reeds daarom faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van de boetebeschikkingen

4.15. Wat de boete betreft overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft naar het Hof aannemelijk acht een kto in zijn auto laten inbouwen. Gelet op de kosten daarvan acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de kto ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Nu daarvoor geen andere beweegredenen zijn gesteld of gebleken, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende dat heeft gedaan met het oogmerk belasting te ontduiken, waaronder de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde belasting. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat hij over het tijdvak van 13 oktober 1997 tot en met 12 oktober 2000 ten onrechte BPM heeft terugontvangen en dat de aanslagen IB/PV en WAZ voor het jaar 1998, de aanslag WAZ voor het jaar 1999 en de aanslagen IB/PV, WAZ en ZFW voor het jaar 2000 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Alsdan is in beginsel een boete van 50% gerechtvaardigd. Na bezwaar heeft de Inspecteur de boete gematigd tot 25% en aldus rekening gehouden met het repeterende karakter daarvan in de samenhangende zaken. Het Hof acht de aldus verminderde boete, gelet op de aard van het vergrijp en de hoogte van de nageheven en nagevorderde bedragen, passend en geboden. De Rechtbank heeft de boeten in verband met een overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM verder gematigd tot 40% van het vastgestelde bedrag. Met deze vermindering is naar ’s Hofs oordeel voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

Voor het jaar 1998 moeten het belastbare inkomen en het premie-inkomen WAZ elk met € 2.102, ofwel ƒ 4.632 worden verminderd tot ƒ 16.207 en ƒ 34.414. Voor het jaar 1999 moet het premie-inkomen WAZ met € 2.102, ofwel ƒ 4.632 worden verminderd tot ƒ 33.988. Voor het jaar 2000 moeten het belastbare inkomen, het premie-inkomen WAZ en het premie-inkomen ZFW elk met € 2.102, ofwel ƒ 4.632 worden verminderd tot ƒ 19.013, ƒ 36.733 en ƒ 19.013. De in verband met de desbetreffende navorderingsaanslagen opgelegde boeten moeten dienovereenkomstig worden verminderd.

5. Kosten

Belanghebbendes kosten voor de behandeling van de beroepen inzake de samenhangende zaken bij dit Hof zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 punten (proceshandelingen) maal € 322 maal 1,5 in verband met het gewicht van de zaak, ofwel op € 966.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank betreffende de naheffingsaanslag BPM en de daarbij opgelegde boete;

- vernietigt de uitspraken van de Rechtbank betreffende de onderhavige navorderingsaanslagen en de daarbij opgelegde boeten;

- verklaart de beroepen tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de navorderingsaanslagen en de daarbij opgelegde boeten gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur betreffende de onderhavige navorderingsaanslagen en de daarbij opgelegde boeten;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PV 1998 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 16.207;

- vermindert de navorderingsaanslag premie WAZ 1998 tot een berekend naar een premie-inkomen van ƒ 34.414;

- vermindert de navorderingsaanslag premie WAZ 1999 tot een berekend naar een premie-inkomen van ƒ 33.988;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PV 2000 tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.013;

- vermindert de navorderingsaanslag premie WAZ 2000 tot een berekend naar een premie-inkomen van ƒ 36.733;

- vermindert de navorderingsaanslag premie ZFW 2000 tot een berekend naar een premie-inkomen van ƒ 19.013;

- vermindert de bij de navorderingsaanslagen opgelegde boeten tot 15% van de aldus verminderde navorderingsaanslagen;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 966 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- gelast dat *** aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij dit Hof betaalde griffierecht van € 428.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en

mr. E. Polak, raadsheren, in aanwezigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 18 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.