Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH5050

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
08/00022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Uitlating door medewerker Belastingtelefoon inzake VUT-uitkering wekt geen in rechte te beschermen vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 115
FutD 2009-0513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00022

Uitspraakdatum: 18 februari 2009

Tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 11 januari 2008, nummer AWB 07/2307, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die is berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 29.782.

1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 1 juni 2007 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en is de aanslag gehandhaafd.

1.3. Het beroep tegen deze uitspraak is door de Rechtbank bij uitspraak van 11 januari 2008 nr. AWB 07/2307 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 17 januari 2008, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.5. Per brief van 27 november 2008 heeft belanghebbende aangegeven niet te zullen verschijnen bij de mondelinge behandeling van zijn zaak in hoger beroep op 17 december 2008. De Inspecteur heeft de griffier op 15 december 2008 telefonisch bericht af te zien van mondelinge behandeling van het hoger beroep.

1.6. Het Hof heeft op 17 december 2008, zonder mondelinge behandeling, het onderzoek gesloten.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was tot 1 oktober 2004 werkzaam bij de A-Bank. Vanaf 1 oktober 2004 geniet belanghebbende maandelijks een uitkering wegens vervroegde uittreding (hierna:VUT- uitkeringen).

2.2. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 heeft belanghebbende de VUT-uitkeringen aangegeven als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking.

2.3. In zijn brief van 8 september 2006 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 heeft beoordeeld en hij vermeldt vervolgens:

“Volgens mijn gegevens heeft u tenminste een pensioen of een uitkering ontvangen. Een pensioen of uitkering wordt belast als inkomsten uit vroegere arbeid. In uw aangifte zijn deze inkomsten geheel of gedeeltelijk aangegeven in de rubriek inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Omdat u de inkomsten uit vroegere arbeid in de onjuiste rubriek heeft aangegeven wordt voor dit deel ten onrechte rekening gehouden met de arbeidskorting.

Ik heb de inkomsten uit vroegere arbeid op de juiste plaats in de aangifte ingevuld. Dit heeft geen wijziging van uw totale inkomen uit werk en woning (box 1) tot gevolg. Wel kan deze wijziging gevolgen hebben voor de uiteindelijk verschuldigde belasting.”

Omdat belanghebbende in het jaar 2004 voldoende inkomsten uit tegenwoordige arbeid heeft genoten is er bij het opleggen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 rekening gehouden met de maximale arbeidskorting. Dat de VUT-uitkeringen door de Inspecteur zijn aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft derhalve geen gevolgen gehad voor de hoogte van de toe te kennen arbeidskorting.

2.4. Op 8 februari 2006 dient belanghebbende zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 in. Ook in deze aangifte geeft belanghebbende zijn VUT-uitkeringen aan als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking.

2.5. Met dagtekening 29 april 2006 wordt aan belanghebbende met betrekking tot het jaar 2005 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Aangezien in de aangifte de VUT-uitkeringen als inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden aangegeven, wordt bij deze voorlopige aanslag door de Inspecteur een arbeidskorting ter grootte van € 1.775 verleend.

2.6. In zijn brief van 6 april 2007 schrijft de inspecteur aan belanghebbende dat hij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 heeft beoordeeld en hij vermeldt vervolgens:

“Volgens mijn gegevens heeft u tenminste een pensioen of een uitkering ontvangen. Een pensioen of uitkering wordt belast als inkomsten uit vroegere arbeid. In uw aangifte zijn deze inkomsten geheel of gedeeltelijk aangegeven in de rubriek inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Omdat u de inkomsten uit vroegere arbeid in de onjuiste rubriek heeft aangegeven wordt voor dit deel ten onrechte rekening gehouden met de arbeidskorting.

Ik heb de inkomsten uit vroegere arbeid op de juiste plaats in de aangifte ingevuld. Dit heeft geen wijziging van uw totale inkomen uit werk en woning (box 1) tot gevolg. Wel kan deze wijziging gevolgen hebben voor de uiteindelijk verschuldigde belasting.”

2.7 Bij het opleggen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 heeft de Inspecteur de VUT-uitkeringen aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en als gevolg daarvan geen arbeidskorting verleend.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting ex artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3.2. Belanghebbende stelt dat hij in het jaar 2004 de Belastingdienst/onderdeel “Belastingtelefoon” heeft gebeld met de vraag waar in het aangiftebiljet de VUT-uitkeringen dienen te worden vermeld. De medewerker van de “Belastingtelefoon” heeft volgens belanghebbende geantwoord dat hij deze als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking dient aan te geven. Primair stelt belanghebbende dat er daardoor een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt op grond waarvan de VUT-uitkeringen als inkomsten verkregen uit tegenwoordige dienstbetrekking dienen te worden aangemerkt. Subsidiair is belanghebbende van mening dat zijn beroep op opgewekt vertrouwen dient te worden gehonoreerd omdat bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005 wel rekening is gehouden met de arbeidskorting, terwijl eerder, bij het regelen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004, de Inspecteur er van op de hoogte was dat de VUT-uitkeringen ten onrechte als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking waren aangegeven.

3.3. De Inspecteur stelt dat het beroep op opgewekt vertrouwen niet kan slagen.

3.4. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.5. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep om de VUT-uitkeringen aan te merken als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en de arbeidskorting alsnog te verlenen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 8.11, lid 1 Wet IB 2001 luidt:

“De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit een onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet.”

