Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH4495

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
200.023.524
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook al is er sprake van een spoedmachtiging/voorlopige machtiging tot gesloten uithuisplaatsing, aan de formele vereisten dient wél voldaan te worden. Indien aan een (of meer) vereisten niet is voldaan, terwijl dit wel mogelijk was, volgt een niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Integraal jeugdbeleid 2013/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 februari 2009

Zaaknummer 200.023.524

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

formeel wonende te [woonplaats appellant],

doch thans verblijvende te [verblijfplaats appellant],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat mr. E. Uijt de boogaardt, kantoorhoudende te Emmeloord,

tegen

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

hierna te noemen: LJ&R,

advocaat mr. W.H. van Wijk.

Belanghebbenden:

1. [de vader],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de vader,

2. [de moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

hierna te noemen: de moeder,

niet verschenen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 15 januari 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, (hierna ook: de kinderrechter) aan LJ&R een machtiging verleend om de minderjarige [appellant], geboren te [geboorteplaats] [in] 1993, met ingang van 15 januari 2009 uit huis te plaatsen in een voorziening voor gesloten jeugdzorg voor de termijn van vier weken.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 januari 2009, heeft [appellant] verzocht de beschikking van 15 januari 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van LJ&R af te wijzen, kosten rechtens.

Van de zijde van LJ&R is, mede gelet op de korte termijn, geen schriftelijk verweer ingekomen. De LJ&R heeft ter zitting van het hof mondeling verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 2 februari 2008 met bijlage, van mr. Uijt de boogaardt, alsmede van het faxbericht, met bijlage, van mr. Van Wijk van 3 februari 2009.

Ter zitting van 4 februari 2009 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellant] en zijn advocaat, de heer [gemachtigde] namens LJ&R alsmede haar advocaat en de heer Schipper namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Friesland en Flevoland, locatie Leeuwarden (hierna: de raad).

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Het gezag over [appellant] berust bij de moeder.

2. De ondertoezichtstelling van [appellant] is laatstelijk, bij beschikking van de kinderrechter van 11 november 2008, verlengd voor de duur van één jaar, met ingang van 13 november 2008.

3. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing voor dag en nacht in een residentiële voorziening verlengd met ingang van 13 november 2008, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4. LJ&R heeft op 15 januari 2009 een verzoekschrift bij de kinderrechter ingediend, strekkende tot afgifte van een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing van [appellant] in een gesloten inrichting.

5. De rechtbank heeft daarop beslist zoals hiervoor, bij "Het geding in eerste aanleg", staat vermeld.

Ontvankelijkheid

6. Anders dan LJ&R, is het hof van oordeel dat de beschikking van de kinderrechter geen tussenbeschikking is, alleen al om reden dat de kinderrechter met een uitdrukkelijk dictum een eind heeft gemaakt aan het hele geding, aangezien het verzoek van LJ&R geheel is toegewezen.

7. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat zelfs wanneer de kinderrechter in het dictum het verzoek slechts ten dele zou hebben toegewezen (bijvoorbeeld voor de duur van twee weken) onder aanhouding van haar beslissing voor het overige, er ook dan sprake is van een eindbeschikking voor dat deel van het verzochte, aangezien met een uitdrukkelijk dictum gedeeltelijk een eind is gemaakt aan het geding. Tegen deze beschikking kan dan niet alleen hoger beroep worden ingesteld voor zover het een eindbeschikking is, maar ook voor zover het een tussenbeschikking is.

Het wettelijk kader

8. Een machtiging tot plaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg kan op grond van artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg (hierna ook: Wjz) - voor zover hier van belang - worden verleend indien de jeugdige onder toezicht is gesteld (lid 2 onder a) en de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken (lid 3).

9. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz niet kan worden afgewacht kan de kinderrechter op verzoek een voorlopige machtiging verlenen op grond van artikel 29c lid 1 Wjz.

10. Op grond van artikel 29c, in samenhang met de artikelen 29b, en 29e van de Wjz

dient de verzoeker bij zijn verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging tot gesloten plaatsing onder meer over te leggen:

1) het indicatiebesluit van de betrokken stichting;

2) de instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper.

Tevens dient de kinderrechter, alvorens de machtiging te verlenen, de minderjarige te hebben gehoord.

11. De hiervoor (in r.o. 10) genoemde vereiste stukken zijn te herleiden uit artikel

29 c lid 3 en lid 4 Wjz:

3. Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien de betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het tweede lid, voordoet.

4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, behoeft de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.

