Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH4307

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
200.003.550
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK9158, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK9158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat [appellante] het met de bevindingen van de arbeidsdeskundige of het daarop gegronde oordeel van de rechtbank niet eens is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om haar grief gegrond te achten. Voor zover [appellante] betoogt dat de bevindingen van Koetsier, Hensbergen en ACAG eraan in de weg staan om de bevindingen van Lanting te volgen, wordt zij daarin niet gevolgd. Uit het rapport van Lanting blijkt dat de door Koetsier genoemde beperkingen niet in de weg staan aan de uitoefening van de door hem als passend aangeduide functies. Weliswaar betwijfelt de reïntegratiedeskundige Hensbergen de kans van slagen van het traject van opleiding en begeleiding, maar voor zover haar twijfels de mogelijkheden van [appellante] betreffen om het traject ondanks de ongevalsgevolgen met succes te doorlopen, heeft ACAG nader onderzoek verricht op de punten die relevant waren voor de beoordeling van de schadevordering. De bevindingen van ACAG weerspreken de zojuist genoemde bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting niet. Voor het overige doen de bevindingen van Hensbergen niet af aan de bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting omtrent de mogelijkheden van [appellante] om het traject ondanks de ongevalsgevolgen te doorlopen en de kansen om daadwerkelijk betaald werk te vinden in een door hem als passend aangeduide functie. Gezien het voorgaande volgt het hof [appellante] niet in haar standpunt dat de rechtbank deze bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting ten onrechte heeft overgenomen. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot het zijne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.003.550

arrest van de derde civiele kamer van 17 februari 2009

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. F.J. Boom,

tegen:

1. de naamloze vennootschap N.V. Interpolis Schade, als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap N.V. Sterpolis Schadeverzekeringen,

gevestigd te Tilburg,

2. de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V., als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap FBTO Schade-Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.A.M. Knuppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 30 juni (het hof leest:) 2004, 25 augustus 2004, 4 januari 2006, 19 april 2006, 6 juni 2007 en 19 december 2007, die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna: [appellante]) als eiseres en de rechtsvoorgangsters van geïntimeerden (hierna: Interpolis en Achmea) als gedaagden heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 5 maart 2008 Interpolis en Achmea aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Interpolis en Achmea voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] dertien grieven tegen de vonnissen van 4 januari 2006, 19 april 2006, 6 juni 2007 en 19 december 2007 aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Interpolis en Achmea hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van EUR 325.482,28 en jaarlijks een bedrag van EUR 1.151,29, met veroordeling van Interpolis en Achmea in de proceskosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben Interpolis en Achmea de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de tussen partijen gewezen vonnissen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 4 januari 2006 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen de tussenvonnissen van 30 juni 2004 en 25 augustus 2004 zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellante] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

4.2 [appellante] heeft in de schadestaatprocedure bij de rechtbank, voor zover thans van belang, hoofdelijke veroordeling gevorderd van Sterpolis en FBTO, de rechtsvoorgangsters van Interpolis en Achmea, tot betaling van een bedrag van EUR 300.769,77 als schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen, kosten van huishoudelijke hulp, materiële kosten, smartengeld, kosten van een actuariële schadeberekening, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Sterpolis en FBTO hebben de vordering gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft bij de bestreden tussenvonnissen onder andere diverse (eind)beslissingen genomen en de zaak (nader) geïnstrueerd. Vervolgens heeft zij Sterpolis en FBTO bij eindvonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeeld tot, voor zover hier van belang, betaling aan [appellante] van een bedrag van EUR 52.037,-, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 16.658,56 vanaf 31 maart 2004 tot aan de voldoening, met afwijzing van de verder gevorderde schadevergoeding en met hoofdelijke veroordeling van Sterpolis en FBTO in de proceskosten.