4.2. Voor de vraag of belanghebbende recht heeft op de door hem bedoelde arbeidskorting ex artikel 8.11 Wet IB 2001 is derhalve van belang of en hoeverre door hem in het jaar 2005 inkomsten zijn genoten die als zodanig kwalificeren.

4.3. Blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over onderhavig jaar heeft belanghebbende geen winst uit onderneming danwel een resultaat uit overige werkzaamheden genoten. Niet in geschil is dat de als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven VUT-uitkeringen niet als zodanig zijn aan te merken zodat er op grond van de wettekst geen recht bestaat op het toekennen van de zogenoemde arbeidskorting.

4.4. Met betrekking tot belanghebbendes grief dat er desondanks recht bestaat op het verlenen van de arbeidskorting omdat er sprake is van een in rechte te honoreren vertrouwen overweegt het Hof als volgt. Voorzover er van uit dient te worden gegaan dat de medewerker van de “Belastingtelefoon” op vragen van belanghebbende heeft geantwoord dat de VUT-uitkeringen als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven dienen te worden, dient dit antwoord aangemerkt te worden als het geven van inlichtingen op een wijze die niet als een toezegging is te kenschetsen.

4.5. Naar het oordeel van het Hof dient de Inspecteur slechts gehouden te worden aan de in 4.4. vermelde uitlatingen van de medewerker van de “Belastingtelefoon” indien belanghebbende de onjuistheid daarvan niet had behoeven te beseffen en tevens niet alleen meer belasting is verschuldigd maar ook schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste inlichting, enige handeling heeft verricht danwel nagelaten. Nu van deze schade niets is gesteld danwel gebleken dient belanghebbendes primaire beroep op het vertrouwensbeginsel te worden verworpen.

4.6. Het Hof vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 1990, nr. 26 325, onder andere gepubliceerd in BNB 1990/148, waarin hij, voorzover van toepassing, als volgt heeft overwogen:

“4.4. Laatstvermeld oordeel wordt door het middel terecht bestreden.

Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende met vrucht een beroep kan doen op uitlatingen als vervat in de onderhavige Toelichting op het aangiftebiljet en geuit in een telefoongesprek met een ambtenaar van de belastingadministratie, dient vooropgesteld te worden dat niet voor elke uitlating van de belastingadministratie, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt ten aanzien van een door de belastingadministratie te volgen wetstoepassing, een juiste toepassing van de wet moet wijken.

Voor het antwoord op de vraag of zulks het geval is, dient het beginsel dat de wet moet worden toegepast te worden afgewogen tegen het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat de administratie verwachtingen honoreert welke zij bij een belastingplichtige ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop die belastingplichtige zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen.

Wanneer het gaat om uitlatingen waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet en om telefonisch ingewonnen inlichtingen bij de belastingadministratie, zoals te dezen, dient aan het beginsel dat de wet moet worden toegepast in zoverre meer gewicht te worden toegekend dan aan voormeld algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat in de regel de belastingadministratie door onjuistheden of onvolledigheden in de voorlichting niet wordt gebonden.

Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten.“

4.7. Belanghebbende stelt subsidiair dat een beroep op opgewekt vertrouwen dient te slagen omdat de Inspecteur, wetende dat in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2004 de VUT-uitkeringen ten onrechte als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn aangegeven, desondanks de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005 vaststelt en daarbij de arbeidskorting verleent.

4.8. Naar het oordeel van het Hof slaagt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Aan het opleggen van een voorlopige aanslag kan, behoudens bijzondere omstandigheden, geen in rechte te honoreren vertrouwen ontleend worden. Gezien het massale proces van automatisch opleggen van voorlopige aanslagen ligt een nader onderzoek of de aard van de aangegeven inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking juist zijn niet voor de hand. Ook niet in het geval, zoals het onderhavige, waarin de Inspecteur wist dat over het jaar 2004 de aangegeven inkomsten uit tegenwoordige arbeid gedeeltelijk zagen op inkomsten uit vroegere arbeid. Nu er in casu ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het hierna in 4.9 aangehaalde arrest leidt het vaststellen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2005 niet tot het oordeel dat belanghebbende in onderhavig jaar recht kan doen gelden op het verlenen van de arbeidskorting.

4.9. Het Hof vindt voor bovenstaand oordeel steun in het hierna aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, nr. 37 463, onder andere gepubliceerd in BNB 2003/188:

“3.3. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel aangevoerde klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

In het algemeen is de inspecteur niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag of een vermindering daarvan. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie derhalve niet voor de hand.

De evenvermelde regel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld.

Voorts is, afgezien van het geval dat een gedragslijn van de inspecteur berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het desbetreffende jaar zou gelden, voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Ook in die situatie hangt de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. Tot die omstandigheden kan behoren de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld (vgl. HR 13 december 1989, nr. 25 077, BNB 1990/119). Met het enkel bij een aangiftebiljet voegen van een specificatie is doorgaans het betrokken punt niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld (vgl. HR 13 januari 1993, nr. 28 935, BNB 1993/100).”

4.10. Het hoger beroep van belanghebbende treft geen doel.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. J.W. Zwemmer, in aanwezigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 18 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 februari 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.