12. Dat de minderjarige door de kinderrechter dient te worden gehoord, alvorens tot de afgifte van de voorlopige machtiging wordt overgegaan is neergelegd in artikel 29f lid 1 Wjz, dat luidt:

1. Alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging of voorlopige machtiging te beslissen, hoort de kinderrechter de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad voor de kinderbescherming indien deze de verzoeker is.

13. Het niet voldoen aan elk van deze drie voorwaarden afzonderlijk is naar het oordeel van het hof reeds een grond voor het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek. Gelet op de zwaarte van de maatregel dient aan de wettelijke vereisten - ook als er praktische belemmeringen zouden zijn - te worden voldaan.

14. Op 15 januari 2009 heeft LJ&R het verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging gesloten plaatsing ingediend. Uit de beschikking van diezelfde datum blijkt niet dat bij dat verzoek een indicatiebesluit en een verklaring van een gedragsdeskundige waaruit blijkt dat deze instemt met het verzoek, zijn overgelegd. Ter zitting van het hof heeft LJ&R ook bevestigd dat voornoemde bescheiden niet bij het verzoek zijn overgelegd.

15. Hieruit leidt het hof af dat de betreffende stukken niet ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van de kinderrechter van 15 januari 2009 en zij derhalve heeft beslist zonder over deze bescheiden te beschikken.

16. Daaraan doet niet af dat op de nadere zitting van 27 januari 2009 de kinderrechter wel beschikte over de - eerst na de beschikking van 15 januari 2009 opgemaakte- stukken.

17. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.

Voor zover de kinderrechter heeft overwogen dat onderzoek door een gedragswetenschapper voorafgaande aan de beslissing feitelijk onmogelijk is en zij daaraan kennelijk de conclusie verbindt dat een verklaring alsdan (voorlopig) achterwege kan blijven, deelt het hof dat oordeel niet. Ingevolge artikel 29d, lid 4, Wjz moet een gedragsdeskundige ook voor zover het een voorlopige machtiging betreft, instemmen met zodanig verzoek. In afwijking van hetgeen met betrekking tot een machtiging (niet voorlopig) is bepaald, kan die instemming ook worden opgemaakt zonder dat de deskundige de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, wanneer dat feitelijk onmogelijk is. Kortom: ook voor een voorlopige machtiging is een instemming van een gedragsdeskundige vereist, zij het dat in uitzonderlijke omstandigheden de wijze van totstandkoming anders kan zijn dan wanneer het een "gewone" machtiging betreft.

18. Overigens is ook niet gebleken dat het feitelijk onmogelijk zou zijn geweest de jeugdige te onderzoeken, nu deze nog steeds in de instelling aanwezig was en niet was weggelopen/onvindbaar.

19. Voorafgaande aan het verlenen van de machtiging is de jeugdige niet door de kinderrechter gehoord. Gesteld noch gebleken is dat het horen van de jeugdige volstrekt onmogelijk was.

Integendeel, zoals hiervoor al overwogen was de jeugdige nog steeds (bereikbaar) in de instelling en had (desnoods) telefonisch kunnen worden gehoord.

20. Ten slotte moet in het kader van een gesloten plaatsing een advocaat aan de jeugdige worden toegevoegd die hem terzijde kan staan. Juist om reden dat het om een zeer ingrijpende maatregel gaat, had het op de weg van de kinderrechter gelegen voorafgaande aan het geven van de machtiging een advocaat aan de jeugdige toe te voegen en (in ieder geval) deze te horen omtrent het verzoek, opdat de belangen van de jeugdige behartigd zouden kunnen worden.

21. Uit al het vorenstaande vloeit voort dat op verschillende onderdelen is gehandeld in strijd met de wet en een aantal bepalingen in het EVRM en IVRK, waarin het recht op fair trial/behoorlijke procesgang is neergelegd.

22. Dit laat onverlet dat wellicht een ernstig vermoeden bestond van de situatie zoals door de wetgever is bedoeld en hiervoor in r.o. 8 is weergegeven. Aan de beoordeling daarvan komt het hof echter niet meer toe, nu niet aan de formele vereisten van het verzoek is voldaan.

Proceskosten

23. Nu het in deze zaak gaat om de belangen van een minderjarig kind, de moeder met het gezag is belast en LJ&R met het toezicht, ziet het hof aanleiding de kosten van het geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Slotsom

24. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart LJ&R niet-ontvankelijk in het verzoek tot het verkrijgen van een machtiging uithuisplaatsing in een gesloten inrichting van de minderjarige [appellant], geboren [in] 1993;

beëindigt de uithuisplaatsing in een gesloten inrichting met ingang van heden;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Kuiper en Bax-Stegenga, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van maandag 9 februari 2009 in bijzijn van de griffier.