4.3 [appellante] onderscheidt in haar vordering tot hoofdelijke veroordeling van thans Interpolis en Achmea tot vergoeding van haar schade, niet van welk ongeval de schade het gevolg is. Interpolis en Achmea hebben bij memorie van antwoord vermeld dat zij inmiddels tot hetzelfde concern behoren en dat daarom het belang is ontvallen aan de vraag of, en zo ja, in welke mate schade aan één of aan beide assuradeuren dient te worden toegerekend. In eerste aanleg had Sterpolis in haar incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Achmea onder 5 reeds vermeld dat Sterpolis en Achmea er geen bezwaar tegen hadden dat, indien zou worden geoordeeld dat op Sterpolis en/of Achmea nog een betalingsplicht rust, in de hoofdzaak een hoofdelijke betalingsverplichting wordt uitgesproken. Met de rechtbank neemt het hof aan dat, wanneer [appellante] in deze procedure recht blijkt te hebben op schadevergoeding als gevolg van (één van) de ongevallen, Interpolis en Achmea hoofdelijk schadeplichtig zijn.

Verlies van verdienvermogen

4.4 De eerste vier grieven van [appellante] zijn gericht tegen beslissingen van de rechtbank omtrent haar verdienvermogen na de ongevallen. Zij bestrijdt allereerst het oordeel van de rechtbank dat zij ondanks haar beperkingen in staat zal zijn door middel van een traject van opleiding en begeleiding de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen. Zij verwacht na dat traject geen 20 uur per week te kunnen werken in de door Lanting geschikt geachte functies en aan het einde van het traject geen werk te vinden. Verder meent zij dat aannemelijk is dat zij zodanig ernstige, ongevalsgerelateerde geheugen-, concentratie en/of andere cognitieve stoornissen heeft, dat de door Lanting aangenomen restcapaciteit tot het verrichten van loonvormende arbeid in, kort gezegd, lichte administratieve functies niet reëel is. Tot slot bestrijdt zij dat van haar kan worden gevergd dat zij met ingang van 1 september 2005 haar restcapaciteit tot het verrichten van betaalde arbeid benut. Deze grieven, die door Interpolis en Achmea zijn bestreden, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.5 Het hof stelt voorop dat de vraag of [appellante] als gevolg van de ongevallen schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na de ongevallen met de hypothetische situatie bij wegdenken van de ongevallen. Hierbij komt het aan op de redelijke verwachting van het hof omtrent toekomstige ontwikkelingen.

4.6 In eerste aanleg heeft [appellante] haar schadevergoedingsaanspraak wegens verlies van verdienvermogen gebaseerd op de stelling dat zij vóór de ongevallen wel verdienvermogen had en na de ongevallen niet meer. De rechtsvoorgangsters van Interpolis en Achmea hebben gemotiveerd bestreden dat [appellante] haar verdienvermogen als gevolg van de ongevallen geheel heeft verloren. Omdat de rechtbank ter beoordeling van het geschil een vergelijking diende te maken van het verdienvermogen vóór en na de ongevallen, heeft de rechtbank, naast de onder 4.4 vermelde vaststelling van het verdienvermogen vóór de ongevallen, het verdienvermogen van [appellante] na de ongevallen onderzocht.

Bij het onderzoek naar het verdienvermogen na de ongevallen doet zich de complicerende omstandigheid voor, dat de feiten die partijen ten grondslag leggen aan hun stellingen over het verdienvermogen na de ongevallen, in dit geval niet hun oorsprong vinden in de feitelijke inkomenssituatie vóór de ongevallen, maar in de hypothese dat [appellante] zonder de ongevallen functies was gaan vervullen die zij (ook) vóór de ongevallen nooit heeft vervuld, te weten functies zoals hulp in de huishouding en alfahulp. Deze hypothese strookt overigens op zichzelf met de omstandigheid dat [appellante] tussen 1974 en 1976 de opleiding tot gezinsverzorgster heeft gevolgd en heeft gesteld dat zij zonder de ongevallen spoedig twee ochtenden in de week had willen werken als hulp in de huishouding.

De arbeidsdeskundige heeft onderzocht hoe de beperkingen van [appellante] als gevolg van de ongevallen zich tot de functies van hulp in de huishouding en alfahulp verhielden. In de opvatting van de arbeidsdeskundige kon zij deze functies na de ongevallen niet meer vervullen, gezien haar beperkingen als gevolg van de ongevallen.

Voor zover [appellante] zich thans op het standpunt stelt dat het hof niet de redelijke verwachting kan hebben dat zij een traject van opleiding en begeleiding kan doorlopen om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen, en daarna een door de arbeidsdeskundige als passend aangeduide functie kan vinden, is het volgende van belang. [appellante] stelt en dient, gezien de betwisting van Interpolis en Achmea, aannemelijk te maken dat zij na de ongevallen geen verdienvermogen meer heeft. Aan [appellante] worden geen strenge eisen gesteld bij het aannemelijk maken van schade wegens het derven van arbeidsinkomsten die zij in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie zonder de ongevallen. Het zijn immers de veroorzakers van de ongevallen die haar de mogelijkheid hebben ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied, hetgeen in dit geding voor risico van Interpolis en Achmea komt. Het feit dat in eerste aanleg met [appellante] fictief is aangenomen dat zij in de hypothetische situatie zonder de ongevallen functies als hulp in de huishouding en alfahulp zou hebben vervuld en de arbeidsdeskundige meent dat zij deze functies na de ongevallen niet meer kan vervullen gezien haar beperkingen als gevolg van de ongevallen, betekent in dit geval niet dat aannemelijk is dat zij na de ongevallen geen verdienvermogen meer heeft. Nu [appellante] dergelijke functies feitelijk nimmer heeft vervuld en Interpolis en Achmea aanvoeren dat zij een resterend verdienvermogen heeft, dient bij de beoordeling van de grondslag van dit gedeelte van haar schadevergoedingsaanspraak, te weten haar betwiste stelling dat zij na de ongevallen geen verdienvermogen meer heeft, in het kader van een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen in ogenschouw te worden genomen of [appellante] op enig moment na de ongevallen redelijkerwijs in staat is te achten passend werk te verrichten en te vinden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval haar vaststaande beperkingen, haar mogelijkheden en de situatie op de arbeidsmarkt.

4.7 Hetgeen [appellante] in hoger beroep aanvoert ter onderbouwing van haar eerste vier grieven, komt er kort gezegd op neer dat zij het niet eens is met de bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Zo beroept [appellante] zich ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet in staat is de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen op een rapport van 6 november 2003, uitgebracht in opdracht van partijen door P.J. Hensbergen, als reïntegratiedeskundige verbonden aan Terzet B.V., en op het verloop van een korte stage in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek van Lanting. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij wegens concentratie- en geheugenproblemen niet in staat is om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen, een passende functie te vinden en daarin werkzaam te zijn, beroept zij zich op bevindingen van Koetsier, Lanting, Hensbergen en ACAG.

4.8 Naar het oordeel van het hof houdt een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen in dat [appellante] na de ongevallen vanaf 1 september 2005 arbeidsgeschikt had kunnen zijn voor 20 uur per week in een door de arbeidsdeskundige als passend aangeduide functie. Het hof neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

4.9 [appellante] heeft tot aan de geboorte van haar eerste kind betaald werk verricht. Vervolgens heeft zij pogingen gedaan tot verdere scholing. Zij stelt dat zij zonder de ongevallen met gebruik van die scholing betaald werk had willen en kunnen verrichten, en wel zodra de opvoeding van haar kinderen dat zou hebben toegelaten.

4.10 De arbeidsdeskundige Lanting heeft uiteengezet waarom de beperkingen van [appellante], die blijken uit het beperkingenprofiel van Hagen en waarin de door Koetsier genoemde beperkingen zijn betrokken, er niet aan in de weg staan dat zij na een traject van opleiding en begeleiding de functies kan vervullen die hij als passend heeft aangeduid. Ook heeft hij toegelicht dat die beperkingen niet in de weg staan aan het volgen van het traject van opleiding en begeleiding, dat in zijn visie één tot twee jaar moest duren om [appellante] in staat te stellen de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen. Uit zijn rapport is bovendien af te leiden dat het naar zijn inschatting reëel is om aan te nemen dat [appellante] werk kan vinden in de regio waarin zij woont in een door hem als passend aangeduide functie, nadat zij de afstand tot de arbeidsmarkt door middel van het traject heeft overbrugd.

Het enkele feit dat [appellante] het met de bevindingen van de arbeidsdeskundige of het daarop gegronde oordeel van de rechtbank niet eens is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om haar grief gegrond te achten. Voor zover [appellante] betoogt dat de bevindingen van Koetsier, Hensbergen en ACAG eraan in de weg staan om de bevindingen van Lanting te volgen, wordt zij daarin niet gevolgd. Uit het rapport van Lanting blijkt dat de door Koetsier genoemde beperkingen niet in de weg staan aan de uitoefening van de door hem als passend aangeduide functies. Weliswaar betwijfelt de reïntegratiedeskundige Hensbergen de kans van slagen van het traject van opleiding en begeleiding, maar voor zover haar twijfels de mogelijkheden van [appellante] betreffen om het traject ondanks de ongevalsgevolgen met succes te doorlopen, heeft ACAG nader onderzoek verricht op de punten die relevant waren voor de beoordeling van de schadevordering. De bevindingen van ACAG weerspreken de zojuist genoemde bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting niet. Voor het overige doen de bevindingen van Hensbergen niet af aan de bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting omtrent de mogelijkheden van [appellante] om het traject ondanks de ongevalsgevolgen te doorlopen en de kansen om daadwerkelijk betaald werk te vinden in een door hem als passend aangeduide functie. Gezien het voorgaande volgt het hof [appellante] niet in haar standpunt dat de rechtbank deze bevindingen van de arbeidsdeskundige Lanting ten onrechte heeft overgenomen. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot het zijne.

4.11 Het standpunt van [appellante] dat zij als gevolg van concentratie- en geheugenproblemen niet in staat is het traject van opleiding en begeleiding te doorlopen en een functie te vervullen die door de arbeidsdeskundige als passend is aangeduid, heeft zij onderbouwd met verwijzingen naar passages in de rapporten van – volgens haar – Koetsier en Hensbergen en naar een testverslag dat als bijlage bij het rapport van ACAG is opgenomen. Zoals Interpolis en Achmea terecht aanvoeren, is uit laatstgenoemde bijlage niet af te leiden dat [appellante] als gevolg van de ongevallen concentratie- en geheugenproblemen heeft, nu de conclusie van het rapport van ACAG erop neer komt dat [appellante] die concentratie- en geheugenproblemen niet heeft in de mate die [appellante] voorstaat en de bevindingen in de bijlage niet strijdig zijn met die conclusie en de onderbouwing ervan in het rapport.

Het rapport van Koetsier stamt uit 1994. Aan hem zijn geen vragen voorgelegd naar beperkingen op het cognitieve vlak, en in de beantwoording van de wel voorgelegde vragen rept hij daar niet over. [appellante] beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat zij aandacht- en concentratiestoornissen heeft op het volgende citaat uit een verslag van neuropsychologisch onderzoek van 30 augustus 1994, dat is verricht, naar zij stelt, in het kader van het onderzoek van Koetsier:

“(…) Aandacht en concentratie zijn matig en het tempo van werken lijkt licht vertraagd. Een perceptuele snelheidstaak wordt eveneens matig gemaakt.

Een verbale geheugentaak wordt slecht gemaakt, zo ook een taak die een beroep doet op het meer automatische geheugen. Op deze laatste taak wordt zelfs een onwaarschijnlijk zwakke score behaald. Mevrouw gaf tijdens deze test al aan zeer vermoeid te zijn. (…)”

In dit citaat is echter niet vermeld dat de verminderde prestaties ongevalsgevolgen zijn. Ook gezien de onderzoeksdatum is er niet uit af te leiden dat [appellante] in weerwil van de latere bevindingen van ACAG cognitieve beperkingen heeft als gevolg van de ongevallen die haar beletten het traject van opleiding en begeleiding te volgen en werkzaam te zijn in een functie die de arbeidsdeskundige in 2003 als passend heeft aangeduid.

Met deze verwijzingen heeft [appellante] haar standpunt dan ook niet toereikend onderbouwd. Ook hier geldt dat het enkele feit dat [appellante] het met de bevindingen van ACAG en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank niet eens is, onvoldoende is om haar grief tegen dit oordeel gegrond te achten. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot het zijne.

4.12 Tot slot slaagt ook de grief niet tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] met ingang van 1 september 2005 haar restcapaciteit tot het verrichten van betaalde arbeid heeft kunnen en moeten benutten. Uit de toelichting op de grief leidt het hof af dat [appellante] de opvatting van de rechtbank bestrijdt dat het fysiek haalbaar voor haar is om te werken. Anders dan [appellante] blijkens haar toelichting voorstaat, is met het verloop van de door haar gevolgde korte stage niet aannemelijk dat het voor haar fysiek niet haalbaar is om te werken. De arbeidsdeskundige Lanting heeft in zijn rapport vermeld dat hij in overleg met [appellante] en een zorgcentrum heeft afgesproken dat [appellante] een middag zou meedraaien met de receptiemedewerkster om proefondervindelijk te bekijken waartoe [appellante] in staat is. Uit het rapport blijkt dat deze korte stage reeds na 1,5 uur is gestaakt, omdat [appellante] toen zichtbaar vermoeid was en aangaf dat het niet meer verder ging. [appellante] had echter sinds 1983 geen betaald werk meer verricht en het is begrijpelijk dat wennen aan werken dan de nodige tijd en inspanning kost. De arbeidsdeskundige heeft in haar beperkingen als gevolg van de ongevallen geen aanleiding gezien om te menen dat zij haar restcapaciteit tot het verrichten van betaalde arbeid niet kan benutten. Onder deze omstandigheden is niet in te zien dat het verloop van de stage zou meebrengen dat het voor [appellante] fysiek niet haalbaar is haar restcapaciteit tot het verrichten van betaalde arbeid te benutten, nog daargelaten dat één niet geslaagde stage van 1,5 uur relatief kort is om aan te nemen dat het voor [appellante] fysiek niet haalbaar is om te werken en niet is gesteld of gebleken dat zij een nadere poging heeft ondernomen. Voor het overige stuit de grief af op hetgeen hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot het verlies van verdienvermogen na de ongevallen. Hierbij is in aanmerking genomen dat, voor zover [appellante] zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan thans anders zou moeten worden geoordeeld dan ten tijde van de beoordeling door de rechtbank, de enkele stelling dat zij zich niet in staat acht om te werken, onvoldoende is ter onderbouwing daarvan. Hetzelfde geldt voor haar stellingen dat zij al meer dan twintig jaar geen betaalde arbeid heeft verricht, de kans klein acht dat zij een betaalde baan kan vinden en haar belastbaarheid gering acht.

Op grond van het voorgaande volgt het hof [appellante] niet in haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij met ingang van 1 september 2005 haar restcapaciteit tot het verrichten van betaalde arbeid heeft kunnen en moeten benutten. Het hof verenigt zich met dit oordeel en maakt het tot het zijne.

4.13 De conclusie is dat de eerste vier grieven, gericht tegen beslissingen van de rechtbank omtrent het verdienvermogen na de ongevallen, geen doel treffen.

Smartengeld

4.14 Met de vijfde grief betoogt [appellante] dat de rechtbank het smartengeld had moeten begroten op EUR 15.000,- in plaats van EUR 12.500,-. Zij licht toe dat de ongevallen een enorme impact op haar leven hebben gehad en wijst op andere vergelijkbare gevallen waarin volgens haar hogere bedragen zijn toegewezen. Interpolis en Achmea menen dat het smartengeld eerder te hoog dan te laag is begroot en wijzen erop dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij de begroting van smartengeld.

4.15 De rechtbank heeft het smartengeld in het vonnis van 4 januari 2006 begroot op EUR 12.500,- en daarbij het volgende in aanmerking genomen. [appellante] is in korte tijd, op 8 november 1988 en 4 mei 1991, tweemaal in een auto slachtoffer geworden van een ongeval met een whiplashtrauma tot gevolg, waarbij het tweede ongeval een verergering heeft veroorzaakt van het in 1988 opgelopen whiplashtrauma. Zij was toen 30, respectievelijk 33 jaar oud. Dat letsel heeft tot forse lichamelijke beperkingen bij [appellante] geleid, genoemd in de beperkingenlijst van Hagen. Gelet op dit een en ander, waarvan het resultaat is dat het persoonlijk en beroepsleven van [appellante] door de gevolgen van twee ongevallen in negatieve zin op een tamelijk vroeg moment in haar leven is veranderd en lettend op de in vergelijkbare gevallen door de Nederlandse rechter toegekende (geïndexeerde) bedragen in die categorie (Smartengeldgids Update 2004 nrs. 41 en 42 en Update 2005 nrs. 41 en 42) heeft de rechtbank het smartengeld naar billijkheid bepaald op een bedrag van EUR 12.500,-. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en de gronden ervan, en maakt beide tot de zijne. De grief faalt.

Reiskosten en kosten van orthomanuele therapie

4.16 De rechtbank heeft in het vonnis van 4 januari 2006 aannemelijk geacht dat [appellante] als gevolg van de haar overkomen ongevallen, het daaruit voortvloeiende letsel en de in verband daarmee gevoerde procedure(s) reiskosten heeft moeten maken en naar redelijke verwachting tot 2009 zal moeten maken in verband met bezoek aan arts(en) en therapeut(en). De rechtbank heeft deze schade op de voet van art. 6:97 BW geschat op het door [appellante] opgegeven bedrag van EUR 113,45 per jaar, te berekenen tot het jaar 2009.

In het tussenvonnis van 6 juni 2007 heeft de rechtbank voldoende aannemelijk geacht dat voor de kosten van orthomanuele therapie een aan het ongeval gerelateerde medische indicatie bestaat. Deze schadepost is echter afgewezen op de grond dat de jaarschade volgens [appellante] EUR 272,27 bedraagt en bij de gevorderde looptijd van 16 jaar uitkomt op maximaal EUR 4.356,32, terwijl een deel ervan is gedekt door de ziektekostenverzekering en Sterpolis en FBTO terzake EUR 7.584,16 hebben uitgekeerd.

4.17 Met de zesde en de zevende grief betoogt [appellante] dat zij de schade wegens reiskosten en kosten van orthomanuele therapie ook na 2009 lijdt. Met betrekking tot de reiskosten noemt zij geen einddatum. De einddatum van de orthomanuele therapie stelt zij op 2027, het jaar waarin zij zeventig jaar wordt. Zij licht toe dat zij vanaf 1993 20 tot 24 keer per jaar een orthomanueel therapeut bezoekt en daarbij baat heeft. Zij meent dat de orthomanuele therapie blijkens het rapport van Koetsier medisch is geïndiceerd. Zij ontvangt van haar ziektekostenverzekeraar weliswaar een vergoeding tot maximaal EUR 1.000,- per jaar voor alternatieve geneeswijzen, waartoe orthomanuele therapie behoort, maar stelt de no-claim-korting van EUR 255,- elk jaar mis te lopen door de orthomanuele therapie. Zij schat de schade wegens kosten van orthomanuele therapie op EUR 272,27 per jaar.

4.18 Anders dan Interpolis en Achmea stellen, heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de orthomanuele therapie een ongevalsgerelateerde medische indicatie is (vonnis van 6 juni 2007, r.o. 2.15). Dit oordeel had echter slechts betrekking op de jaren tot 2009. [appellante] heeft in eerste aanleg immers zelf vergoeding van orthomanuele therapie en reiskosten tot 2009 gevorderd (dagvaarding in eerste aanleg onder 17). Nu zij thans in hoger beroep aanvoert dat deze posten tot 2027 moeten worden vergoed, beoogt zij kennelijk haar eis in laatstgenoemde zin te vermeerderen. Op deze – substantiële - eisvermeerdering hebben Interpolis en Achmea niet gereageerd. Wel blijkt uit hun stellingen dat zij hun verweer handhaven dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zo stellen zij ten aanzien van de orthomanuele therapie, naast hun zojuist vermelde verweer met betrekking tot de medische indicatie, dat de kosten door de ziektekostenverzekeraar worden vergoed en het gemis van een no-claim-korting van allerlei feiten en omstandigheden afhangt. Volgens hen is er geen aanleiding een langere looptijd te hanteren dan de rechtbank heeft gedaan en heeft de rechtbank eerder te veel dan te weinig toegewezen. Ten aanzien van de reiskosten voeren zij aan dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.

4.19 Het hof sluit niet uit dat de eisvermeerdering voor Interpolis en Achmea niet voldoende kenbaar was, omdat [appellante] haar eisvermeerdering niet als zodanig presenteert en deze in het geheel niet toelicht. Daargelaten of de vermeerderde eis reeds hierom wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing moet blijven, acht het hof deze bij gebreke van een toereikende feitelijke onderbouwing niet toewijsbaar. Het betreft een substantiële eisvermeerdering, die zich zonder aanvulling van de feiten en omstandigheden die de eisvermeerdering kunnen dragen, niet laat beoordelen. De eisvermeerdering noopt immers tot beoordeling van de aanwezigheid van een ongevalsgerelateerde medische indicatie voor de orthomanuele therapie over de periode van 2009 tot 2027. Daarbij dient zoals gezegd acht te worden geslagen op een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het hof kan hierbij niet louter afgaan op het rapport van Koetsier, waarmee [appellante] in eerste aanleg de gestelde medische indicatie heeft onderbouwd. Dit rapport stamt uit 1994 en bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van een medische indicatie tot 2027. Naast dit rapport is informatie van recentere datum nodig om te komen tot een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de behoefte van [appellante] aan orthomanuele therapie over de periode van 2009 tot 2027. Nu [appellante] heeft nagelaten feiten en omstandigheden te stellen die dit gedeelte van de vordering kunnen dragen en Interpolis en Achmea de toewijsbaarheid van deze kosten, in ieder geval tot 2009, gemotiveerd hebben betwist, zal het hof dit onderdeel van de vordering afwijzen. Op het voorgaande stuiten de zesde en zevende grief af.

Kosten van sporten, massage en nekkragen

4.20 In de achtste grief betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van speciale sportbeoefening, het zwemmen, de shiatsu- en hydrojetmassage en de aanschaf van nekkragen bij gebreke van medische indicatie niet voor vergoeding in aanmerking komen. [appellante] vermeldt dat zij deze kosten zonder de ongevallen nooit zou hebben gemaakt. Zij wijst erop dat weliswaar een medische indicatie ontbreekt, maar dat het dragen van een nekkraag en de shiatsu- en hydrojetmassage, de speciale sportbeoefening en het zwemmen haar helpen bij het onderdrukken van haar klachten. Interpolis en Achmea menen dat de kosten niet zijn toe te rekenen aan het ongeval.

Ook indien het hof met [appellante] aanneemt dat zij baat vindt bij het gebruik van een nekkraag en bij de genoemde activiteiten, is daarmee in het kader van de schadebegroting op de voet van artikel 6:97 BW nog niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten ongevalsgevolg zijn. Vaststaat dat er op dit punt geen ongevalsgerelateerde medische indicatie is. Het hof verenigt zich met het desbetreffende oordeel van de rechtbank (vonnis van 6 juni 2007, r.o. 2.16) en maakt het tot het zijne. Grief acht faalt.

Oppaskosten

4.21 In de negende grief komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [appellante] tot en met 1998 gemaakte oppaskosten niet toewijsbaar zijn. Deze grief gaat uit van de veronderstelling dat de kosten van de sauna en de speciale sportbeoefening toewijsbaar zijn. Omdat dit laatste niet het geval is, faalt ook deze grief.

Wettelijke rente

4.22 [appellante] stelt in haar tiende grief dat de rechtbank de wettelijke rente ten onrechte alleen heeft toegewezen over de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de actuariële berekeningen. Volgens Interpolis en Achmea heeft zij bij deze grief geen belang.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft geen grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat de schadesom waarmee partijen hebben gerekend om bij de rechtbank tot een eindvonnis te geraken, door de rechtbank aangeduid als ‘overeengekomen nadere schadeuitkering’, een bedrag inclusief rente was. In hoger beroep heeft daarom als vaststaand te gelden dat die schadesom een bedrag inclusief rente betreft. Naast dit bedrag heeft de rechtbank slechts bedragen toegewezen wegens buitengerechtelijke kosten en kosten van een actuariële berekening. De grief kan dus niet slagen.

Kosten van een actuariële berekening

4.23 In de elfde grief stelt [appellante] dat de rechtbank de kosten van de actuariële berekening ten onrechte slechts voor de helft heeft toegewezen. Interpolis en Achmea menen dat dit gedeelte van de vordering geheel had moeten worden afgewezen, omdat [appellante] de kosten heeft gemaakt terwijl partijen het niet eens waren over de uitgangspunten van de berekening.

4.24 Naar het hof begrijpt, vordert [appellante] vergoeding van deze kosten als redelijke kosten ter vaststelling van schade. De grief slaagt niet. Voor zover de berekening is gemaakt ter onderbouwing van de door [appellante] gestelde schade, betreft het in beginsel kosten ter instructie van de zaak, nu de schadestaatprocedure op het rapport is gevolgd. Voor deze kosten pleegt de proceskostenveroordeling een vergoeding in te houden. Aangezien het rapport ten dele heeft gediend tot het aannemelijk maken van (uitgangspunten van) de schade(berekening), zoals de rechtbank heeft overwogen (vonnis van 19 december 2007, r.o. 2.10), en daarmee ter vaststelling van de schade, acht het hof het met de rechtbank redelijk dat Interpolis en Achmea op de voet van het bepaalde in art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW de helft van de kosten aan [appellante] vergoeden. Het hof verenigt zich dan ook met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot het zijne.

Buitengerechtelijke kosten

4.25 Met de twaalfde grief bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank (vonnis van 19 december 2007, r.o. 2.8) dat wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van EUR 15.722,20 toewijsbaar is. Interpolis en Achmea vermelden dat de rechtbank schattenderwijs EUR 2.500,- in mindering heeft gebracht op dit gedeelte van de vordering op de grond dat onderdelen van de activiteiten van de advocaten van [appellante] vallen onder de regeling van de vergoeding van de proceskosten. Het hof overweegt als volgt. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien waarom de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en kosten van enkele andere werkzaamheden van de advocaat van [appellante], in totaal EUR 2.154,80, niet zijn aan te merken als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. De kosten van een voorlopig getuigenverhoor plegen immers in de proceskostenvergoeding te worden verdisconteerd en niet als buitengerechtelijke kosten te worden aangemerkt. Evenmin heeft [appellante] toegelicht waarom de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet tot een geschat bedrag van EUR 2.500,- werkzaamheden betreffen ter instructie van de zaak. Het hof verenigt zich op deze punten met het oordeel van de rechtbank en maakt het tot het zijne. De grief slaagt daarom niet.

De dertiende grief

4.26 In de dertiende grief vermeldt [appellante] dat zij met geen van de beslissingen van de rechtbank Arnhem kan instemmen, hiertegen hoger beroep instelt ook voor zover niet expliciet een grief is aangevoerd en het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen. De dertiende grief mist zelfstandige betekenis en behoeft deze geen verdere bespreking.

5. Slotsom

De slotsom is dat de vonnissen van 4 januari 2006, 19 april 2006, 6 juni 2007 en 19 december 2007 moeten worden bekrachtigd.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 30 juni 2004 en 25 augustus 2004;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2006, 19 april 2006, 6 juni 2007 en 19 december 2007;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Interpolis en Achmea begroot op EUR 3.263,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op EUR 5.981,- voor griffierecht;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Olthof, R.A. Dozy en G. de Groot, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2009.